RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12182295 \ CV EXPL 26-5388
Vonnis van 21 augustus 2026
in de zaak van
INCASSOCENTER B.V.,
gevestigd te Den Haag,
eisende partij,
hierna te noemen: Incassocenter,
gemachtigde: mr. S.K. Tuithof,
tegen
[gedaagde] h.o.d.n. [handelsnaam gedaagde] ,
wonend te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. J.W. Ebbink.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 24 maart 2026, met producties,
- de conclusie van antwoord, met producties,
- het tussenvonnis van 5 juni 2026, waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 20 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
Incassocenter is een onderneming die zich richt op het incasseren van (geld)vorderingen.
[gedaagde] heeft een onderneming die gericht is op gevelreiniging, sloop- en klein onderhoud.
[gedaagde] heeft contact opgenomen met Incassocenter, omdat één van zijn debiteuren, [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ), hem een bedrag van ongeveer € 20.000,- verschuldigd was en weigerde te betalen. [gedaagde] zocht advies en heeft toen contact gehad met de heer [naam] , accountmanager zakelijk bij Incassocenter (hierna: de accountmanager). Op 18 oktober 2022 heeft de accountmanager [gedaagde] per e-mail laten weten dat hij hem heeft geprobeerd te bereiken omtrent zijn “aanvraag voor gratis incasso advies”.
Op 28 oktober 2022 is tussen partijen een zogenoemde “Serviceovereenkomst Incasso Premium” tot stand gekomen (hierna: de serviceovereenkomst). De serviceovereenkomst houdt, blijkens het voorblad, onder andere in dat Incassocenter onbeperkt zaken zal behandelen voor [gedaagde] , [gedaagde] online zijn dossiers kan volgen en hij ook management rapportages ontvangt, hij nul euro aan dossierkosten en behandelingskosten verschuldigd is en dat [gedaagde] ook niets hoeft te betalen bij “Non Succes”. Verder zal Incassocenter 100% van de hoofdsom uitkeren als er wordt betaald en zal Incassocenter advies geven over eventuele gerechtelijke trajecten. In de serviceovereenkomst staat dat de door [gedaagde] te betalen jaarlijkse bijdrage € 1.500,- bedraagt.
De serviceovereenkomst bevat, voor zover hier relevant, verder de volgende voorwaarden:
“(..)
Uitvoering opdracht
Wij vorderen bij uw debiteur de ingediende hoofdsom, verhoogd met rente, 15% incasso- en administratiekosten en eventuele informatiekosten (..)
(..)
Kosten incasso
(..) Ingeval van succes wordt over elke ontvangen betaling nadat de vordering is ingediend een percentage van vijftien procent aan u doorberekend. (..)
Gerechtelijk incasso
In geval het minnelijk incassotraject niet leidt tot betaling ontvangt u een advies met betrekking tot de vervolgstappen en eventuele kosten hiervoor. U beslist vervolgens zelf of u vervolgstappen wilt nemen. De tariefafspraken met betrekking tot de vervolgstappen worden u in een afzonderlijk voorstel voorgelegd. Mocht u besluiten om de opdracht verder te zetten dan gelden in dat geval de voorwaarden uit deze overeenkomst, omtrent incasso, deelincasso of annulering van de zaak.
(..)
Uitzonderingen
Als u (…) verdere incassobehandeling in de weg staat, berekent het Incassocenter u over de gehele ter incasso gestelde hoofdsom provisie volgens boven-genoemde staffel en alle overige gemaakte kosten.
(..)
Premium
De overeenkomst wordt aangegaan voor de periode van een jaar en wordt daarna automatisch jaarlijks verlengd met een jaar, tenzij schriftelijk drie maanden van tevoren aangetekend wordt opgezegd.
(..)”
Op de serviceovereenkomsten zijn de algemene voorwaarden Incassocenter (hierna: AV) van toepassing verklaard. In die AV staan, voor zover hier van belang, de volgende bepalingen:
“(..)
Indien Cliënt (…) aan verdere incassobehandeling in de weg staat, is Incassocenter niettemin gerechtigd over de gehele haar ter incasso gestelde vordering 15% commissie en een bedrag van € 25,- (exclusief btw) aan registratiekosten en overige kosten - waaronder alle verschuldigde kosten van derden, zoals buitendienst, leges, proces- en executiekosten - in rekening te brengen.
