RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12044820 \ CV EXPL 26-162
Vonnis van 25 augustus 2026
in de zaak van:
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiser,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. J.N.T. van der Linden,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederende in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 16 december 2025 met bijlagen van [eiser] ;
- de conclusie van antwoord met bijlagen van [gedaagde] ;
- het tussenvonnis van 22 januari 2026, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- de bijlage met de aanvullende producties 8 tot en met 12 van 16 april 2026 van [eiser] ;
- de e-mail van 28 april 2026 met een brief een aanvullende foto’s van [gedaagde] .
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 mei 2026. [eiser] is in persoon verschenen, vergezeld van mr. J.N.T. van der Linden. [gedaagde] is ook in persoon verschenen, samen met haar dochter: mevrouw [naam 1] . Partijen hebben hun zaak toegelicht. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen ter zitting is verklaard en gebeurd.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
[eiser] en [gedaagde] zijn broer en zus van elkaar. De vader van [eiser] en [gedaagde] is in 2017 overleden en heeft het stuk grond, gelegen aan de [adres] en (destijds) kadastraal bekend als ‘gemeente [gemeente] , [sectie+nummer] ’, nagelaten aan partijen en de heer [naam 2] (de broer van [eiser] en [gedaagde] ). Perceel [perceelnummer 1] is naar aanleiding van de in rechtsoverweging 2.2 en 2.3 van dit vonnis uiteengezette rechtsstrijd uiteindelijk gesplitst in de percelen [perceelnummer 2] , [perceelnummer 3] en [perceelnummer 4] .
Op enig moment zijn partijen met elkaar in conflict geraakt over, onder meer, de splitsing van perceel [perceelnummer 1] . Dit heeft geleid tot een procedure voor de rechtbank Amsterdam waarin vonnis is gewezen. Partijen zijn daarvan in hoger beroep gekomen. Het hof heeft mediation voorgesteld. Partijen hebben daaraan meegewerkt en dit heeft geleid tot de op 18 november 2024 door partijen gesloten vaststellingsovereenkomst (hierna: de VSO).
In lijn met het hiervoor aangehaalde vonnis van de rechtbank Amsterdam, zijn partijen in de VSO overeengekomen dat de kavels 1 tot en met 4 (perceel [perceelnummer 2] ) en 9 (perceel [perceelnummer 4] ) toekomen aan [eiser] en mevrouw [naam 3] (de partner en erfgename van wijlen de heer [naam 2] ). De kavels 5 tot en met 8 (perceel [perceelnummer 3] ) behoren toe aan [gedaagde] .
Langs de kavels 1 tot en met 4 en 6 tot en met 9 loopt, evenwijdig aan de erfgrens met het aangrenzende perceel [perceelnummer 5] , een stuk grond dat onbebouwd is, zodat daarover gelopen kan worden en kabels en leidingen kunnen worden aangelegd, zonder dat men zich op perceel [perceelnummer 5] begeeft. Dit is echter niet het geval bij kavel 5, omdat daar momenteel een hekwerk tegen de erfgrens met perceel [perceelnummer 5] staat (zoals weergegeven op de onderstaande foto). Dit hekwerk bestaat uit zowel een witte als bruine schutting. Vanwege dit hekwerk moet men (alsnog) over perceel [perceelnummer 5] lopen om vanaf de kavels 1 tot en met 4 bij de grondstrook vóór de percelen 6 tot en met 9 te komen.
