RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Team Familie & Jeugd
Parketnummer: 13.190858.25 (zaak A) en 13.224828.25 (zaak B)
Datum uitspraak: 16 juni 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2010,
ingeschreven op het adres [adres].
1. Onderzoek ter terechtzitting
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 juni 2026.
De zaken met bovenvermelde parketnummers zijn ter terechtzitting gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. M S. Gerritsen en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J.P.W. Temminck Tuinstra, naar voren hebben gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van wat onder meer naar voren is gebracht door:
- [medewerker de Raad], namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad);
- [medewerker WSS], reclasseringswerker bij de William Schrikker Stichting (hierna: de WSS);
- de vader van de verdachte.
Verder is de benadeelde partij [benadeelde partij 1], bijgestaan door zijn advocaat mr. F.H van der Pol, verschenen.
Namens de benadeelde partij [benadeelde partij 2], zijn diens moeder en zijn advocaat, mr. I.L.A. Kamphuis, verschenen.
2. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij:
Zaak A
op of omstreeks 22 juni 2025 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [benadeelde partij 2] van het leven teberoven, een of meermalen (met kracht)- tegen het hoofd en/of in het gezicht, althans tegen het lichaam, van die [benadeelde partij 2] heeft geschopt en/of- tegen het hoofd en/of in het gezicht, althans tegen het lichaam, van die [benadeelde partij 2] heeft gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;( art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair hij op of omstreeks 22 juni 2025 te Amsterdam aan een ander, te weten [benadeelde partij 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten verschillende breuken in het bot van deneus en/of een breuk in de oogkas) heeft toegebracht, door een of meermalen (met kracht)- tegen het hoofd en/of in het gezicht, althans tegen het lichaam, van die [benadeelde partij 2] te schoppen en/of- tegen het hoofd en/of in het gezicht, althans tegen het lichaam, van die [benadeelde partij 2] te stompen;( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
meer subsidiairhij op of omstreeks 22 juni 2025 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [benadeelde partij 2] opzettelijk zwaarlichamelijk letsel toe te brengen een of meermalen (met kracht)- tegen het hoofd en/of in het gezicht, althans tegen het lichaam, van die [benadeelde partij 2] heeft geschopt en/of- tegen het hoofd en/of in het gezicht, althans tegen het lichaam, van die [benadeelde partij 2] heeft gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
Zaak B
op of omstreeks 14 juni 2025 te Amsterdam [benadeelde partij 1] heeft mishandeld, door die [benadeelde partij 1] meermalen, althans eenmaal, tegen het hoofd, althans tegen het lichaam, te slaan; ( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
3. Voorvragen
De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4. Waardering van het bewijs
Zaak A
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bewezenverklaring gevorderd van de tenlastegelegde poging doodslag.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de geweldshandelingen van de verdachte een poging tot zware mishandeling oplevert zoals meer subsidiair ten laste is gelegd. De feiten en omstandigheden geven volgens de raadsvrouw geen aanleiding tot veroordeling voor een poging tot doodslag of voltooide zware mishandeling zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. De opzet was niet gericht op het doodslaan van [benadeelde partij 2] of op het hem toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, ook niet in voorwaardelijke zin. De verdachte hield hiermee ook geen rekening, wilde dit niet en heeft die gevolgen ook niet bewust op de koop toegenomen.
De verdachte had geen harde zolen onder zijn schoenen en heeft verder alleen met zijn handen geslagen, niet met een voorwerp. Het gebeurde allemaal in een waas. Er was geen sprake van een bewust weten en willen.
Het oordeel van de rechtbank
De feiten en omstandigheden
Uit het dossier volgt dat er op 21 juni 2025 een groep jongens voor de woning van (de stiefmoeder van) de verdachte rondhangt. De jongens bellen aan en bonken op de ramen. Op de beelden van de ringdeurbel van de woning is te horen dat de jongens roepen dat ze willen gaan rellen en te zien is dat een jongen tegen de deur aan schopt. De aangever [benadeelde partij 2] verklaart bij de politie dat hij degene is geweest die tegen de deur heeft geschopt.
Op 22 juni 2025 komen de verdachte en de aangever elkaar op straat tegen. De verdachte stapt op de aangever af en spreekt hem aan. Hij belt zijn vader via FaceTime en vermaant de aangever zijn excuses aan te bieden aan hem en zijn vader. De aangever weigert dit en de vader van de verdachte zegt tegen de verdachte dat hij weg moet gaan en naar huis moet komen. De verdachte draait zich om en wil weglopen.
Hoewel de aangever een andere lezing geeft is de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat de verdachte vervolgens door de aangever van achteren op zijn hoofd wordt geslagen. De verdachte geeft bij de politie meteen aan dat hij een bult op zijn hoofd heeft als gevolg van de klap waarvan hij op dat moment nog last heeft. Uit het dossier volgt dat de verdachte zowel op zondag 22 juni 2025 als op maandag 23 juni 2025 verzoekt om een medisch onderzoek, maar dat dit onderzoek niet is uitgevoerd.
Na de klap op zijn hoofd draait de verdachte zich om en de verdachte en de aangever duwen elkaar over en weer. De verdachte krijgt een waas voor ogen en alle woede en frustratie van de afgelopen periode komt er bij hem uit. Hij slaat en trapt de aangever tegen zijn hoofd en in zijn gezicht, ook als de aangever al op de grond is gevallen.