(..)
Indien Cliënt in verzuim is, i.e. nadat de vervaldatum is overschreden, heeft Incassocenter het recht, zonder dat enige aanmaning of ingebrekestelling nodig is, een rente in rekening te brengen gelijk aan 2% per maand vanaf de vervaldag van de factuur. Zodra Cliënt in verzuim komt te verkeren, worden alle (toekomstige) vorderingen van Incassocenter op Cliënt onmiddellijk opeisbaar en treedt ook ten aanzien van die vorderingen het verzuim in zonder ingebrekestelling of andere voorafgaande verklaring in de zin van art. 6:80 e.v. BW. Incassocenter is in dat geval bevoegd om zijn/haar verplichtingen uit hoofde van enige met de wederpartij gesloten overeenkomst op te schorten totdat alsnog volledige betaling van alle opeisbare vorderingen is ontvangen.
Indien Cliënt in verzuim is, is zij, zonder dat verdere ingebrekestelling is vereist, vanaf datum verzuim alle gerechtelijke- en buitengerechtelijke kosten verschuldigd. De buitengerechtelijke incassokosten bedragen minimaal 15% van de openstaande vordering met een minimum van € 375,- (exclusief BTW).
(..)”
[gedaagde] heeft Incassocenter verzocht zijn vordering op [bedrijf] (hierna: dossier [bedrijf] ) voor hem te incasseren.
Op 31 oktober 2022 heeft Incassocenter met betrekking tot de jaarlijkse bijdrage van de serviceovereenkomst een factuur gestuurd naar [gedaagde] voor een bedrag van € 1.815,-, inclusief btw, met de omschrijving “Serviceovereenkomst Incasso Premium 28-10-2022 t/m 27-10-2023”. De uiterste betaaldatum van de factuur was 14 november 2022.
Op verzoek van [gedaagde] is op 14 december 2022 tussen partijen een betalingsregeling tot stand gekomen ten aanzien van de gefactureerde jaarlijkse bijdrage. De betalingsregeling hield in dat [gedaagde] twaalf keer een maandelijks bedrag van € 125,-, exclusief btw, zou betalen. [gedaagde] heeft één keer een bedrag van € 125,- betaald.
Per e-mail van 28 december 2022 heeft Incassocenter een incassobrief naar [bedrijf] verzonden, waarin [bedrijf] is aangemaand om een verzameling openstaande facturen van [gedaagde] , vermeerderd met rente en kosten, ter hoogte van € 20.904,67 binnen drie werkdagen aan Incassocenter te voldoen. Op 9 januari 2023 heeft Incassocenter een gelijkluidende incassobrief per e-mail naar [bedrijf] verzonden en op 11 en 26 januari 2023 tot slot per e-mail nog twee (gestandaardiseerde) ‘stuitingsbrieven’.
Op 4 mei 2023 heeft Incassocenter in relatie tot dossier [bedrijf] een e-mail gestuurd naar [gedaagde] , waarin staat dat één of meerdere facturen onbetaald zijn gebleven en dat Incassocenter haar werkzaamheden om die reden opschort. Daarnaast heeft Incassocenter geschreven dat zij zich het recht voorbehoudt om de overeenkomst te ontbinden en dat dan zal worden overgegaan “tot afwikkeling van het dossier conform de voorwaarden, waarbij de gemaakte en/of niet verhaalde kosten worden doorbelast naast de incassoprovisie ex art. 9.3 algemene voorwaarden”.
In de tussenliggende periode had Incassocenter [gedaagde] tevens laten weten dat het minnelijk incassotraject in dossier [bedrijf] niet zou leiden tot betaling en heeft zij [gedaagde] geadviseerd over eventuele vervolgstappen (een gerechtelijke procedure) en de kosten hiervan.
Op 23 mei 2023 heeft Incassocenter een e-mail gestuurd naar [gedaagde] over dossier [bedrijf] . In de e-mail staat dat Incassocenter heeft geprobeerd contact met hem te krijgen in verband met verdere instructies, maar dat dit niet is gelukt. [gedaagde] heeft een termijn gekregen van vijf dagen om Incassocenter te voorzien van instructies, bij gebreke waarvan Incassocenter zou overgaan tot afwikkeling van de zaak, waarbij de kosten aan [gedaagde] zouden worden doorbelast.