Om te voorkomen dat partijen steeds afhankelijk zijn van de toestemming van de huurder of eigenaar van perceel [perceelnummer 5] , zijn partijen in artikel 3.7 van de VSO overeengekomen dat de grondstrook aan de noordwestelijke kant, dus de onbebouwde strook grond die langs perceel [perceelnummer 5] en de kavels 1 tot en met 9 loopt, beschikbaar zal blijven voor de aanleg van kabels en leidingen en daarom niet zal worden verhuurd. Partijen hebben in hetzelfde artikel opgenomen dat [gedaagde] het hekwerk op kavel 5 verplaatst op één meter afstand van de erfgrens met perceel [perceelnummer 5] om het bovengenoemde te faciliteren. Voor zover van belang, luidt artikel 3.7 van de VSO als volgt:
“Partijen komen overeen dat de strook tussen het hek en de kavelgrens langs de noordwestelijke grens (de voorkant), Partijen welbekend, niet zal worden verhuurd en deze beperking zal als zodanig worden opgenomen in de huurovereenkomst met (nieuwe) huurders. Deze strook zal beschikbaar zijn voor de aanleg van kabels en leidingen ten behoeve van kavels 1 t/m 9. Het hekwerk op kavel 5 wordt door [gedaagde] [opmerking kantonrechter: met “ [gedaagde] ” wordt gedoeld op: [gedaagde] ] uiterlijk 12 maanden na ondertekening van de vaststellingsovereenkomst naar achteren verplaatst naar 1 meter afstand van de erfgrens ten behoeve van kavels 5 t/m 9. Op de erfgrens worden paaltjes geplaatst. (…) Partijen komen overeen dat het [gedaagde] vrijstaat dat het perceel tussen de paaltjes en het hekwerk gezellig kan inrichten met bijvoorbeeld bloempotten zolang deze makkelijk te verplaatsen zijn.”
Ter voorkoming van mogelijke discussies over de omvang van de met de verplaatsing van het hekwerk op kavel 5 gemoeide kosten, hebben partijen in artikel 3.12 van de VSO opgenomen dat [eiser] en mevrouw [naam 3] een bedrag van € 12.500,00 betalen aan [gedaagde] . Partijen hebben dit aangeduid als de ‘package deal’. In dezelfde bepaling hebben partijen opgenomen dat dit bedrag eveneens strekt tot vergoeding van de verplaatsingskosten van het tuinhuisje dat op kavel 5 staat (zie de hiervoor opgenomen foto).
Op de erfgrens tussen kavel 4 (perceel [perceelnummer 2] ) en 5 (perceel [perceelnummer 3] ) stond een gezamenlijk (mandelig) hekwerk. Dit hekwerk bestond uit enkele verticaal ingegraven palen waaraan horizontale liggers waren bevestigd. Aan de zijde van kavel 4 zaten stalen damwandprofielplaten bevestigd aan het hekwerk. Op enig moment is vanuit [gedaagde] opdracht gegeven om het gezamenlijke hekwerk te verwijderen, waarna het hekwerk ook daadwerkelijk is weggehaald. Er is door de huurder van kavel 4 een nieuw hekwerk geplaatst, waaraan de damwandprofielplaten bevestigd zijn. Tevens heeft [gedaagde] een nieuwe poorthek geplaatst. De grenspaal van het gezamenlijke hekwerk is blijven staan.
Hekwerk (oude situatie) Hekwerk (nieuwe situatie)
[eiser] heeft [gedaagde] op 15 oktober 2025 per brief gewezen op haar verplichting onder artikel 3.7 van de VSO om het hekwerk op kavel 5 te verplaatsen, en op het verlopen van de daarvoor gestelde termijn van twaalf maanden. Daarnaast heeft [eiser] [gedaagde] gesommeerd om de schade die is ontstaan door de verwijdering van het gezamenlijke hekwerk tussen de kavels 4 en 5 ongedaan te maken.
[gedaagde] heeft geen gehoor gegeven aan de bovengenoemde verzoeken van [eiser] .