De getuige [getuige 1] verklaart dat er sprake was van langdurig buitensporig geweld. De getuige [getuige 2] beschrijft dat de verdachte vol en hard op het hoofd van de aangever schopte terwijl die op de grond lag. Hij hoorde een harde klap en zag het hoofd op de grond stuiteren. De aangever verklaart dat hij even buiten bewustzijn is geraakt. Toen hij weer bij bewustzijn kwam zag hij de verdachte niet meer en voelde hij heel veel pijn.
Verbalisanten ter plaatse zien dat de aangever aanzienlijk letsel heeft. Het rechteroog is heel dik en zit dicht. Op het voorhoofd is een heel dikke bult zichtbaar. De neus is naar binnengeslagen en de rest van het gezicht is zichtbaar toegetakeld. Om de aangever heen liggen diverse plasjes bloed. De aangever is met een ambulance naar het ziekenhuis vervoerd.
Er is onder meer sprake van een fractuur in de onderzijde van de oogkas, meerdere fracturen in de neus, een beschadiging van het neusschot, meerdere kneuzingen in het aangezicht, zwellingen rondom de ogen, licht traumatisch hersenletsel en een open wond op de neus. Een reconstructie van de neus is noodzakelijk, maar kan pas plaatsvinden als de neus is volgroeid.
Juridische kwalificatie
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld hoe het handelen van de verdachte in juridische zin moet worden geduid.
De verdachte heeft zwaar geweld uitgeoefend tegen de aangever door hem meerdere malen met kracht tegen zijn hoofd en in het gezicht te slaan en te trappen. De verdachte bleef doorgaan terwijl de aangever op de grond lag. Dit in combinatie met het onvermogen van de aangever om zijn hoofd voldoende te kunnen beschermen en de klappen en trappen af te weren, omdat hij buiten bewustzijn was geraakt, maakt dat een aanmerkelijke kans op de dood van de aangever is ontstaan. Verdachte heeft met zijn handelen de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangever zou kunnen overlijden.
De rechtbank acht daarmee de onder feit 1 primair tenlastegelegde poging doodslag wettig en overtuigend bewezen.
Zaak B
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bewezenverklaring gevorderd van de tenlastegelegde mishandeling.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft geen bewijsverweer gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank
De feiten en omstandigheden
Uit het dossier volgt dat de verdachte op 14 juni 2025 rond 21:06 uur vanuit de Jumbo terugloopt in de richting van het huis van zijn stiefmoeder. Ter hoogte van die woning ziet de verdachte aangever [benadeelde partij 1] en nog twee andere jongens, NN1 en NN2, staan.
De verdachte herkent de aangever van een eerder incident. Uit de beelden van de ringdoorbel blijkt dat de aangever voor de voordeur van de woning stopt en aanbelt. Te zien is dat de verdachte richting de aangever loopt en hem aanspreekt en dat NN1 en NN2 zich er vervolgens mee gaan bemoeien. De stiefmoeder van de verdachte komt in beeld en zij kijkt naar de jongens en loopt dan weer naar binnen. NN1 zoekt de verdachte op en NN2 probeert hen vervolgens uit elkaar te duwen. De verdachte geeft hierop NN1 een kopstoot en hij maakt een slaande beweging in de richting van NN1. De verdachte richt zich vervolgens tot de aangever en geeft hem twee klappen in zijn gezicht. Te zien is dat de aangever hierdoor naar achteren loopt en bijna valt en vervolgens wegrent. De stiefmoeder komt weer in beeld met een honkbalknuppel in haar hand. Te zien is dat zij en de verdachte achter de jongens aanrennen. Kort daarna stopt het filmpje.
Vervolgens blijkt uit de beelden van de ringdoorbel dat de aangever later die avond om 22.30 uur opnieuw naar de voordeur loopt, aanbelt en dan weer wegloopt.
De rechtbank stelt vast dat verdachte de aangever twee maal heeft geslagen tegen het hoofd en zij acht de ten laste gelegde mishandeling wettig en overtuigend bewezen.
5. Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
Zaak A
op 22 juni 2025 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [benadeelde partij 2] van het leven te beroven, meermalen met kracht- tegen het hoofd en in het gezicht van die [benadeelde partij 2] heeft geschopt en- tegen het hoofd en in het gezicht van die [benadeelde partij 2] heeft gestompt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Zaak B
op 14 juni 2025 te Amsterdam [benadeelde partij 1] heeft mishandeld, door die [benadeelde partij 1] meermalen, tegen het hoofd te slaan.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
6. Bewijs
De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.
7. Strafbaarheid van de feiten en strafbaarheid van verdachte
Zaak A
Noodweer(exces)
De raadsvrouw heeft een beroep gedaan op noodweer dan wel noodweerexces. Het handelen van de verdachte was geboden door de noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de aangever [benadeelde partij 2]. De verdachte kwam in een hevige gemoedsbeweging terecht waaraan hij geen weerstand kon en hoefde te bieden. De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie. Het is duidelijk dat er een conflict gaande was tussen de verdachte en de aangever. De voorgeschiedenis laat zien dat de verdachte zelf ook slachtoffer is geweest van geweld. In de onderhavige zaak is er geen sprake geweest van een wederrechtelijke aanval op de verdachte waaruit hij niet kon wegkomen. De verdachte heeft zelf de confrontatie met de aangever opgezocht en dat is vervolgens geëscaleerd.
De vraag die aan de rechtbank voorligt is of verdachte uit zelfverdediging (noodweer) heeft gehandeld en of hij zo had mogen handelen volgens de wet.
