ECLI:NL:RBAMS:2026:8433

ECLI:NL:RBAMS:2026:8433

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 20-08-2026
Datum publicatie 25-08-2026
Zaaknummer 13/129088-26 (A) + 13/090928-25 (B; ttz gevoegd)
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Vrijspraak wapenbezit wegens gebrek aan bewijs voor beschikkingsmacht op basis van foto's waarop verdachte niet kan worden herkend. Veroordeling tot een gevangenisstraf van 7 maanden, waarvan 3 voorwaardelijk en een taakstraf van 120 uur voor het medeplegen diefstal met geweld en oplichting.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummers: 13/129088-26 (A) + 13/090928-25 (B; ttz gevoegd)

Datum uitspraak: 20 augustus 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2006,

in de Basisregistratie Personen ingeschreven op het adres:

[adres],

nu gedetineerd te: [detentieadres].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 augustus 2026.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S. van Driel, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. W. van Vliet, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

In zaak A is aan verdachte ten laste gelegd dat hij zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan diefstal met geweld van twee trainingspakken en een bril van [benadeelde partij 1] op 30 april 2026 in Amsterdam.

In zaak B is aan verdachte ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3. Voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de in zaak A ten laste gelegde diefstal met geweld, met uitzondering van het wegnemen van de bril en het slaan met een hard voorwerp. Daarnaast heeft zij zich op het standpunt gesteld dat het dossier voldoende bewijs bevat voor de in zaak B ten laste gelegde oplichting (feit 3 primair) en het voorhanden hebben van een voor bedreiging en afdreiging geschikte nabootsing van een (semi)automatisch machinepistool (feit 1 subsidiair) en een echte AK-47 (feit 2).

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte van alle ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de in zaak A ten laste gelegde diefstal met geweld heeft de raadsman aangevoerd dat de verklaring van aangever [benadeelde partij 1] niet overtuigend is en dat bij gebrek aan ander bewijs niet kan worden vastgesteld dat verdachte bij de diefstal betrokken is geweest en dat bij hem sprake was van dubbel opzet. Verdachte heeft immers verklaard dat hij zich ten tijde van het de diefstal verderop in de auto bevond en dat hij niet wist dat zijn vrienden de twee trainingspakken zouden stelen, maar dat zij deze zouden kopen zoals ze dat wel vaker deden.

Ten aanzien van de in zaak B onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft de raadsman naar voren gebracht dat de foto van een persoon met een vuurwapen van onvoldoende kwaliteit is om vast te kunnen stellen dat deze persoon verdachte is. Ook kan niet worden vastgesteld dat verdachte beschikkingsmacht heeft gehad over het wapen dat in de video door een andere jongen wordt vastgehouden. Bovendien kan de echtheid van de wapens niet worden vastgesteld.

Ten aanzien van het in zaak B onder 3 ten laste gelegde heeft de raadsman betoogd dat de herkenningen van de politieagenten van verdachte als de persoon die de motor zou hebben meegenomen niet betrouwbaar zijn en om die reden niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Subsidiair dient vrijspraak te volgen, omdat de gedragingen van verdachte niet kunnen worden gekwalificeerd als oplichting dan wel diefstal. Verdachte heeft de motor niet teruggebracht nadat hij deze voor het maken van een proefrit - en dus anders dan door misdrijf - onder zich had gekregen. Daarmee is sprake van verduistering hetgeen niet ten laste is gelegd.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van zaak B

Vrijspraak van het onder 1 en 2 ten laste gelegde

De rechtbank stelt vast dat in de telefoon die onder verdachte in beslag is genomen een foto en een video worden aangetroffen waarop twee personen te zien zijn die op vuurwapen gelijkende voorwerpen vasthouden. Op de video zijn alleen de armen en handen van een persoon zichtbaar. Op de foto, die van bovenaf is genomen, is een in het zwart geklede persoon te zien die een pet op heeft en een capuchon over zijn hoofd draagt, waardoor alleen de onderste helft van het gelaat te zien is.

Op basis van wat er op de foto en de video te zien is, kan de rechtbank niet vaststellen dat verdachte één van de twee personen is die een vuurwapen gelijkend voorwerp voorhanden heeft gehad. Dat de foto en video met de telefoon van verdachte zijn gemaakt in een garagebox die behoort bij zijn woonadres, maakt dit niet anders. Uit het feit dat verdachte de foto en video zou hebben gemaakt met zijn telefoon en zich dus tegelijkertijd met andere personen en de op vuurwapen gelijkende voorwerpen in de garagebox bevond, kan niet zonder meer worden afgeleid dat hij ook beschikkingsmacht over deze wapens had. Daarvoor ontbreekt het benodigde bewijs.

Daarom acht de rechtbank niet bewezen wat in zaak B onder 1 en 2 is ten laste gelegd en zal verdachte daarvan vrijspreken.

Bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde

Anders dan de raadsman heeft bepleit, acht de rechtbank de herkenningen van de politie van verdachte als de potentiële koper van de motor wel betrouwbaar. De camerabeelden waarop de herkenningen zijn gebaseerd zijn voldoende duidelijk en de verbalisanten geven gedetailleerd aan waaraan ze verdachte herkennen. Ook is de informatie die door politiecollega’s bij het verzoek tot herkenning is verstrekt niet dusdanig sturend dat daarmee de betrouwbaarheid van de herkenningen zou zijn aangetast waardoor deze niet voor het bewijs zouden kunnen worden gebruikt.