3. Het geschil
[eiser] vordert dat de kantonrechter, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [naam 1] gebiedt om het hek op kavel 5 binnen één maand na uitspraakdatum te verplaatsen op één meter afstand van de erfgrens met perceel [perceelnummer 5] , in overeenstemming met artikel 3.7 van de VSO;
II. [naam 1] gebiedt om binnen één maand na uitspraakdatum de door haar aan het gezamenlijke hekwerk tussen kavel 4 en 5 veroorzaakte schade volledig te herstellen, waaronder begrepen: het terugplaatsen van het hek en de damwandprofielplaten, in combinatie met het herstel van de bestrating bij kavel 4;
III. bepaalt dat [naam 1] een dwangsom van € 2.000,00 verbeurt voor iedere week dat [naam 1] niet voldoet aan het onder I en/of II gevorderde, met een maximum van € 20.000,00;
IV. [naam 1] veroordeelt in de proceskosten.
[eiser] legt aan zijn vorderingen het volgende ten grondslag. Partijen zijn in artikel 3.7 van de VSO overeengekomen dat [gedaagde] het hekwerk op kavel 5 zo verplaatst dat dit op één meter afstand van de erfgrens met perceel [perceelnummer 5] komt te staan, zodat de strook grond die daarmee vrijkomt kan worden gebruikt voor de aanleg van kabels en leidingen. [gedaagde] heeft voor de nakoming hiervan een termijn van twaalf maanden gekregen. Echter, deze termijn is verstreken en [gedaagde] heeft in die tijd geen actie ondernomen om het hekwerk te verplaatsen; het hekwerk staat nog op dezelfde plek. [gedaagde] komt haar verplichting uit artikel 3.7 van de VSO dus niet na.
Daarnaast moet [gedaagde] de schade herstellen die [gedaagde] heeft veroorzaakt door het hekwerk tussen de kavels 4 en 5 te verwijderen. [gedaagde] heeft dit hekwerk laten verwijderen, terwijl het op de erfgrens stond en daarmee mandelig was. Dit betekent dat [eiser] eerst toestemming had moeten geven voor de verwijdering van het hekwerk. De horizontale liggers en de damwandprofielplaten van het hekwerk zijn verwijderd en als gevolg hiervan is het straatwerk tegen de platen verzakt. [gedaagde] moet dit allemaal herstellen, aldus [eiser] .
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] .
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Uitleg van de VSO
De kantonrechter stelt het volgende voorop. Een vaststellingsovereenkomst moet worden uitgelegd overeenkomstig de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkanders verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij moeten ook de aard en strekking van de overeenkomst in aanmerking worden genomen. Een zuiver taalkundige uitleg van een vaststellingsovereenkomst volstaat niet.
Zoals uiteengezet onder rechtsoverweging 3.2 van dit vonnis, stelt [eiser] dat [gedaagde] haar verplichting onder artikel 3.7 van de VSO niet nakomt, omdat het hekwerk op kavel 5 nog (steeds) niet is verplaatst.
[gedaagde] betwist niet dat het hekwerk op kavel 5 op dit moment nog niet is verplaatst, maar zij stelt zich, kortgezegd, op het standpunt dat artikel 3.7 van de VSO onvolledig en onduidelijk is en daarom toepassing mist. Daarbij voert zij aan dat artikel 3.7 van de VSO alleen betrekking heeft op huurders en niet op eigenaren, en alleen daarom al toepassing mist nu het perceel niet is verhuurd. Tevens voert zij aan dat de vrije strook niet essentieel is, omdat ook op andere wijze voorzien kan worden in de aanleg van kabels en leidingen. De erfdienstbaarheid daartoe geldt immers volgens de notariële akte niet alleen langs de noordwestelijke erfgrens, maar ook aan de zuidoostelijke grens van het perceel. Omdat de notariële akte van splitsing van 30 december 2024 later dan de VSO is opgesteld en bij onduidelijkheden een notariële akte geldt boven een vaststellingsovereenkomst, is de notariële akte leidend voor het bepalen van de inhoud van de verplichtingen van partijen, aldus [gedaagde] . De verplichting om een strook vrij te houden staat niet in de notariële akte, en geldt dus volgens haar niet. Daarnaast is [gedaagde] van opvatting dat het belang bij nakoming van artikel 3.7 van de VSO is komen te vervallen, omdat zij onder kavel 5 een buis heeft laten aanleggen voor de kabels en leidingen ten behoeve van de andere kavels.