In dat geval moet er sprake zijn geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, een noodsituatie waartegen verdachte zich mocht verdedigen.
De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de eerder in rubriek 4.1 genoemde, aan wettige bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden.
De rechtbank stelt voorop dat de aanloop naar het geweldsincident zich kenmerkt door aanhoudende spanningen, pesterijen en incidenten tussen de verdachte en een steeds in samenstelling wisselende groep jongens.
De verdachte werd de dag voor het geweldsincident door de aangever en zijn vrienden geïntimideerd en uitgedaagd. De aangever en zijn vrienden hingen rond bij de woning van zijn stiefmoeder en belden aan. De volgende dag heeft de verdachte de aangever hiermee geconfronteerd en verzocht om excuses. Op het moment dat de verdachte weg wilde lopen is hij van achteren op zijn hoofd geslagen door de aangever.
Naar het oordeel van de rechtbank was hier sprake van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding en mocht de verdachte zich daar ook tegen verdedigen. Door de wijze waarop de verdachte vervolgens heeft gereageerd heeft hij echter de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschreden.
Vervolgens ligt de vraag voor of er sprake is geweest van een verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging. Dat geldt alleen als de gedragingen het ‘onmiddellijke gevolg’ zijn van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding. Aannemelijk moet zijn dat de veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de verweten gedraging. Aan het ‘onmiddellijk gevolgvereiste’ is niet voldaan als de hevige gemoedsbeweging in essentie is terug te voeren op eerder bestaande emoties, zoals een al bestaande kwaadheid richting het slachtoffer en of anderen.
Uit de schriftelijke verklaring van de verdachte in het dossier volgt dat er iets in hem knapte toen hij op zijn achterhoofd werd geslagen en dat alle boosheid en frustratie van de incidenten die zich in de afgelopen maanden hadden afgespeeld er uit kwam. Hieruit blijkt dat de hevige gemoedsbeweging van de verdachte niet enkel was ingegeven door de klap van de aangever maar met name was ingegeven door alle opgekropte frustraties en emoties van de afgelopen tijd.
Het beroep op noodweerexces wordt dan ook verworpen.
Psychische overmacht
In het geval een beroep op noodweer(exces) niet slaagt heeft de raadsvrouw een beroep op psychische overmacht gedaan.
De raadsvrouw stelt dat sprake is geweest van een drang van buiten, namelijk enerzijds alle voorafgaande mishandelingen, bedreigingen en pesterijen naar de verdachte en zijn gezin en anderzijds de gedragingen van de aangever die de dag ervoor nog voor de deur stond en tegen de deur aantrapte, terwijl er recent doodsbedreigingen richting de verdachte op de muur waren gekalkt. De verdachte voelde zich heel onveilig en kwam al weinig meer buiten en voelde zich ook nog eens bijzonder schuldig naar zijn hoogzwangere stiefmoeder die ook slachtoffer van de situatie werd.
De raadsvrouw is van mening dan van de verdachte niet kon worden verlangd dat hij aan die drang weerstand kon bieden. En hij hoefde die ook niet te bieden, met name niet toen hij zelf op zijn achterhoofd werd geslagen terwijl hij al wegliep op advies van zijn vader. De raadsvrouw stelt dat een andere 15-jarige in zijn positie, die al zo lang werd getreiterd en vernederd, niet per se anders had gehandeld. De vraag is niet of anders handelen mogelijk was, maar of dat van de verdachte in deze situatie redelijkerwijs kon worden gevergd. Dit maakt dat de verdachte volgens de raadsvrouw moet worden ontslagen van alle strafvervolging.
De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat aan de verdachte geen beroep op psychische overmacht toekomt.
De rechtbank stelt voorop dat een beroep op psychische overmacht slechts kan slagen wanneer sprake is van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Daarbij geldt dat de reactie op de drang moet voldoen aan eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is aannemelijk geworden dat de verdachte heeft gehandeld onder omstandigheden die zijn terug te voeren op aanhoudende spanningen en conflicten tussen hem en in samenstelling wisselende groep jongens waardoor hij druk heeft ervaren.
Echter, niet is gebleken dat ten tijde van het begaan van het onderhavige feit deze druk bij de verdachte een zodanige gemoedstoestand had veroorzaakt, dat hij in zijn mogelijkheden werd aangetast om anders te reageren dan met het excessieve geweld dat hij tegen de aangever heeft gebruikt. Het handelen van verdachte dient dan ook in ieder geval als disproportioneel te worden aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank was geen sprake van een extreem gewelddadige situatie, omdat de aangever de verdachte immers een enkele klap gaf waarop de verdachte reageerde.
De rechtbank concludeert dat het onder zaak A bewezenverklaarde feit een strafbaar feit oplevert en dat de verdachte hiervoor strafbaar is
De rechtbank zal bij de strafmaat wel rekening houden met de aanloop naar het incident en het aandeel dat de aangever [benadeelde partij 2] daarin heeft gehad.
Zaak B
Noodweer(exces)
De raadsvrouw heeft ook ten aanzien van de mishandeling van de aangever [benadeelde partij 1] een beroep gedaan op noodweer dan wel noodweerexces. Het handelen van verdachte was volgens de raadsvrouw geboden door de noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door aangever en zijn vrienden. De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat het weliswaar intimiderend is geweest dat de aangever met anderen bij de voordeur van de woning van de stiefmoeder van de verdachte rondhing en daar aanbelde, zoals blijkt uit de in rubriek 4.2 genoemde aan wettige bewijsmiddelen ontleende feiten en omstandigheden, maar dat er geen sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Er bestond geen situatie waartegen de verdachte zich met geweld moest verdedigen.
