RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/55
(gemachtigde: mr. D.R. de Vries)
en
de heffingsambtenaar van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht, de heffingsambtenaar.
Procesverloop
Met een besluit van 24 augustus 2024 (het primaire besluit) heeft de heffingsambtenaar aan eiser een aanslag waterschapsbelasting 2024 opgelegd van in totaal € 445,25.
Eiser heeft tegen deze beschikking bezwaar gemaakt. In de uitspraak op bezwaar van
3 december 2024 (de bestreden uitspraak) heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is behandeld op de zitting van 9 juli 2026. Eiser en zijn gemachtigde zijn, zonder bericht van verhindering, niet verschenen. Namens de heffingsambtenaar was [de persoon] aanwezig.
Overwegingen
Wat aan deze procedure voorafging
1. De heffingsambtenaar heeft aan eiser een aanslag waterschapsbelasting voor het belastingjaar 2024 opgelegd voor het object [adres] in Amsterdam (hierna: het object). De aanslag bestaat uit een watersysteemheffing ingezetenen van € 170,30 (gebaseerd op één huishouden) en een zuiveringsheffing woonruimten van € 274,95 (gebaseerd op drie vervuilingseenheden).
2. Met de bestreden uitspraak heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard, omdat de gemachtigde van eiser op grond van eerdere procedures ermee bekend moet zijn dat de aangevoerde bezwaargronden onmogelijk tot herziening van de aanslagen kunnen leiden. Daarom is ook afgezien van het horen. De heffingsambtenaar meent verder dat de aanslagen naar het juiste bedrag zijn opgelegd. Volgens de heffingsambtenaar stond eiser in de Basisregistratie personen op 1 januari 2024 met een adres in het verzorgingsgebied ingeschreven. Aangezien op het adres in 2024 meer dan één persoon stond ingeschreven, is uitgegaan van de reguliere heffingsgrondslag van drie vervuilingseenheden bij de zuiveringsheffing woonruimten.
Het oordeel van de rechtbank
Dwangsom
3. Eiser voert aan dat hij recht heeft op een dwangsom, omdat hij de bestreden uitspraak pas op 10 december 2024 heeft ontvangen. De heffingsambtenaar licht toe dat eiser op 20 november 2024 de heffingsambtenaar in gebreke heeft gesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit. De bestreden uitspraak is vervolgens genomen en ter post aangeboden op 3 december 2024. Dit is binnen de hersteltermijn van twee weken. Dat dit besluit eiser om een onverklaarbare reden pas op 10 december 2024 zou hebben bereikt, maakt niet dat het besluit niet tijdig is genomen.
4. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om eraan te twijfelen dat de heffingsambtenaar de bestreden uitspraak op 3 december 2024 ter post heeft aangeboden. Bovendien wordt op geen enkele manier door eiser onderbouwd dat hij pas op 10 december 2024 de bestreden uitspraak heeft ontvangen. Dit betekent dat eiser naar het oordeel van de rechtbank geen recht heeft op een dwangsom.
Formele gronden
5. Volgens eiser is de bestreden uitspraak bovendien niet zorgvuldig voorbereid, niet heroverwogen en niet deugdelijk gemotiveerd. De bestreden uitspraak wordt enkel gemotiveerd met een verwijzing naar een weerlegging van een bezwaar in een procedure van een andere belanghebbende met dezelfde gemachtigde over een ander belastingjaar. Eiser meent daarnaast dat hij ten onrechte niet is gehoord, terwijl hij daar wel om heeft verzocht.
6. Dat het bezwaar kennelijk ongegrond is verklaard, betekent volgens de heffingsambtenaar niet dat geen zorgvuldige heroverweging heeft plaatsgevonden. De door eiser aangedragen gronden zijn beoordeeld en de conclusie van deze beoordeling is net als in de andere zaken van deze gemachtigde geweest dat de aangevoerde gronden geen aanleiding geven om de opgelegde aanslag aan te passen. Dergelijke standaard bezwaargronden van de gemachtigde kunnen afgedaan worden met een verwijzing naar een weerlegging in die andere zaak, aldus de heffingsambtenaar.
