RECHTBANK AMSTERDAM
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
23 juni 2023 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar.
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/5823
en
Procesverloop
Met het besluit van 28 augustus 2025 heeft de heffingsambtenaar aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.
Eiser heeft tegen deze beschikking bezwaar gemaakt. Met de uitspraak op bezwaar van
29 september 2025 (de bestreden uitspraak) heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.
De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2026. Eiser is verschenen. Namens de heffingsambtenaar is verschenen [de persoon] .
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. Op 25 augustus 2025 stond de auto van eiser, met kenteken [kenteken] stil in een parkeervak ter hoogte van [adres] te Amsterdam. Om 10:58 uur heeft een parkeercontroleur van de gemeente Amsterdam geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan. Vervolgens is de naheffingsaanslag opgelegd.
3. Eiser voert aan dat hij waarschijnlijk wel heeft betaald voor het parkeren, namelijk door middel van een bezoekersvergunning. Eiser verwijst daarbij naar verschillende bankafschriften van die dag. Nu het echter niet mogelijk is om de parkeerhistorie in te zien voor een bezoeker is het voor eiser niet mogelijk om na te gaan of de naheffing terecht is. Er ontstaat daarmee een ongelijkheid en onrechtvaardigheid in het al dan niet kunnen bewijzen van de parkeersessies.
4. De heffingsambtenaar merkt op dat uit de administratie is gebleken dat op
25 augustus 2025 twee parkeersessies zijn gestart op een bezoekersvergunning. De eerste parkeersessie startte om 11:17 uur tot 13:10 uur en de tweede parkeersessie startte om 13:31 uur tot 13:45 uur. De naheffingsaanslag is opgelegd om 10:58 uur. De aanmelding van het kenteken op de bezoekersvergunning is 19 minuten na de scancontrole gedaan. Volgens het beleid van de gemeente Amsterdam heeft een burger op het moment van parkeren 10 minuten de tijd om de parkeerbelasting voldoen. Er wordt verwacht dat een burger in deze tijd handelingen uitvoert om de parkeerkosten te voldoen. Het aanmelden van het kenteken is buiten deze redelijke tijd gedaan. Het te laat aanmelden van het kenteken komt in dit geval voor rekening en risico van eiser.
5. De rechtbank volgt het standpunt van de heffingsambtenaar. Op grond van artikel 234, tweede lid onder a, van de Gemeentewet moet de parkeerbelasting bij aanvang van het parkeren worden voldaan. Volgens vaste jurisprudentie moet een parkeerder daarbij een, gelet op de omstandigheden, redelijke tijd hebben voor het verrichten van uitvoeringshandelingen tot voldoening van de belasting. Wel dient de parkeerder onverwijld en onafgebroken uitvoeringshandelingen te verrichten om de verschuldigde belasting te betalen.
6. De rechtbank stelt vast dat de naheffingsaanslag is opgelegd om 10:58 uur. De parkeersessie is via de bezoekersvergunning aangemeld om 11:17 uur. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van een parkeerder om ervoor te zorgen dat de verschuldigde parkeerbelasting voor het parkeren op een parkeerplaats tijdig, bij aanvang van het parkeren en zolang er wordt geparkeerd, wordt voldaan. Eiser heeft ervoor gekozen om de verschuldigde parkeerbelasting via een bezoekersvergunning te voldoen. De rechtbank overweegt dat eiser niet onverwijld uitvoeringshandelingen heeft verricht, nu er 19 minuten zitten tussen het moment van de naheffingsaanslag en de aanvangstijd waarvoor eiser heeft betaald. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar terecht de naheffingsaanslag heeft opgelegd.
7. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat het merkwaardig is dat het voor een bezoeker niet mogelijk is om de eigen parkeerhistorie op de bezoekersvergunning in te zien. De heffingsambtenaar heeft op de zitting aangegeven het signaal van eiser verder op te pakken. Dit maakt echter niet dat de naheffingsaanslag niet opgelegd had mogen worden.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk heeft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. de Vos, rechter, in aanwezigheid van mr. H.M. Dost, griffier.
griffier rechter
Uitgesproken op 2 juli 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Amsterdam waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.