Het beroep op noodweer(exces) wordt dan ook verworpen.
Psychische overmacht
In het geval een beroep op noodweerexces niet slaagt heeft de raadsvrouw een beroep op psychische overmacht gedaan. Dit maakt dat de verdachte volgens de raadsvrouw moet worden ontslagen van alle strafvervolging.
De raadsvrouw stelt dat sprake is geweest van een drang van buitenaf waartegen de verdachte geen weerstond kon en hoefde te bieden. De verdachte kon niet veilig zijn huis bereiken aangezien de aangever en zijn vrienden hem volgden en vervolgens voor hem uitliepen en aanbelden bij het huis van zijn stiefmoeder. Dit deed een schepje bovenop de reeks eerdere bedreigingen aan het adres van de verdachte. Verdachte voelde zich (al zo lang) in het nauw gedreven dat niet anders van hem verlangd had kunnen worden.
De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat aan de verdachte geen beroep op psychische overmacht toekomt. Hoewel gelet op de intimidatie aan de voordeur en de hele daaraan voorafgaande geschiedenis aannemelijk is dat bij de verdachte enige drang bestond om te reageren, is niet gebleken dat die drang zodanig was dat hij daardoor niet anders heeft kunnen handelen dan hij heeft gedaan. Met andere woorden, van de verdachte kon redelijkerwijs worden verwacht anders te handelen dan de confrontatie met de aangever en zijn vrienden aan te gaan en de aangever te slaan.
De rechtbank concludeert dat het bewezenverklaarde feit onder zaak B een strafbaar feit oplevert en dat de verdachte hiervoor strafbaar is
De rechtbank zal bij de strafmaat wel rekening houden met de aanloop naar het incident en het aandeel dat de aangever [benadeelde partij 1] daarin heeft gehad.
8. Motivering van de straf
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 100 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en toezicht en begeleiding door de WSS. Het door de Raad geadviseerde contactverbod met de slachtoffers vindt de officier van justitie niet meer passend en nodig.
Daarnaast heeft de officier van justitie de Leerstraf So Cool Regulier voor de duur van 40 uren gevorderd, met bevel, voor het geval dat de leerstraf niet naar behoren wordt verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen.
Strafmaatverweer van de verdediging
De raadsvrouw heeft benadrukt dat de verdachte zelf het slachtoffer is van stelselmatige belaging door jongeren en genoeg is getroffen door alle gevolgen en dat er gelet op die omstandigheden geen ruimte meer is voor een straf. De bijzondere omstandigheden vragen om een bijzondere aanpak. Toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht is aangewezen of een geheel voorwaardelijke werkstraf, dan wel de leerstraf So Cool zoals is voorgesteld.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een (vrijheids-) straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
De verdachte heeft excessief geweld gebruikt tegen het slachtoffer [benadeelde partij 2]. Hij heeft hem op zijn hoofd en in zijn gezicht geslagen en getrapt, ook toen het slachtoffer op de grond lag en het bewustzijn had verloren en zich niet meer tegen de trappen en slagen kon verweren. Omstanders hebben gezien hoe het hoofd van het slachtoffer op de grond stuiterde na elke trap van de verdachte. De verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan een poging doodslag. Dit rekent de rechtbank verdachte aan.
De rechtbank houdt wel rekening met de conflictueuze voorgeschiedenis tussen de verdachte en de steeds in samenstelling wisselende groep jongeren die het op de verdachte voorzien hadden en de feitelijke aanloop op 22 juni 2025 naar het moment van de geweldsuitbarsting toe. De situatie was al lange tijd heel onrustig en onveilig voor de verdachte en dat heeft een rol gespeeld bij het gedrag van de verdachte.
Verdachte heeft zich verder schuldig gemaakt aan mishandeling van het slachtoffer [benadeelde partij 1] door hem tegen het hoofd te slaan. Dit rekent de rechtbank verdachte aan.
De rechtbank houdt ook hier rekening met de conflictueuze voorgeschiedenis en de feitelijke aanloop naar het moment van slaan.
Het slachtoffer heeft de confrontatie met de verdachte opgezocht en geïntimideerd bij de voordeur van het huis van de stiefmoeder van de verdachte. De verdachte heeft zich laten uitdagen en heeft daarmee nare gevolgen voor het slachtoffer maar ook voor zichzelf veroorzaakt.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie van 27 maart 2026 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld. Hij zal dan ook worden aangemerkt als ‘first offender’.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank kennisgenomen van het rapport en advies van de Raad van 15 mei 2026.