7. Niet in geschil is dat eiser in de bezwaarfase niet is gehoord, terwijl hij wel om een hoorzitting heeft verzocht. De rechtbank overweegt dat horen een essentieel onderdeel vormt van de bezwaarschriftprocedure. Van horen mag met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) slechts worden afgezien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Dat is het geval als er, naar objectieve maatstaven bezien, op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar niet kan leiden tot een andersluidend besluit. De rechtbank is van oordeel dat hiervan in deze zaak geen sprake was. Hoewel een groot aantal van de gronden vergelijkbaar is met de gronden in de door de heffingsambtenaar aangehaalde zaak, kan dat niet zonder meer tot de conclusie leiden dat het bezwaar in de onderhavige zaak kennelijk ongegrond is. De rechtbank acht daarbij onder meer van belang dat de aangehaalde bezwaarprocedure betrekking had op een ander belastingjaar, een andere belanghebbende en een ander adres. Gelet hierop heeft de heffingsambtenaar niet onderkend dat eiser gehoord had moeten worden.
8. De rechtbank stelt vast dat met het aanvullende verweerschrift van 27 augustus 2025 voor het eerst een op de zaak toegespitste toelichting is gegeven. De werkwijze waarbij in de bezwaarfase alleen wordt verwezen naar een andere zaak is onvoldoende. Iedere zaak moet op zichzelf beoordeeld worden en worden voorzien van een toereikende motivering. Dat geldt ook wanneer dezelfde gemachtigde in meerdere (deels) vergelijkbare zaken optreedt. Naar het oordeel van de rechtbank is de bezwaarfase daarom niet met de vereiste zorgvuldigheid verlopen en heeft de heffingsambtenaar de bestreden uitspraak onvoldoende gemotiveerd.
9. De hoorplicht, het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel zijn dus geschonden. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren. De rechtbank zal de uitspraak op bezwaar vernietigen en zelf in de zaak voorzien. Dit betekent echter niet vanzelfsprekend dat de rechtsgevolgen van de bestreden uitspraak komen te vervallen. Dat is alleen het geval als het beroep ook inhoudelijk gegrond is.
Inhoudelijke gronden
10. Met het aanvullende beroepschrift van 23 juni 2025 heeft eiser 14 beroepsgronden aangevoerd. Eiser werpt daarin onder meer de vraag op of de aanslag bevoegd, terecht en naar de juiste hoogte is opgelegd.
11. In de zaak die tot de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 19 mei 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:5532, heeft geleid zijn dezelfde algemene beroepsgronden aangevoerd. In die uitspraak heeft de rechtbank deze gronden uitgebreid besproken en verworpen. De rechtbank ziet geen grond om in deze zaak daarover anders te oordelen.
12. Eiser stelt verder specifiek in zijn situatie dat zijn adres niet binnen het beheersgebied van het waterschap ligt, waardoor geen aanslag kan worden opgelegd door het waterschap. De heffingsambtenaar verwijst naar het Reglement van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (het Reglement), waar in een kaart het verzorgingsgebied van het waterschap is vastgelegd. De rechtbank stelt op grond van de kaart in het Reglement vast dat het object binnen het beheersgebied van het waterschap ligt. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is gegrond vanwege de schending van de hoorplicht, het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Omdat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de aanslag bevoegd, terecht en naar de juiste hoogte is opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat de rechtgevolgen van de bestreden beslissing in stand blijven.
13. De rechtbank ziet aanleiding de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.600,-. Dit bedrag is als volgt berekend: 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde van
€ 934,- en een wegingsfactor 1. Ook krijgt eiser 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde van € 666,- en wegingsfactor 1.
15. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar ook het door eiser betaalde griffierecht aan hem vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de bestreden uitspraak;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden uitspraak in stand blijven;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten tot een bedrag van € 1.600,-, te vergoeden aan eiser;
- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, rechter, in aanwezigheid van mr. H.M. Dost, griffier.
de rechter is verhinderd
griffier deze uitspraak te tekenen
Uitgesproken op 23 juli 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Amsterdam waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.