Op 20 juli 2023 heeft Incassocenter met betrekking tot dossier [bedrijf] een eindafrekening gestuurd naar [gedaagde] voor een bedrag van € 3.098,79 inclusief btw, bestaande uit € 2.535,98 aan buitengerechtelijke incassokosten, € 25,- aan dossierkosten en € 537,81 aan btw.
Op 27 oktober 2023 heeft Incassocenter een tweede factuur gestuurd naar [gedaagde] voor een bedrag van € 1.815,-, inclusief btw, met de omschrijving “Serviceovereenkomst Incasso Premium 28-10-2023 T/M 27-10-2024”. De uiterste betaaldatum van de factuur was 10 november 2023.
Op 16 november 2023 heeft [gedaagde] een e-mail gestuurd naar Incassocenter waarin het volgende staat:
“(…)
Vanaf heden 16-11-2023 wil ik alle diensten van jullie stoppen zetten dit omdat ik facturen toegestuurd krijg die al eerder zijn opgeheven maar waar jullie nu een factuur blijven sturen terwijl hierin totaal geen werkzaamheden zijn verricht en door mij als klant ook eerder al is stop gezet ik vind de situatie erg vervelend dit omdat het bedrijf incassocenter heel goed mijn situatie kent ik hulp heb gevraagd bij incasso center helaas de hulp die ik nodig heb is niet gekomen maar nu worden er enorme facturen gestuurd vind de situatie erg vreemd en ga ook een advocaat raadplegen
(…)”
Op 28 oktober 2024 heeft Incassocenter een derde factuur gestuurd naar [gedaagde] voor een bedrag van € 1.815,- inclusief btw, met de omschrijving “Serviceovereenkomst Incasso Premium 28-10-2024 t/m 27-10-2025”.
Bij brief van 27 december 2023 heeft de gemachtigde van Incassocenter [gedaagde] aangemaand de openstaande bedragen, volgens de gemachtigde neerkomend op een totaalbedrag van € 8.838,54, binnen drie dagen aan Incassocenter te voldoen, bij gebreke waarvan het faillissement van [gedaagde] aangevraagd zou worden. Een concept verzoekschrift tot faillietverklaring was als bijlage bij deze brief gevoegd.
Op 1 februari 2024 heeft [gedaagde] een bedrag van € 500,- aan Incassocenter betaald en op 1 maart 2024 een bedrag van € 650,-.
3. Het geschil
Incassocenter vordert - samengevat en na vermindering van eis - dat de kantonrechter, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, [gedaagde] veroordeelt tot betaling van:
€ 6.444,36, te vermeerderen met de contractuele rente van 2% per maand, dan wel de wettelijke handelsrente, gerekend vanaf de vervaldata van de facturen;
de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis.
Incassocenter legt het volgende aan haar vorderingen ten grondslag.
[gedaagde] is, nu hij de serviceovereenkomst is aangegaan, de jaarbijdragen over de eerste twee jaar verschuldigd. Er is weliswaar een betalingsregeling in relatie tot die jaarbijdragen overeengekomen, maar daarvan heeft [gedaagde] op enig moment slechts € 125,- (ten aanzien van de eerste factuur) voldaan. De rest van die factuur en de tweede factuur heeft hij onbetaald gelaten. Hij dient die factuurbedragen, vermeerderd met de contractuele rente van 2% alsnog te voldoen.