De kantonrechter volgt [gedaagde] niet in haar standpunt. [gedaagde] moet het hekwerk op kavel 5 conform de afspraken in de VSO verplaatsen. De kantonrechter licht dit toe. [gedaagde] heeft onvoldoende gemotiveerd waarom [eiser] in dit geval op grond van de VSO redelijkerwijs niet mocht begrijpen of verwachten dat [gedaagde] het hekwerk op kavel 5 zou verplaatsen. Artikel 3.7 van de VSO maakt voldoende duidelijk dat [gedaagde] binnen twaalf maanden na het sluiten van de VSO het hekwerk op kavel 5 moest verplaatsen op één meter afstand van de erfgrens met perceel [perceelnummer 5] . De VSO is tussen partijen gesloten ter beëindiging van hun geschil over de splitsing van (toenmalig) perceel [perceelnummer 1] , en in dat verband hebben partijen over en weer verplichtingen op zich genomen die zij behoorlijk na dienen te komen. In tegenstelling tot wat [gedaagde] beweert, kan uit artikel 3.7 van de VSO voldoende worden opgemaakt waarop partijen oog hebben gehad met deze afspraak, mede bezien in het licht van de aanloop naar deze procedure en het mediationtraject dat partijen hebben doorlopen. Dat afgesproken is dat het hekwerk op de erfgrens een meter naar binnen toe verplaatst moet worden om daarmee een vrije strook tussen de – met paaltjes gemarkeerde – erfgrens en het hekwerk te creëren, is mede gelet op de laatste zin van artikel 3.7 van de VSO (over het gezellig inrichten van deze vrije strook met verplaatsbare bloempotten) en het bepaalde in artikel 3.12 van de VSO (waar gesproken wordt over de kosten van het plaatsen van erfgrenspaaltjes en het verplaatsen van het hekwerk en het huisje op kavel 5), niet voor andere interpretatie vatbaar. [gedaagde] geeft zelf toe dat het hekwerk op kavel 5 nog niet is verplaatst, wat maakt dat [gedaagde] op dit punt haar verplichtingen uit de VSO niet is nagekomen.
Onder verwijzing naar het voorgaande, is de splitsingsakte van 30 december 2024 niet doorslaggevend voor de beantwoording van de vraag hoe de VSO moet worden uitgelegd. Met de splitsingsakte wordt uitvoering gegeven aan de afspraken die in de VSO gemaakt zijn, en deze akte bevat slechts de voor de splitsing van een onroerend goed gebruikelijke algemene bewoordingen. De inhoud en reikwijdte van de tussen partijen geldende afspraken zijn in de VSO overeengekomen, waaronder een bijzondere afspraak met betrekken tot het vrijmaken en vrijhouden van een strook van een meter langs de erfgrens met perceel [perceelnummer 5] ten behoeve aanleg van leidingen en kabels. De VSO is concreter en vollediger dan de splitsingsakte waar [gedaagde] op terugvalt. Het betoog van [gedaagde] dat de splitsingsakte voorrang heeft op de VSO wordt daarom niet gevolgd.
[gedaagde] heeft ter zitting nog aangevoerd dat de verplaatsing van het hekwerk op kavel 5 geen doorgang mag vinden, omdat dit zou betekenen dat het tuinhuisje op kavel 5 moet worden afgebroken, terwijl het tuinhuisje al twintig jaar op dezelfde plek staat. Naar [eiser] ter zitting terecht heeft benadrukt, hebben partijen in artikel 3.12 van de VSO afgesproken dat het tuinhuisje (in combinatie met het hekwerk) op kavel 5 moet worden verplaatst en dat [gedaagde] daarvoor een financiële compensatie ontvangt. [gedaagde] is vrijwillig en uitdrukkelijk akkoord gegaan met deze afspraak, ter beëindiging van een langlopend geschil. Dat [gedaagde] achteraf wellicht spijt heeft van deze keuze of het thans anders ziet, rechtvaardigt niet dat [eiser] geen nakoming van de gemaakte afspraak meer kan vorderen, des te meer nu [gedaagde] financieel tegemoet is gekomen voor de kosten van verplaatsing.