Uit het onderzoek van de Raad komen beschermende factoren en risicofactoren naar voren. Zo wordt er gezien dat de verdachte opgroeit in een fijn gezin met een betrokken vader en stiefmoeder. Thuis zijn er regels waaraan de verdachte zich goed houdt. Er worden risicofactoren gezien op het domein ‘geestelijke gezondheid’. De verdachte heeft aangegeven zich al langere tijd onveilig te voelen in zijn leefomgeving. In dat kader wordt meegewogen dat er sprake is van aanhoudende spanningen en incidenten met groepen jongens, waaronder ook belaging in de nabijheid van de woning van de verdachte, wat bijdraagt aan een gevoel van voortdurende onveiligheid. Daarnaast heeft zich recent een ernstig incident voorgedaan waarbij de verdachte met een mes in zijn hand is gestoken. Ook via Snapchat is sprake van spanningen en provocaties tussen betrokkenen. De verdachte en zijn vader hebben van meerdere incidenten aangifte gedaan. Aan de vermeende daders is een contact- en locatieverbod opgelegd, maar zij houden zich hier niet aan. De verdachte heeft gedurende een langere periode niet zelfstandig over straat durven gaan en werd door zijn vader naar school gebracht. De Raad acht het van belang te benadrukken dat er in deze situatie sprake is van een dynamiek waarin de verdachte niet alleen dader maar ook slachtoffer lijkt te zijn. De Raad adviseert een deels voorwaardelijke werkstraf. De Raad heeft jeugddetentie overwogen, gezien de ernst van de verdenking. Gelet op het feit dat de verdachte een first offender is en het delict bijna een jaar geleden is en de verdachte daarna niet meer in aanraking is gekomen met de politie vindt de Raad een geheel voorwaardelijke werkstraf passend.
Daarbij worden als bijzondere voorwaarden geadviseerd om een contactverbod met de slachtoffers en het meewerken aan hulpverlening die de WSS nodig acht, zoals een coach, op te leggen.
De Raad vindt de leerstraf So Cool regulier passend omdat het de verdachte de mogelijkheid biedt vaardigheden te ontwikkelen die bijdragen aan persoonlijke weerbaarheid. Door deze vaardigheden te versterken, wordt het voor de verdachte makkelijker om negatieve sociale invloeden te weerstaan en herhaling van risicovol gedrag te voorkomen.
De WSS staat achter het advies van de Raad. Het betreft een trieste zaak voor alle betrokkenen. De verdachte is zelf ook herhaaldelijk slachtoffer geweest van allerlei pesterijen, dreigementen en ook van geweld. De verdachte en zijn familie voelen zich al lange tijd onveilig. Hoewel eerder gevraagd en beloofd heeft de verdachte pas na het steekincident van november 2025 een alarmknop gekregen. De verdachte en de vader werken aan alles mee. Ondertussen gaat de intimidatie nog steeds door. De laatste tijd lukt het de verdachte om weg te lopen van incidenten maar de WSS staat niet voor de verdachte in als hij echt in het nauw wordt gedreven. Inmiddels is de vader zover dat hij aan verhuizen denkt. Het is heel triest om toe te geven dat dit misschien de beste oplossing zou zijn.
Overweging van de rechtbank
De rechtbank komt tot een strafoplegging en heeft daarbij de ernst van de feiten als ook alle (persoonlijke) omstandigheden zoals hierboven uiteengezet meegewogen.
Gelet op de aard en ernst van zaak A is de modaliteit jeugddetentie passend. De rechtbank ziet evenwel in de bovenstaande besproken persoonlijke omstandigheden en situatie van de verdachte aanleiding om het zwaartepunt van de straf in het kader van een deels voorwaardelijke taakstraf op te leggen, te weten een voorwaardelijke werkstraf en de geadviseerde leerstraf So Cool.
De rechtbank zal daarbij als bijzondere voorwaarden toezicht en begeleiding door de WSS opleggen waarbij de verdachte moet meewerken aan de hulpverlening die door de WSS nodig wordt geacht. De rechtbank ziet meerwaarde in de begeleiding en ondersteuning van een coach. Een contactverbod met de slachtoffers vindt de rechtbank een jaar na de incidenten niet meer passend en nodig.
9. Benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel
Zaak A: de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert € 3.086,15 aan materiële schadevergoeding en
€ 11.600,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de materiële schade op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is geworden dat er beschadigingen zijn ontstaan aan de telefoon van de benadeelde als rechtstreeks gevolg van de poging doodslag. Daarnaast blijkt ook niet uit de overgelegde stukken dat het gaat om een telefoon van de benadeelde partij en dateert de offertedatum van mei 2026. De officier van justitie verzoekt deze schadepost niet-ontvankelijk te verklaren.
Ten aanzien van de toekomstige medische kosten heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat deze kosten - net als de benadeelde partij zelf aangeeft - niet ontvankelijk dienen te worden verklaard nu deze toekomstige kosten nog niet concreet en onderbouwd zijn.
Ten aanzien van de kosten persoonlijke verzorging volgt uit een uitspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2025:853) dat vergoeding van verzorging en verpleging door derden toewijsbaar is, zelfs wanneer de zorg feitelijk gratis is verleend. De toets is of de verleende
werkzaamheden in de gegeven situatie normaal en gebruikelijk door een professional zouden worden uitgevoerd, waaronder hulp bij persoonlijke verzorging.
De officier van justitie is van oordeel dat – gelet op de onderbouwing – sprake is van de noodzaak tot hulp in de eerste weken en hij acht de gevorderde kosten redelijk en billijk en toewijsbaar.
Ook de schade aan de broek, de reiskosten voor de moeder en zelfmedicatie zijn volgens de officier van justitie toewijsbaar. Uit het dossier en de vordering volgt dat de benadeelde partij schade heeft opgelopen aan zijn broek (met de daarbij behorende kosten), dat zijn moeder naar het ziekenhuis heeft moeten reizen (met de daarbij behorende kosten) en ook is voldoende aannemelijk geworden dat zelfmedicatie nodig was voor de benadeelde partij. De schatting van deze kosten voor pleisters en andere benodigdheden is redelijk en billijk.