[gedaagde] had dossier [bedrijf] ter incasso aangeboden en Incassocenter heeft in dit dossier incassowerkzaamheden verricht. Voor deze incassowerkzaamheden dient hij te betalen en wel een bedrag van € 3.098,79. Primair legt Incassocenter daaraan het volgende ten grondslag. Omdat [gedaagde] de jaarbijdragen niet betaalde, ook niet na daartoe te zijn aangemaand, kwam hij in verzuim te verkeren. Gelet hierop was Incassocenter op grond van de serviceovereenkomst, de algemene voorwaarden en de wet gerechtigd haar werkzaamheden inzake dossier [bedrijf] op te schorten en de serviceovereenkomst uiteindelijk te beëindigen. Zij was daarnaast op grond van artikel 9.3 AV gerechtigd de overeengekomen commissie en dossierkosten in rekening te brengen over de in dossier [bedrijf] ter incasso gestelde vordering. De beëindiging van de serviceovereenkomst werkt immers door in die incasso-opdracht, waarbij geldt dat de aanhoudende wanbetaling van de verschuldigde jaarbijdragen de vereiste uitvoering van die incasso-opdracht onmogelijk heeft gemaakt. Daarmee was sprake van ‘het in de weg staan aan verdere incassobehandeling’ als bedoeld in artikel 9.3 AV en mocht Incassocenter bij [gedaagde] 15% van de ter incassogestelde hoofdsom, vermeerderd met € 25,- aan registratiekosten voor dit dossier, in rekening brengen, wat neerkomt op (0,15 x € 16.906,53 = € 2.535,98 + € 25 = € 2.560,98 + 21% btw =) € 3.098,79. Subsidiair vordert Incassocenter terzake haar werkzaamheden in dossier [bedrijf] betaling van een naar redelijkheid vast te stellen loon en meer subsidiair een, op grond van de redelijkheid en billijkheid, in goede justitie vast te stellen vergoeding.
Uitgaande van de primair gevorderde betaling van € 3.098,79 komt de hoofdsom op een totaalbedrag van (2x € 1.815 – € 125 + € 3.098,79 =) € 6.603,79. [gedaagde] heeft dit bedrag ondanks aanmaningen aanvankelijk geheel onbetaald gelaten en kwam hierdoor in verzuim te verkeren. Op grond van artikel 13.4 AV is [gedaagde] daarom 15% van dit bedrag, dus € 990,57, aan buitengerechtelijke kosten verschuldigd. [gedaagde] heeft op 1 februari en 1 maart 2024 deelbetalingen gedaan van in totaal € 1.150,-. Dit bedrag van € 1.150,- dient eerst in mindering te worden gebracht op de buitengerechtelijke kosten, dan de verschenen rente en vervolgens de hoofdsom, aldus steeds Incassocenter.
Nu Incassocenter, na het verminderen van haar eis ter zitting, heeft meegedeeld dat die vermindering ook doorwerkt in de gevorderde buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover van 24 maart 2026 (datum dagvaarding), betekent één en ander dat de aanvankelijk gevorderde buitengerechtelijke kosten wegvallen en dat er een restantbedrag van € 159,43 volgens Incassocenter in mindering dient te worden gebracht op de hoofdsom. Daarmee bedraagt, zo begrijpt de kantonrechter, de gevorderde hoofdsom dus het hiervoor (zie 3.1.) vermelde bedrag van € 6.444,36.
[gedaagde] concludeert tot gedeeltelijke afwijzing van de vorderingen van Incassocenter, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Incassocenter in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
De serviceovereenkomst en de jaarlijkse bijdragen
Niet in geschil is dat [gedaagde] , nu hij de serviceovereenkomst is aangegaan, sinds oktober 2022 een jaarlijkse bijdrage van € 1.815,-, inclusief btw, aan Incassocenter verschuldigd is. Aanvankelijk was nog in geschil over hoeveel jaren [gedaagde] die jaarlijkse bijdrage verschuldigd was. Incassocenter vorderde namelijk bij dagvaarding ook betaling van de factuur 28 oktober 2024 (zie 2.16), waarin de bijdrage over de periode 28 oktober 2024 tot en met 28 oktober 2025 in rekening was gebracht. [gedaagde] vond die factuur niet terecht, omdat hij de overeenkomst per e-mail van 16 november 2023 al zou hebben beëindigd. Nu Incassocenter ter zitting heeft meegedeeld dat zij die beëindiging accepteert, thans geen betaling meer van die laatste factuur vordert en haar eis in die zin ook heeft verminderd, behoeft de vordering en het verweer op dit punt verder geen bespreking.