De stelling van [gedaagde] dat het belang bij nakoming van artikel 3.7 van de VSO is komen te vervallen als gevolg van de aanleg van een leidingbuis onder kavel 5, kan haar eveneens niet baten. Partijen zijn immers met elkaar overeengekomen dat het hekwerk op kavel 5 zal worden verplaatst. Daarmee wordt bewerkstelligd dat een meter brede grondstrook op kavel 5 tussen het hekwerk van dat kavel en de erfgrens van perceel [perceelnummer 5] beschikbaar komt om daar leidingen en kabels aan te leggen tussen de aan weerszijden grenzende percelen van [eiser] . Dat [gedaagde] meent dat het efficiënter is om een leidingbuis onder kavel 5 aan te leggen dan om het hekwerk te verplaatsen, doet – nog daargelaten of de door haar gelegde buis in alle gevallen voldoet – niet ter zake, omdat dit niet kan bewerkstelligen dat een strook grond op kavel 5 vrijkomt, terwijl dat wel de afspraak en bedoeling van partijen is geweest volgens de VSO.
Mandelig hekwerk tussen kavel 4 en 5
Tussen partijen is niet in geschil dat het toenmalige hekwerk tussen kavel 4 en 5 op de erfgrens van die kavels stond. Daarmee staat in deze vast dat dit hekwerk van rechtswege mandelig was op grond van artikel 5:62 lid 1 BW en dat [eiser] en [gedaagde] daarom gemeenschappelijk eigenaars daarvan waren. Bij een mandelige zaak staat het de individuele mede-eigenaar niet vrij om zelfstandig over de mandelige zaak te beschikken en/of veranderingen daaraan aan te brengen, omdat dit in samenspraak met de andere mede-eigenaar moet plaatsvinden.
Tussen partijen staat eveneens vast dat het mandelige hekwerk met bijbehoren is verwijderd in opdracht van [gedaagde] . [gedaagde] heeft hiervoor als reden opgegeven dat het hek verrot was en door afbladderend materiaal schade aan omliggende erven veroorzaakte. Er staat op dit moment een ander hekwerk tussen kavel 4 en 5, maar dit hekwerk staat niet op de erfgrens van de percelen [perceelnummer 2] en [perceelnummer 3] , maar op het terrein van [eiser] . [gedaagde] is bereid om ter vervanging van het verwijderde mandelige hekwerk een nieuw hekwerk geheel op haar terrein te plaatsen, wanneer dit de angel uit het debat haalt.
[eiser] heeft hierop afwijzend gereageerd. Een hekwerk op het terrein van [gedaagde] zou betekenen dat [eiser] afhankelijk is van de toestemming van [gedaagde] om aan zijn kant van het hek veranderingen aan te brengen. Het oude hekwerk was helemaal niet verrot, maar betrof een stevige constructie. Slechts de bekleding van het hekwerk aan de zijde van [gedaagde] was in slechte staat. In relatie tot het hekwerk dat nu op het terrein van [eiser] staat, heeft [eiser] ter zitting aangevoerd dat dit hekwerk niet op de erfgrens kon worden geplaatst vanwege de loods die op het perceel van [gedaagde] staat en over de erfgrens van de kavels 4 en 5 heensteekt. Hierdoor wordt een deel van zijn terrein noodgedwongen afgesneden als een ‘pizzapunt’ (aan de voorkant ongeveer 10 cm en naar achteren steeds breder tot ongeveer 60 cm). [eiser] wil niet dat het gedeelte tussen zijn hek en de erfgrens door (huurders van) [gedaagde] in gebruik genomen kan worden. [eiser] handhaaft daarom zijn vordering als onder rechtsoverweging 3.3 van dit vonnis weergegeven.
De kantonrechter komt tot het oordeel dat de vorderingen van [eiser] op dit punt grotendeels moeten worden afgewezen. De kantonrechter licht dit als volgt toe.