De officier van justitie verzoekt deze kosten toe te wijzen.
Ten aanzien van de immateriële schade gaat de benadeelde partij uit van de Rotterdamse Schaal en neemt € 8.000,- als uitgangspunt en vermeerdert dit met 20% door opzet op letsel en 25% in verband met de leeftijd van de benadeelde partij, zoals volgt uit de aanbevelingen op de Rotterdamse Schaal.
De officier van justitie is van mening dat de aanbeveling niet op gaat voor dit concrete geval, nu in de aanbeveling gesproken wordt over ‘blijvend letsel’. Uit de medische stukken blijkt niet dat sprake is van blijvend letsel.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat een schadevergoeding van € 8.000,- redelijk en billijk is, gelet op de situatie en de daarbij meegewogen voorgeschiedenis. De officier van justitie verzoekt de vordering te matigen tot € 8.000,- en voor het overige deel niet-ontvankelijk te verklaren.
De officier van justitie concludeert dat de vordering tot een bedrag van € 9.036,20 (€ 1.036,20 materiele schade en € 8.000 immateriële schade) dient te worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren gezien het beroep op psychische overmacht en noodweer/ noodweer exces.
Subsidiair heeft zij verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren aangezien zij van mening is dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting voor de strafzaak vormt. Met name doordat die een onderzoek vergen naar de medeschuld van het slachtoffer (vgl. rechtbank Limburg, 27 januari 2017, ECLI:NL:RBLIM:2017:799).
In het geval de rechtbank hier anders over oordeelt, verzoekt de raadsvrouw de aanbevelingen gebaseerd op de Rotterdamse Schaal achterwege te laten nu deze geldend zijn van januari 2026 en de feiten van ruim daarvoor zijn.
Ten aanzien van de materiële schade is de raadsvrouw van mening dat de kosten ten aanzien van de broek, het vervoer van de moeder en de zelfmedicatie voldoende zijn onderbouwd en toewijsbaar zijn.
De toekomstige medische kosten zijn nu nog niet concreet en onderbouwd en dienen niet-ontvankelijk te worden verklaard.
De beschadiging van de telefoon blijkt niet uit het dossier en ook de onderbouwing roept vragen op zodat deze kostenpost dient te worden afgewezen.
De gevorderde kosten ten aanzien van de persoonlijke verzorging van de benadeelde partij vindt de raadsvrouw te ver gaan om in de beoordeling van dit strafproces mee te nemen. Zij verzoekt deze schadepost niet-ontvankelijk te verklaren.
Ten aanzien van de immateriële schade stelt de raadsvrouw dat behoudens een klein litteken op de neus niet kan worden vastgesteld dat sprake is van blijvend letsel.
In het geval de rechtbank wenst aan te sluiten bij de Rotterdamse Schaal is de raadsvrouw van mening dat het letsel eerder past bij categorie 9.1 (c) II met bedragen tussen de € 2.675,- en € 3.500,- en niet tussen de € 7.500,- en € 16.000,- zoals de benadeelde partij betoogt. Het verhogen van het voorgestelde bedrag van € 8.000 aan immateriële schade met nog eens 25% vanwege de leeftijd van de benadeelde partij en met nog eens 20% vanwege de opzet op toebrengen van het letsel is niet billijk in het licht van het feit dat de verdachte ook erg jong was en geen opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en juist erg is geschrokken van wat er is gebeurd.
Niet is gebleken dat de benadeelde behandeling heeft gehad bij een psycholoog voor geestelijk letsel. De raadsvrouw verzoekt de rechtbank aansluiting te vinden bij de zaak ECLI:NL:GHAMS:2025:923 en de vordering te matigen tot € 750,-
Het oordeel van de rechtbank
Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat er geen nader onderzoek naar de mate van de medeschuld van de benadeelde partij nodig is en de vordering als zodanig geen onevenredige belasting van de strafzaak is.
De rechtbank komt aan de beoordeling van de vordering toe en zal daarbij ook de aanbevelingen gebaseerd op de Rotterdamse Schaal betrekken aangezien deze aanbevelingen voor de rechtspraak vanaf 1 januari 2026 geldend zijn.
De rechtbank is van oordeel dat vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder zaak A bewezenverklaarde feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht.
De rechtbank acht de kosten ten aanzien van de broek, reiskosten ziekenhuis, zelfmedicatie voldoende onderbouwd en toewijsbaar.
Uit het dossier volgt niet dat de telefoon van de benadeelde partij als gevolg van het delict is beschadigd en de onderbouwing geeft daarover ook geen duidelijkheid zodat de benadeelde partij in deze schadepost niet-ontvankelijk wordt verklaard.
De toekomstige medische kosten zijn nog niet concreet en onvoldoende onderbouwd zodat de benadeelde partij ook in deze schadepost niet-ontvankelijk wordt verklaard.
De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat er gezien het letsel van de benadeelde partij en de onderbouwing in de vordering sprake is geweest van de noodzaak tot hulp in de eerste weken en dat de gevorderde kosten voor de persoonlijke verzorging redelijk en billijk en toewijsbaar zijn.
De rechtbank concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding zal worden toegewezen tot een bedrag van € 1.036,20 (duizend zesendertig euro en twintig eurocent), (broek, reiskosten, zelfmedicatie, persoonlijke verzorging) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.
Tevens staat vast dat aan de benadeelde partij door het onder zaak A bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.
Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit letsel heeft opgelopen. Met de geweldshandelingen is er een ernstige inbreuk gepleegd op zijn persoonlijke levenssfeer en lichamelijke integriteit.
Uit de vordering en de spreekrechtverklaring van de moeder van de benadeelde partij blijkt welke gevolgen en impact dit voor hem heeft gehad. Na het incident had de benadeelde fysieke pijn en was er veel schaamte voor zijn aangezicht. Ook heeft de benadeelde lange tijd last gehad van angst en gevoelens van onveiligheid op straat. Er is een reconstructie van de neus nodig maar daarvoor zal de benadeelde moeten wachten tot dat hij is uitgegroeid. Hij verkeert daardoor nog steeds in onzekerheid over zijn herstel en behoudt ondertussen zijn klachten met betrekking tot ademhalen en snurken.
De rechtbank stelt op grond van het dossier en de onderbouwde vordering vast dat de benadeelde partij onder andere meerdere fracturen in de neus heeft opgelopen. Wanneer de benadeelde partij is uitgegroeid zal er een reconstructie van de neus moeten plaatsvinden. Voorlopig is er dus nog geen sprake van en uitzicht op volledig herstel. De rechtbank vindt daarom voor wat betreft het letsel aansluiting bij de Rotterdamse Schaal tussen categorie 9.1 (c) I en II in, en neemt € 5.000,- als uitgangspunt.
De rechtbank past daarbij de aanbeveling 2 (verhoging van 25% bij ‘blijvend letsel’ bij kinderen tot en met 14 jaar) en de aanbeveling 3 (verhoging van 10-25% bij opzet op het toebrengen van letsel) toe. De rechtbank overweegt daarbij dat uit aanbeveling 6 volgt dat er sprake is van ‘blijvend letsel’ als het gevolg na twee jaren nog bestaat, wat in de onderhavige zaak het geval is. Bij de Rotterdamse Schaal wordt uitgegaan van een ‘neutrale’ veroorzaking van het letsel en daarom dient bij het vaststellen van de hoogte van het smartengeld de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het verwijt te worden meegewogen. Gelet op de ernst van het feit is de bovenzijde bandbreedte aan de orde en zal de rechtbank een verhoging van 20% toepassen. Met deze vermeerdering komt de rechtbank in beginsel uit op het bedrag van € 7.250,-
De rechtbank ziet evenwel in de omstandigheden van de zaak aanleiding om rekening te houden met het eigen aandeel dat de benadeelde partij heeft gehad door zich samen met anderen op intimiderende wijze op te houden voor de woning van de stiefmoeder en tegen de deur te trappen en de verdachte terwijl hij wilde weggaan van achteren een harde klap tegen zijn hoofd te geven.
De rechtbank begroot de immateriële schadevergoeding gelet daarop naar billijkheid op het bedrag van €4.000,- (vierduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.
De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De benadeelde partij kan het resterende deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Verder wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze
uitspraak in verband met deze vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op
heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de
tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
De rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht.
De benadeelde partij [benadeelde partij 1]
De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert € 79,99 aan materiële schadevergoeding en
€ 1.200,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de materiële schade op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is geworden dat de schoenen van de benadeelde partij als gevolg van de mishandeling verloren zijn. De officier van justitie verzoekt deze schadepost niet-ontvankelijk te verklaren.
Ten aanzien van de immateriële schade gaat de benadeelde partij uit van de Rotterdamse Schaal en neemt € 1.000,- als uitgangspunt en vermeerderd dit met 20% door opzet op letsel, zoals volgt uit de aanbevelingen op de Rotterdamse Schaal.
De officier van justitie weegt deze schadepost anders: naast het letsel aan het hoofd weegt mee dat de benadeelde partij de confrontatie met de verdachte heeft opgezocht door voor het huis te verblijven en tot twee keer toe aan te bellen (zelfs na de mishandeling). De officier van justitie kan niet uitsluiten dat de psychische impact kan komen door handelingen die niet door de verdachte zijn uitgevoerd. Hij was namelijk niet de enige die geweld heeft gepleegd tegen de benadeelde partij, maar ook de vader van de verdachte.
De officier van justitie vindt een matiging tot € 400,- euro passend in dit specifieke geval en verzoekt de vordering voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren.
De officier van justitie concludeert dat de vordering tot een bedrag van € 400,- (immateriële schade) dient te worden toegewezen, hoofdelijk (nu aan de vader van de verdachte een voorwaardelijk sepot is opgelegd), en te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren gezien het beroep op psychische overmacht en noodweer/noodweer exces.
Subsidiair heeft zij verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, nu zij van mening is dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting voor de strafzaak vormt. Met name doordat die een onderzoek vergen naar de medeschuld van het slachtoffer (vgl. rechtbank Limburg, 27 januari 2017, ECLI:NL:RBLIM:2017:799).
In het geval de rechtbank hier anders over oordeelt, verzoekt de raadsvrouw de aanbevelingen gebaseerd op de Rotterdamse Schaal achterwege te laten nu deze geldend zijn van januari 2026 en de feiten van ruim daarvoor zijn.
Ten aanzien van de materiële schade heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden vastgesteld dat het verliezen van de schoenen van de benadeelde een rechtstreeks gevolg is van het delict en daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsvrouw verzocht rekening te houden met de eigen schuld en het aandeel van de benadeelde partij die de confrontatie is blijven opzoeken. De benadeelde partij was 17 jaar ten tijde van het incident en dus vele jaren ouder dan de verdachte. Als hij de verdachte niet had lastig gevallen dan was hem niets overkomen. Het is verdrietig dat de benadeelde partij na het incident meer thuis is dan voorheen. Maar het staat niet in verhouding tot hoe onveilig en beperkt de verdachte zich al langdurig voelt als gevolg van het gedrag en het meelopen door jongens als de benadeelde partij.
