RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-094619-26
Datum uitspraak: 13 augustus 2026
TUSSEN-UITSPRAAK
op de vordering van 4 mei 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 25 maart 2026 door de Procureur de la République près le Tribunal Judiciaire de Lille (Openbaar aanklager bij de Justitiële rechtbank te Lille), Frankrijk (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 1988 in [geboorteplaats] (voormalig Sovjet-Unie),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
Zitting van 10 juni 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 10 juni 2026, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. R.H. Lagerweij, advocaat in Hoofddorp.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
Tussenuitspraak van 24 juni 2026
In de tussenuitspraak van 24 juni 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de door de rechtbank onder overweging 7 van die uitspraak geformuleerde vraag omtrent de detentieomstandigheden aan de Franse autoriteiten te stellen.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met 30 dagen verlengd en gelijktijdig de (geschorste) gevangenhouding verlengd met dertig dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting 30 juli 2026
Op de zitting van 30 juli 2026 heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. R.H. Lagerweij.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3. Tussenuitspraak van 24 juni 2026
In de tussenuitspraak van 24 juni 2026 heeft de rechtbank reeds geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB (overweging 3), de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW (overweging 4), de strafbaarheid van het feit (overweging 5) en de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW (overweging 6). Deze overwegingen moeten hier als herhaald en ingelast worden beschouwd.
4. Artikel 11 OLW: Franse detentieomstandigheden
Inleiding
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar overweging 7 van de tussenuitspraak van 24 juni 2026. Deze overweging moet hier eveneens als herhaald en ingelast worden beschouwd.
In reactie op de naar aanleiding van de tussenuitspraak van 24 juni 2026 door het Internationaal Rechtshulpcentrum van het Openbaar Ministerie (IRC) gestelde vraag, hebben de Franse autoriteiten op 29 juli 2026 het volgende geantwoord:
"The various specific and detailed points regarding [opgeëiste persoon]’s conditions of detention have been communicated to you previously.
Every effort is being made to ensure that the number of prisoners per cell does not exceed two where there are two beds.
Given [opgeëiste persoon]’s profile, he cannot be placed in judicial solitary confinement.
I would like to emphasise that a guarantee of return was sent to you on 15 May 2026; consequently, [opgeëiste persoon] will only be detained in France for the time strictly necessary for his trial, which may take place within one month of his surrender."
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB en dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De aanvullende informatie is immers nog steeds te algemeen van aard en onvoldoende concreet om het algemene reële gevaar weg te nemen.
Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat met de door de Franse autoriteiten verstrekte aanvullende informatie van 29 juli 2026 het vastgestelde algemene gevaar niet is weggenomen voor de opgeëiste persoon.
De Franse autoriteiten hebben meegedeeld dat de eerder verstrekte informatie over de detentieomstandigheden onverkort geldt en dat er wordt getracht dat het aantal gedetineerden in een cel niet meer is dan het aantal aanwezige bedden. Deze mededeling is echter geen concrete toezegging dat de opgeëiste persoon zal worden geplaatst in een cel waarin niet meer personen worden gedetineerd dan het aantal aanwezige bedden. Evenmin kan uit de aanvullende informatie van 29 juli 2026 worden afgeleid dat de opgeëiste persoon over ten minste 3m2 persoonlijke leefruimte (exclusief sanitaire voorzieningen) zal beschikken in een meerpersoonscel. Voor zover de Franse autoriteiten met de slotopmerking in de aanvullende informatie van 29 juli 2026 hebben willen stellen dat de situatie dat de opgeëiste persoon over minder dan 3m2 persoonlijke leefruimte in een meerpersoonscel zal beschikken slechts van korte duur zal zijn, komt de rechtbank alleen al niet toe aan de beoordeling daarvan omdat niet blijkt dat eveneens sprake zal zijn van de overige compenserende factoren als bedoeld in de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Dorobantu.
De rechtbank stelt dan ook vast dat voor de opgeëiste persoon een individueel gevaar bestaat van schending van zijn grondrechten wegens de detentieomstandigheden in de detentie-instelling in Lille-Annoeullin of Lille-Sequedin, als de overlevering zou worden toegestaan. Dat betekent dat de rechtbank de beslissing moet aanhouden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, tenzij evident is dat het gevaar niet binnen een redelijke termijn zal worden weggenomen als gevolg van een wijziging van de omstandigheden. In dat laatste geval zou de rechtbank direct geen gevolg kunnen geven aan het EAB en de officier van justitie niet-ontvankelijk kunnen verklaren.
De rechtbank acht het niet ondenkbaar dat de hiervoor bedoelde wijziging van de omstandigheden zich binnen afzienbare tijd voordoet en ziet daarom aanleiding het onderzoek te heropenen en te schorsen.
Dit betekent dat de rechtbank de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW aanhoudt. De rechtbank zal ingevolge artikel 11, vierde lid, OLW, bij de volgende zitting nagaan of een wijziging van de omstandigheden is opgetreden binnen een redelijke termijn.
De voortzetting van de zaak zal worden ingepland in de periode van 11 september 2026 tot en met 20 september 2026, zodat kan worden nagegaan of deze wijziging van omstandigheden is opgetreden.
Verlenging van de beslistermijn
De termijn om op het verzoek tot overlevering te beslissen loopt af op 18 augustus 2026. Nu de rechtbank, gezien het voorgaande, een verlenging nodig heeft om op het verzoek tot overlevering te beslissen zal zij de beslistermijn verlengen met 60 dagen onder gelijktijdige verlenging van de geschorste gevangenhouding met 60 dagen.
5. Beslissing
HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd en bepaalt dat de zaak op een zitting wordt ingepland in de periode van 11 september 2026 tot en met 20 september 2026.
HOUDT AAN de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW.
VERLENGT op grond van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van het derde lid van dit artikel uitspraak moet doen met 60 dagen (eindigend 17 oktober 2026), omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
VERLENGT op grond van artikel 27, derde lid, OLW de geschorste overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon met 60 dagen.
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsvrouw.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.R.P.J. Davids, voorzitter,
mrs. O.P.M. Fruytier en A.B.M. Wijnveldt, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 13 augustus 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.