Gelet op het voorgaande staat vast dat [gedaagde] over de periode oktober 2022 tot en met oktober 2024, dus tweemaal de jaarlijkse bijdrage van € 1.815,- inclusief btw aan Incassocenter verschuldigd is. Op die twee jaarlijkse bijdragen moet evenwel in elk geval al de betaling van [gedaagde] van € 125,-, welk bedrag hij kennelijk in relatie tot de eerste factuur heeft betaald, in mindering worden gebracht. Daarmee resteert een bedrag van € 3.505,-.
Contractuele rente over de gefactureerde jaarbijdragen
Incassocenter vordert onder verwijzing naar artikel 13.4 AV de contractuele rente van 2% vanaf de vervaldata van de beide facturen. Nu Incassocenter niet heeft toegelicht wanneer [gedaagde] het bedrag van € 125,- in relatie tot de eerste factuur heeft voldaan en dit ook niet uit het dossier kan worden afgeleid, kan niet worden vastgesteld over welk bedrag vanaf welke datum de contractuele rente in relatie tot de eerste factuur verschuldigd is. De gevorderde contractuele rente over de eerste factuur zal om die reden worden afgewezen.
Met betrekking tot de tweede factuur ligt dat anders. [gedaagde] heeft geen verweer gevoerd tegen de gevorderde contractuele rente over dat factuurbedrag. In relatie tot de jaarlijkse bijdragen is een betaling van € 3.505,- aan hoofdsom, te vermeerderen met de contractuele rente van 2% over € 1.815,- (de tweede factuur) vanaf 11 november 2023 (de dag na de uiterste betaaldatum, zie 2.14), in beginsel dan ook toewijsbaar.
Aangezien er nog deelbetalingen zijn gedaan, zal hierna (zie 4.14 e.v.) nog worden beoordeeld welke bedrag aan hoofdsom thans resteert.
Factuur inzake dossier [bedrijf] : strijdig met de ‘no cure no pay’-afspraak
[gedaagde] heeft ten aanzien van de gevorderde betaling van de eindafrekening in het dossier [bedrijf] het volgende tot zijn verweer aangevoerd. [gedaagde] heeft zich uitsluitend met dit dossier tot Incassocenter gewend. Hij zocht advies over hoe hij zijn (fors opgelopen) vordering op [bedrijf] zo spoedig mogelijk kon incasseren, omdat hij - door het uitblijven van betaling daarvan - in de financiële problemen was gekomen. [gedaagde] stelt dat hij met Incassocenter uitdrukkelijk was overeengekomen dat de incassowerkzaamheden in dit dossier op no cure no pay-basis zouden worden verricht, ook omdat duidelijk was dat hij, zolang er geen geld uit het dossier [bedrijf] zou vrijkomen, niet in staat zou zijn enige factuur van Incassocenter te voldoen. Hem was geadviseerd om hierbij ook de serviceovereenkomst aan te gaan, welk advies hij toen maar heeft opgevolgd. Gaandeweg het incassotraject, bestaande uit het slechts verzenden van enkele e-mails door Incassocenter aan [bedrijf] , deelde Incassocenter [gedaagde] mee dat het er naar uitzag dat er buiten rechte bij [bedrijf] niets werd of zou worden geïncasseerd voor [gedaagde] , reden waarom Incassocenter het voorstel deed een gerechtelijk traject op te starten. [gedaagde] heeft dit, gezien de kosten daarvan, uiteindelijk geweigerd. Hierop kreeg hij de factuur inzake de verrichte buitengerechtelijk kosten gepresenteerd, de hiervoor genoemde € 3.098,79. Volgens [gedaagde] is die afrekening evenwel in strijd met de gemaakte no cure no pay-afspraak en overigens ook in strijd met de redelijkheid en billijkheid: er zijn slechts vier e-mails door Incassocenter verzonden en één en ander heeft ook helemaal niets opgeleverd.
Naar het oordeel van de kantonrechter kan als vaststaand worden aangenomen dat partijen, nadat [gedaagde] zich in oktober 2022 uitsluitend met dossier [bedrijf] tot Incassocenter had gewend, zijn overeengekomen dat Incassocenter zou trachten de vordering in dit dossier op een no cure no pay-basis te incasseren. Incassocenter heeft dit immers niet betwist en één en ander is ook in lijn met de voorwaarden van de onderliggende ‘premium’ serviceovereenkomst, die [gedaagde] op advies van Incassocenter is aangegaan. Hierin is de no cure no pay-optie uitdrukkelijk benoemd en beschreven.