De raadsvrouw verzoekt de vordering sterk te matigen en niet meer dan € 250,- in totaal toe te wijzen. De verdachte heeft alleen met zijn handen geslagen dus het gaat te ver aan te sluiten bij de voorbeelden uit de jurisprudentie die door de benadeelde partij zijn aangehaald.
De correctie met aanbevelingen naar boven is allerminst op zijn plaats. De verdachte heeft geen opzet gehad op toebrengen van letsel. Hij wilde enkel het dreigen en kleineren en treiteren doen stoppen en zijn stiefmoeder, die hoogzwanger was op dat moment en op wier muur doodsbedreigingen waren geklad, beschermen.
Het oordeel van de rechtbank
Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat er geen nader onderzoek naar de mate van de medeschuld van de benadeelde partij nodig is en de vordering als zodanig geen onevenredige belasting van de strafzaak is.
De rechtbank komt aan de beoordeling van de vordering toe en zal daarbij ook de aanbevelingen gebaseerd op de Rotterdamse Schaal betrekken aangezien deze aanbevelingen voor de rechtspraak vanaf 1 januari 2026 geldend zijn.
De rechtbank is van oordeel dat niet vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder zaak B bewezenverklaarde feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht.
Het verlies van de schoenen van de benadeelde partij is geen rechtsreeks gevolg geweest van de klappen die verdachte aan de benadeelde partij heeft uitgedeeld. De benadeelde partij zal in deze schadepost niet-ontvankelijk worden verklaard.
Wel staat vast dat aan de benadeelde partij door het onder zaak B bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.
Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk en geestelijk letsel heeft opgelopen.
De rechtbank stelt op grond van het dossier en de onderbouwde vordering vast dat de benadeelde partij een zwelling, een schaafwond en een blauwe plek in het gezicht en een kneuzing aan zijn schedel/kaak heeft opgelopen en klachten van een hersenschudding heeft ondervonden.
De rechtbank vindt voor wat betreft het letsel aansluiting bij de Rotterdamse Schaal categorie 13 (c), licht letsel met een herstelperiode van ongeveer twee maanden. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van relatief licht letsel en neemt als uitgangspunt € 300,-.
De rechtbank past daarbij de aanbeveling 3 (verhoging van 10-25% bij opzet op het toebrengen van letsel) toe. Bij de Rotterdamse Schaal wordt uitgegaan van een ‘neutrale’ veroorzaking van het letsel en daarom dient bij het vaststellen van de hoogte van het smartengeld de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het verwijt te worden meegewogen. De rechtbank past een verhoging van 20% toe. Met deze vermeerdering komt de rechtbank in beginsel uit op het bedrag van € 375,-.
De rechtbank ziet evenwel in de omstandigheden van de zaak aanleiding om rekening te houden met het eigen aandeel dat de benadeelde partij heeft gehad door zich samen met anderen op intimiderende wijze op te houden voor de woning van de stiefmoeder van de verdachte en daar aan te bellen en dan later op de avond terug te keren en opnieuw aan te bellen.
De rechtbank begroot de immateriële schadevergoeding gelet daarop naar billijkheid op het bedrag van € 250,- (tweehonderd en vijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.
De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De benadeelde partij kan het resterende deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Verder wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze
uitspraak in verband met deze vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op
heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de
tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
De rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht.
10. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 45, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 287, 300 van het Wetboek van Strafrecht.
11. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder primair en onder zaak B ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Zaak A
ten aanzien van het onder primair bewezen verklaarde:
poging tot doodslag
Zaak B
ten aanzien van het onder feit 2 bewezen verklaarde:
mishandeling
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 11 dagen.
Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit:
Beveelt dat, als de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor respectievelijk 50 (vijftig) en 20 (twintig) dagen.
Beveelt dat de werkstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
Onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:
zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde:
- meewerkt aan ambulante hulpverlening, waaronder een coach, die nodig wordt geacht door de jeugdreclassering.
Van rechtswege gelden tevens de voorwaarden dat de veroordeelde:
Geeft aan de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering de opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Ten aanzien van de vorderingen benadeelde partijen
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] toe tot een bedrag van € 5.036,20 (vijfduizend en zesendertig euro en twintig eurocent) (te weten € 1.036,20 materiële schade en € 4.000,- immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 22 juni 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van [benadeelde partij 2], te betalen de som van € 5.036,20 (vijfduizend en zesendertig euro en twintig eurocent) (te weten € 1.036,20 materiële schade en € 4.000,- immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 22 juni 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.
Bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij 2] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
Bepaalt dat, indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toe tot een bedrag van €250,- (tweehonderd en vijftig euro) (te weten immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 juni 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte aan de benadeelde voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen,.
Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van [benadeelde partij 1] te betalen de som van €250,- (tweehonderd en vijftig euro) (te weten immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 juni 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.
Bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij 1] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
Bepaalt dat, indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. W. Aardenburg, voorzitter, tevens kinderrechter,
mrs. E.M. Devis en K.A. Brunner, kinderrechters,
in tegenwoordigheid van mr. F. Nijland, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 juni 2026.