[gedaagde] heeft de stelling van [eiser] dat het hekwerk dat momenteel tussen perceel 4 en 5 staat een deel van het terrein van [eiser] afsnijdt, niet bestreden. De feitelijke situatie ten aanzien van dit hekwerk ziet er daarom als weergegeven op de onderstaande afbeelding uit. Als gevolg van de aanleg van dit hekwerk, wordt nu een deel van het terrein van [eiser] afgesneden, wat bij het toenmalige mandelige hekwerk niet aan de orde was.
(illustratie door kantonrechter)
Hoewel [gedaagde] het mandelige hekwerk heeft laten weghalen zonder daartoe voorafgaande toestemming van [eiser] te hebben verkregen, kan dit er niet toe leiden dat het toenmalige mandelige hekwerk door haar moet worden teruggeplaatst. [gedaagde] heeft met de door haar overgelegde stukken namelijk voldoende onderbouwd dat het oude mandelige hekwerk aan het einde van zijn levensduur was en geen reële (economische) waarde meer vertegenwoordigde. Herstel van het verwijderde mandelige hekwerk is gelet op deze omstandigheid dan ook niet meer mogelijk. De kantonrechter wijst de vordering van [eiser] op dit punt daarom af en neemt in dit oordeel mee dat het [eiser] zelf is geweest die besloten heeft om een nieuw hekwerk op eigen terrein te plaatsen. Nu er reeds een eigen hekwerk is dat het perceel van [eiser] omheint ontbreekt een voldoende belang om van [gedaagde] te verlangen dat op haar kosten een nieuw gemeenschappelijk hekwerk op de erfgrens wordt geplaatst. Het ter zitting gedane aanbod van [gedaagde] om een hekwerk op haar eigen terrein te plaatsen is door [eiser] afgewezen. Overwogen wordt dat het belang van [eiser] er primair in ligt dat de erfgrens wordt gemarkeerd. Voor wat betreft het gestelde belang om aan een mandelig hekwerk damwandprofielen te kunnen bevestigen wordt verwezen naar het hetgeen hierna onder 4.15. wordt overwogen. De kantonrechter komt dan ook tot de slotsom dat [gedaagde] de erfgrens van kavels 4 en 5 op duidelijke en zichtbare wijze moet demarqueren om te voorkomen dat (de rechtsopvolgers van) partijen in de toekomst met elkaar in conflict raken over het precieze verloop van de erfgrens en om te voorkomen dat de strook tussen het op het eigen perceel van [eiser] geplaatste hekwerk en de erfgrens door (huurders van) [gedaagde] in gebruik wordt genomen. Dat [gedaagde] daartoe veroordeelt wordt, is omdat het aan [gedaagde] te wijten is dat het oude mandelige hekwerk is verwijderd en dat daarmee deze (toekomstige) onduidelijkheid omtrent de erfgrens in het leven is geroepen. Zij moet dientengevolge de nodige maatregelen nemen om onduidelijkheid en/of (toekomstige) discussies over de erfgrens te voorkomen.
Wat betreft de door [gedaagde] te nemen maatregelen overweegt de kantonrechter het volgende. [eiser] heeft uitdrukkelijk gesteld dat de verticaal ingegraven palen waaraan het gemeenschappelijke hekwerk destijds bevestigd was er op dit moment nog steeds staan, aan weerszijden van de loods op het perceel van [gedaagde] (die over de erfgrens heengaat). Deze stelling van [eiser] vindt bevestiging in de door [gedaagde] overlegde foto (hierboven onder 2.7. weergegeven) van de voorzijde van het perceel. Hetzelfde geldt voor de grenspaal van het voormalige gezamenlijke hekwerk. [gedaagde] heeft de stelling van [eiser] dat deze palen op de erfgrens staan en dat zij het correcte (kadastrale) verloop van de erfgrens weergeven niet betwist. Weliswaar is op de foto’s zichtbaar dat de palen roestig zijn, maar dat deze daardoor onbruikbaar zijn, is niet komen vast te staan. Dit leidt de kantonrechter tot het oordeel dat de erfgrens op dit moment relatief eenvoudig te demarqueren is door [gedaagde] en dat zij deze demarcatie tot stand kan brengen door de bestaande verticale palen met horizontale liggers zichtbaar met elkaar te verbinden door bijvoorbeeld (maar niet uitsluitend) één of meerdere lagen metalen of houten latten, balken of anderszins liggers horizontaal tussen de verschillende palen te bevestigen. De kantonrechter acht dit een redelijke oplossing, gelet op het belang dat [eiser] heeft bij een duidelijke en voor derden kenbare afbakening van de erfgrens en het verwijt dat [gedaagde] valt te maken in relatie tot de eigenmachtige verwijdering van het gemeenschappelijke hekwerk.