Vast staat voorts dat [gedaagde] zich niet aan de gemaakte betalingsafspraak met betrekking tot de jaarbijdragen heeft gehouden en dat dit Incassocenter in beginsel de mogelijkheid gaf om haar werkzaamheden op te schorten en de serviceovereenkomst te beëindigen. Uit het onderliggende dossier kan worden afgeleid dat Incassocenter ook tot opschorting is overgaan. Voor de stelling dat zij wegens de wanbetaling ook tot beëindiging van de serviceovereenkomst is overgaan, biedt het dossier echter geen enkel aanknopingspunt. Deze stelling verdraagt zich in elk geval niet met het gevorderde. Incassocenter heeft immers ná het verzenden van de eindnota op 20 juli 2023 in dossier [bedrijf] , nog tweemaal een factuur inzake de jaarbijdrage van de serviceovereenkomst naar [gedaagde] verzonden, te weten op 27 oktober 2023 en op 28 oktober 2024 om zodoende de jaarlijkse bijdragen tot en met 28 oktober 2025 te incasseren en heeft bij dagvaarding betaling van (aanvankelijk al) deze facturen gevorderd. Nu de serviceovereenkomst niet wegens wanbetaling door Incassocenter is beëindigd, gaat reeds hierom de stelling van Incassocenter dat die beëindiging (via artikel 9.3 AV) zou doorwerken in het dossier [bedrijf] niet op.
[gedaagde] heeft onweersproken naar voren gebracht dat hij Incassocenter uiteindelijk heeft laten weten dat hij geen gerechtelijke procedure tegen [bedrijf] wilde opstarten, waarna hij kort daarop de eindafrekening in dossier [bedrijf] ontving. [gedaagde] stelt echter terecht dat die eindafrekening in strijd is met de gemaakte no cure no pay-afspraak en de onderliggende serviceovereenkomst. Daarin staat immers dat alleen in geval van succes over elke ontvangen betaling een percentage van vijftien procent aan [gedaagde] zou worden doorberekend en dat [gedaagde] , indien het minnelijk incassotraject niet zou leiden tot betaling, de keuze zou hebben om door te zetten (en nadere kosten te maken) of te stoppen. Het beroep van Incassocenter op de (algemene) voorwaarde van artikel 9.3 AV, met de toelichting dat zij de incassokosten en commissie op [gedaagde] mocht verhalen, omdat hij, nu hij de jaarlijkse bijdragen niet voldeed, “aan verdere incassobehandeling in de weg stond”, kan haar in dit verband niet baten. Op dat moment hoefden er namelijk helemaal geen incassowerkzaamheden meer in dossier [bedrijf] te worden verricht. [gedaagde] had immers laten weten dat hij het hierbij wilde laten en geen gerechtelijke procedure wenste op te starten. Het (vooralsnog) niet betalen van de serviceovereenkomst was dan ook niet van invloed op een eventueel nog te vervolgen incassotraject in dossier [bedrijf] .
Het heeft er dan ook alle schijn van dat Incassocenter langs deze weg een mogelijkheid zocht om de door haar berekende (want overduidelijk niet daadwerkelijk tot het gefactureerde bedrag gemaakte) incassokosten, in strijd met de gemaakte no cure no pay-afspraak, toch te kunnen verleggen naar [gedaagde] . De door Incassocenter in het leven geroepen constructie met behulp van artikel 9.3 AV gaat echter niet op, ook niet als tot uitgangspunt wordt genomen dat [gedaagde] de serviceovereenkomst op 16 november 2023 (zelf) heeft beëindigd, met welke beëindiging Incassocenter uiteindelijk ter zitting heeft ingestemd. Ook ten aanzien van die beëindiging geldt dat [gedaagde] al voor die datum al had laten weten geen gerechtelijke procedure in dossier [bedrijf] wilde voeren en dat hij (bij Incassocenter) wilde stoppen met het afhandelen van dit dossier. De beëindiging van de serviceovereenkomst door [gedaagde] zelf stond dan ook evenmin aan enige verdere incassobehandeling van dossier [bedrijf] in de weg, zodat artikel 9.3 AV ook hier toepassing mist. De op artikel 9.3 AV gebaseerde (en primair gevorderde) betaling van de eindafrekening in dossier [bedrijf] zal dan ook worden afgewezen.
