RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/790157 / KG ZA 26-570 MV/GR
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding van 20 augustus 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [woonplaats] ,
eisende partij bij dagvaarding van 26 juni 2026,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. E. Cakmak,
tegen
AFC AJAX N.V.,
te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Ajax,
advocaat: mr. A. van de Beek.
Het kort geding wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Amsterdam.
De zaak wordt behandeld door mr. W.M. de Vries, voorzieningenrechter, bijgestaan door G.P. Raats als griffier.
1. De procedure
Tijdens de mondelinge behandeling op 20 augustus 2026 was [eiser] niet aanwezig; wel verscheen mr. Cakmak ter zitting, samen met een vriend van [eiser] , de heer [naam 1] . Namens Ajax verschenen [naam 2] (bedrijfsjurist), [naam 3] ( [functie 1] ) en [naam 4] ([functie 2]) met mr. Van de Beek.
Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht. Mr. Cakmak heeft de dagvaarding toegelicht. Ajax heeft verweer gevoerd. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de voorzieningenrechter na een korte schorsing op zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan, waarvan dit proces-verbaal is opgemaakt dat op 21 augustus 2026 aan partijen is afgegeven.
2. Inleiding
[eiser] vordert verlenging van zijn Ajax-seizoenskaart voor [arena plaats] in de Johan Cruijff ArenA voor het seizoen 2026/2027, dan wel een gelijkwaardig alternatief (in de vakken 125 tot en met 129 ), op straffe van een dwangsom. [eiser] vraagt de voorzieningenrechter Ajax daarnaast te veroordelen in de proceskosten.
Ajax voert verweer. [eiser] heeft het recht op verlenging van zijn seizoenskaart voor het volgende seizoen verloren omdat hij zich niet aan de zogenaamde opkomstplicht (minimaal 11 van de 17 thuisduels aanwezig zijn) heeft gehouden, ex artikel 12.1 van de Ajax-Ticketvoorwaarden. [eiser] heeft met deze voorwaarden ingestemd. Desondanks heeft hij de opkomstplicht proberen te omzeilen door zijn Ajax-gegevens en foto’s van QR-codes aan derden te verstrekken, zodat deze derden ‘scanpunten’ konden behalen zonder dat [eiser] zelf aanwezig was op de F-side . [eiser] heeft daarnaast de inloggegevens van zijn persoonlijke Ajax-account afgestaan aan de heer [naam 1] (hierna: ‘ [naam 1] ’) en daarmee in strijd gehandeld met artikel 5.3 van de Ajax-Ticketvoorwaarden. [naam 1] beheert ook feitelijk het account van [eiser] , aangezien [naam 1] degene is die reageert op correspondentie, het account aan zijn e-mailadres gekoppeld is, [naam 1] de facturen betaalt en hij ook herhaaldelijk heeft verzocht de seizoenskaart van [eiser] op zijn naam of die van zijn dochter te laten zetten. Hiermee heeft [eiser] de seizoenkaart niet alleen voor het Toegangsrecht maar óók voor het Aankooprecht overgedragen aan [naam 1] . Dit is in strijd met artikel 12.5 Standaardvoorwaarden van de KNVB en het door Ajax gecommuniceerde beleid inzake seizoenskaarten. Uit de kaartgeschiedenis blijkt voorts dat de seizoenskaart van [eiser] sinds 2021 met grote regelmaat door [naam 1] is gebruikt. [eiser] heeft in seizoen 2024/2025 geen enkele wedstrijd zelf bezocht en het seizoen daarvoor maximaal twee wedstrijden. Na het besluit van Ajax om de seizoenskaart niet te verlengen
meldde niet [eiser] , maar [naam 1] zich bij Ajax, met de mededeling dat hij de kaart feitelijk gebruikt, omdat [eiser] niet of nauwelijks meer naar wedstrijden gaat. De vordering van [eiser] strekt er dan feitelijk toe dat niet hij, maar [naam 1] (of zijn dochter/vriendin) de kaart kan blijven gebruiken, om zo de – tienjarige – wachtlijst voor het bemachtigen een seizoenskaart te omzeilen. [eiser] zelf heeft geen belang bij de vorderingen die in dit kort geding zijn ingesteld, zodat ze moeten worden afgewezen.
Namens [eiser] is naar voren gebracht dat hij zijn seizoenskaart al meer dan dertig jaar in gebruik heeft en nimmer formeel gewaarschuwd is, noch in gebreke gesteld, als het gaat om het ongeoorloofde gebruik daarvan. Hij is een echte Ajax-held en het niet verlengen van zijn seizoenskaart is, als discretionaire bevoegdheid van Ajax, disproportioneel en in strijd met de (derogerende werking van) de redelijkheid en billijkheid; temeer omdat de voorwaarden waar Ajax zich op beroept met een ander doel zijn opgesteld en ingevoerd, namelijk het tegengaan van lege plaatsen op de F-side . Artikel 12.1 van de Ajax-Ticketvoorwaarden betreft bovendien een oneerlijk beding in de zin van artikel 6:233 BW, dat ambtshalve, althans op verzoek van [eiser] , moet worden getoetst aan Richtlijn 93/13/EEG om vervolgens buiten toepassing te worden gelaten. Het beding leidt er immers toe dat [eiser] na bijna 35 jaar zijn verlengingsrecht forfaitair verliest wegens een geringe overtreding, zonder proportionaliteitstoets, zonder voorafgaande waarschuwing en zonder enig aangeboden alternatief. Dit verstoort het contractuele evenwicht ten nadele van consument [eiser] . Ajax kan niet aannemelijk maken dat [eiser] dit beding, indien daarover op eerlijke en billijke wijze afzonderlijk was onderhandeld, zou hebben aanvaard.
3. De mondelinge uitspraak
De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van [eiser] af.
[eiser] , zo blijkt uit het dossier, gaat al jaren niet meer zelf naar de wedstrijden van Ajax. Het is totaal niet aannemelijk geworden dat dit in het seizoen 2026/2027 ineens wel zou gaan gebeuren. [eiser] heeft dus geen belang bij zijn vordering tot verlenging van zijn seizoenskaart voor dit seizoen. Uit de wet volgt dat zonder belang niemand een rechtsvordering toekomt (artikel 3:303 BW). Dit betekent dat de vordering van [eiser] wordt afgewezen.
Het belang van [naam 1] – geen partij in deze procedure – om de seizoenskaart van [eiser] te blijven gebruiken is geen belang van [eiser] en kan dus niet tot een andere uitkomst leiden; hoe jammer dit ook moge zijn voor [naam 1] .
Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiser] in de proceskosten worden veroordeeld. De proceskosten van Ajax worden begroot op:
Deze proceskostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
4. De beslissing
De voorzieningenrechter
wijst de vorderingen van [eiser] af,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzieningenrechter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.