RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser], te [woonplaats], eiser
de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar.
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/7112
en
Procesverloop
Met het besluit van 5 september 2025 heeft de heffingsambtenaar aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.
Eiser heeft tegen deze beschikking bezwaar gemaakt. Met de uitspraak op bezwaar van
24 oktober 2025 (de bestreden uitspraak) heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.
De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2026. Namens de heffingsambtenaar is verschenen [de persoon]. Eiser is niet verschenen. Eiser heeft op 22 juni 2026 verzocht om digitale deelneming aan de zitting. De rechtbank heeft vervolgens om een onderbouwing van het verzoek gevraagd. Op 23 juni 2026 heeft eiser de onderbouwing overgelegd. Dit is echter te laat, waardoor geen digitale zitting meer georganiseerd kon worden.
Overwegingen
1. Op 2 september 2025 stond de auto van eiser, met kenteken [kenteken] stil in een parkeervak ter hoogte van [adres]. Om 10:03 uur heeft een parkeercontroleur van de gemeente Amsterdam geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan. Vervolgens is de naheffingsaanslag opgelegd.
2. Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken. Deze termijn vangt ingevolge artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) aan op de dag na die van dagtekening van een uitspraak op bezwaar, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking. Op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is het beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Als het beroepschrift buiten de termijn en dus te laat is ingediend, is het beroep in beginsel niet-ontvankelijk en wordt het niet inhoudelijk behandeld.
3. Vaststaat dat de uitspraak op bezwaar is gedagtekend op 24 oktober 2025. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de verzending ervan per mail later dan die datum heeft plaatsgevonden. Hieruit volgt dat de termijn voor het indienen van het beroepschrift is aangevangen op 25 oktober 2025. Eiser had dus uiterlijk op zaterdag 6 december 2025 zijn beroepschrift bij de rechtbank moeten indienen. Artikel 1, eerste lid, van de Algemene termijnenwet bepaalt dat een in een wet gestelde termijn die op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag eindigt, wordt verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is. Dat wil zeggen dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift in dit geval afliep op maandag 8 december 2025. De rechtbank stelt vast dat het beroepschrift digitaal is verzonden op 14 december 2025. Dit betekent dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend.
4. Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Artikel 6:11 van de Awb ziet op gevallen waarin belanghebbende redelijkerwijs niet in staat was tegen een besluit tijdig een rechtsmiddel aan te wenden.
5. Eiser heeft aangegeven dat de bestreden uitspraak in eerste instantie op een
onjuist adres is bezorgd, waardoor eiser de bestreden uitspraak pas op 13 december 2025 in ontvangst heeft genomen. De heffingsambtenaar voert aan dat eiser digitaal bezwaar heeft gemaakt en daarbij een e-mailadres heeft opgegeven. De bestreden uitspraak is op
24 oktober 2025 naar dit e-mailadres verstuurd. Daartoe verwijst de heffingsambtenaar naar de verzendadministratie. Volgens de heffingsambtenaar is deze weg opengesteld, omdat ook eerder met eiser digitaal is gecommuniceerd over andere naheffingsaanslagen parkeerbelasting. De bestreden uitspraak is niet per post aan eiser verstuurd.
6. De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft ontkend dat hij de bestreden uitspraak per mail heeft gekregen. Ook is het onduidelijk op welke manier en wanneer eiser dan de bestreden uitspraak heeft ontvangen. De rechtbank concludeert daarom dat er geen verschoonbare reden is voor de termijnoverschrijding.
Conclusie
7. Omdat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is, is het beroep niet-ontvankelijk. Aan een inhoudelijke beoordeling komt de rechtbank daarom niet toe.
8. Voor een veroordeling in de proceskosten of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. de Vos, rechter, in aanwezigheid van mr. H.M. Dost, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken op 2 juli 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Amsterdam waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.