Ook de subsidiair gevorderde betaling van een naar redelijkheid vast te stellen loon voor de werkzaamheden in dossier [bedrijf] en de meer subsidiair gevorderde vaststelling door de rechtbank van een vergoeding op grond van de redelijkheid en billijkheid, stuiten op de gemaakte no cure no pay-afspraak af. In relatie tot de daadwerkelijk verrichte werkzaamheden in dossier [bedrijf] (de vier verzonden e-mails) zal dan ook niets worden toegewezen. Eén en ander brengt met zich dat het verweer van [gedaagde] dat de door Incassocenter verzonden factuur ook in strijd is met de redelijkheid en billijkheid verder geen bespreking behoeft.
Gelet op het voorgaande komen slechts de eerste twee jaarlijkse bijdragen van € 1.815, met aftrek van de daarop betaalde € 125,- voor vergoeding aanmerking. Van het gevorderde maakt echter ook (een met de nabetaling verrekende) vordering tot betaling van contractuele buitengerechtelijke kosten onderdeel uit (zie 3.3). Dit geeft aanleiding ook de stelling van Incassocenter dat [gedaagde] op grond van artikel 13.4 AV gehouden is om 15% over (thans) € 3.505,- te voldoen, te beoordelen.
Buitengerechtelijke incassokosten
De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). In het dit geval zijn partijen echter een vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten overeengekomen die van de wettelijke regeling afwijkt. Omdat [gedaagde] heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf, is dit ook toegestaan. Het staat de kantonrechter echter vrij om een incassobeding als het onderhavige te matigen tot het bedrag dat op grond van het Besluit wordt begroot, als niet wordt gesteld dat de werkelijke kosten hoger zijn dan het bedrag dat volgt uit het Besluit. Incassocenter heeft niet gesteld dat de werkelijke kosten hoger zijn dan het toepasselijke tarief waar zij, bij toepassing van de staffel (van het Besluit), recht op zou hebben. De incassokosten worden daarom gematigd tot een bedrag van (€ 375 + 10% over (€ 3.505 - € 2.500 =) € 475,50, zijnde het bedrag waar Incassocenter bij toepassing van de staffel, en op basis van het toe te wijzen bedrag, recht op zou hebben.
Deelbetalingen
De deelbetaling van € 500,- die [gedaagde] op 1 februari 2024 heeft gedaan en de deelbetaling van € 650,- die [gedaagde] op 1 maart 2024 heeft gedaan, zullen conform artikel 6:44 BW eerst in mindering worden gebracht op de hiervoor beschreven buitengerechtelijke incassokosten, die daarmee wegvallen, vervolgens op de verschenen rente en tot slot op de resterende hoofdsom (zie 4.4). Nu uit het voorgaande volgt dat alleen de verschenen rente over de tweede factuur toewijsbaar is, zal het restant van de deelbetalingen (€ 674,50) op die rente in mindering worden gebracht zoals omschreven in de beslissing.
De proceskosten worden gecompenseerd
Omdat partijen over en weer in het (on)gelijk zijn gesteld, ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren. Dat betekent dat partijen geen vergoeding hoeven te betalen voor de kosten die de andere partij heeft gemaakt.
Veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad
De veroordelingen in dit vonnis zullen uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, omdat Incassocenter dat heeft gevorderd en [gedaagde] daar geen verweer tegen heeft gevoerd (artikel 233 Rv). Dat betekent dat de veroordelingen meteen mogen worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
5. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde] om aan Incassocenter te betalen een bedrag van € 3.505,-,
veroordeelt [gedaagde] om aan Incassocenter te betalen de contractuele rente van 2% per maand over € 1.815,-, vanaf 11 november 2023 tot de dag van algehele voldoening, te verminderen met (het restant van de deelbetalingen van) € 674,50,
compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
verklaart de veroordelingen onder 5.1. en 5.2. uitvoerbaar bij voorraad,
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Scheijde, kantonrechter, bijgestaan door mr. L. Schwalb, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2026.