Damwandprofielplaten
De kantonrechter wijst de vordering van [eiser] af voor zover die betrekking heeft op de damwandprofielplaten. Uit de door partijen overgelegde stukken blijkt namelijk dat de damwandprofielplaten op dit moment zijn bevestigd aan het hekwerk dat op het terrein van [eiser] (lees: kavel 4) staat. Dit, in combinatie met de verklaring van [gedaagde] dat de huurder van het terrein van [eiser] de damwandprofielplaten onder zich heeft waardoor [eiser] daarover kan beschikken, maakt volgens de kantonrechter dat terugplaatsing door [gedaagde] van de damwandprofielplaten niet meer aan de orde is. Hier komt bij dat de kantonrechter hiervoor heeft overwogen dat [gedaagde] het mandelige hekwerk niet terug hoeft te plaatsen. Hierdoor kunnen de damwandprofielplaten (überhaupt) niet meer worden teruggeplaatst/bevestigd aan het oude hekwerk.
Bestrating
Voorts concludeert de kantonrechter dat het door [eiser] gevorderde herstel van de bestrating bij kavel 4 eveneens moet worden afgewezen. [eiser] heeft namelijk onvoldoende gemotiveerd gesteld dat deze schade is geleden.
Conclusie
Op basis van het voorgaande concludeert de kantonrechter dat de vorderingen van [eiser] grotendeels moeten worden toegewezen. Wat [gedaagde] daar verder nog tegenin heeft gebracht kan niet leiden tot een ander oordeel.
Dwangsommen
Omdat de kantonrechter [eiser] in het gelijk stelt, zijn de door [eiser] gevorderde dwangsommen eveneens voor toewijzing vatbaar. De kantonrechter ziet aanleiding om de hoogte van de gevorderde dwangsommen te matigen, nu het in deze gaat om een familieverhouding tussen eiser en gedaagde. De kantonrechter acht het redelijk dat de hoogte van de dwangsommen wordt gematigd tot € 250,00 voor iedere week dat [gedaagde] in gebreke blijft in de nakoming van hetgeen waartoe zij als opgenomen in de beslissing wordt veroordeeld.
Proceskosten
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden tot op heden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
146,14
- griffierecht
€
93,00
- salaris gemachtigde
€
434,00
(2 punten × € 217,00)
- nakosten
€
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
745,14
5. De beslissing
De kantonrechter:
gebiedt [gedaagde] om het hekwerk op kavel 5 binnen één maand na uitspraakdatum te hebben verplaatst op één meter afstand van de erfgrens met perceel [perceelnummer 5] , in overeenstemming met artikel 3.7 van de VSO;
gebiedt [gedaagde] om de erfgrens van de percelen [perceelnummer 2] en [perceelnummer 3] tussen kavel 4 en 5 op duidelijke en zichtbare wijze te demarqueren op de wijze als in rechtsoverweging 4.14 van dit vonnis uiteengezet;
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere week dat zij niet voldoet aan hetgeen waartoe zij onder rechtsoverweging 5.1 en/of 5.2 is veroordeeld, tot een te verbeuren maximum van € 25.000,-;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 745,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.P. Ploeger en in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2026 in aanwezigheid van de griffier mr. J.E.F. Chel.