Op basis van de aangifte en de herkenningen door de politie stelt de rechtbank vast dat verdachte degene is die via Marktplaats een afspraak heeft gemaakt met aangever [benadeelde partij 2] voor de aankoop van een motor. Verdachte heeft daarbij een valse naam gebruikt en tijdens de afspraak verschillende vragen over de motor gesteld. Hij heeft zich daardoor voorgedaan als bonafide koper en heeft van [benadeelde partij 2] het vertrouwen gewonnen om een proefrit te kunnen maken. Daarbij heeft verdachte een tasje afgegeven als ‘borg’ met wat later bleek een (oude) telefoon, een kaartspel en wat pennen als inhoud. Vervolgens is hij tijdens het maken van de proefrit weggereden en niet meer teruggekeerd. De motor is uiteindelijk aangetroffen in Duitsland.

Deze gedragingen kwalificeren als oplichting en niet als verduistering. Verdachte heeft met het oogmerk om zichzelf wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels aangever bewogen tot afgifte van de motor en deze daarna niet meer teruggebracht.

Ten aanzien van zaak A

Op basis van de inhoud van de bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich samen met medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] schuldig heeft gemaakt aan diefstal met geweld van twee trainingspakken van aangever [benadeelde partij 1]. [benadeelde partij 1] is meermalen gehoord en heeft telkens verklaard dat hij door drie mannen is aangevallen. [benadeelde partij 1] heeft van alle drie een voldoende specifiek signalement gegeven en het kenteken van de vluchtauto genoemd. Iets later die avond wordt verdachte samen met de twee medeverdachten aangetroffen in de auto met het door aangever genoemd kenteken. Zij voldoen aan de door aangever opgegeven signalementen en de twee trainingspakken van aangever liggen op de achterbank.

De verklaring van verdachte dat hij alleen de auto heeft bestuurd en niet bij de diefstal betrokken is geweest, acht de rechtbank gelet op het voorgaande ongeloofwaardig. Dat de moeder van aangever heeft verklaard twee jongens te hebben zien rennen naar de auto is, gelet op het bovenstaande en gelet op het feit dat zij maar een deel van het hele gebeuren heeft gezien, onvoldoende om het verhaal van verdachte te steunen. Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de diefstal van de bril en het slaan met een hard voorwerp niet kunnen worden bewezen en zij spreekt verdachte daarom hiervan partieel vrij.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

In zaak A:

op 30 april 2026 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen, twee trainingspakken (van het merk FOUR) die geheel aan [benadeelde partij 1], toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd vergezeld van geweld tegen [benadeelde partij 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door te schoppen en duwen en te slaan tegen het hoofd en het lichaam van die [benadeelde partij 1].

In zaak B:

3op 28 november 2025 te Den Haag, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde partij 2] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten een motor (Yamaha T-max-500), door- op de website www.marktplaats.nl op een advertentie te reageren en daarbij gebruik te maken van een valse naam, te weten [valse naam 1], en - met die [benadeelde partij 2] via marktplaats.nl te overleggen over de prijs en de wijze van koop van de motor en- op de afgesproken plek bij de koop van de motor gebruik te maken van een valse naam, te weten [valse naam 2], en zich voor te doen als bonafide koper van de motor en- te doen alsof hij een proefrit wilt maken op de motor en- het vertrouwen te wekken bij die [benadeelde partij 2] dat hij, verdachte, de te koop aangehouden motor na de proefrit daadwerkelijk zou terugbrengen door als borg een tasje met een telefoon achter te laten.

6. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straf

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Het strafmaatverweer van de verdediging

De verdediging heeft verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de jonge leeftijd van verdachte, het feit dat hij niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, binnen het gezin de zorg draagt voor zijn jongere broers en het gegeven dat hij na vrijlating direct aan het werk kan als pakketbezorger bij Amazon.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een straatroof en oplichting. Verdachte heeft (met zijn mededaders) via online platformen contact gelegd met verkopers van goederen en zich deze vervolgens met geweld dan wel door middel van een samenspel van leugens weggenomen. Dat zijn ernstige strafbare feiten, waarmee verdachte blijk heeft gegeven alleen oog te hebben voor zijn eigen financiële gewin en niet voor de gevolgen die zijn handelen voor anderen meebrengt. Ook heeft hij een inbreuk gemaakt op de veiligheidsgevoelens van de verkopers en hun vertrouwen in het maatschappelijk handelsverkeer.

De oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht hanteren voor dit soort feiten forse straffen als uitgangspunt. Voor een straatroof met licht (verbaal) geweld is dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden. Daarbij weegt strafverzwarend mee dat sprake was van een minderjarig slachtoffer.

Gelet op de feitelijke gedragingen van verdachte waarbij hij onder valse voorwendselen een motor heeft weggenomen, vindt de rechtbank bestraffing volgens de oriëntatiepunten voor oplichting niet passend en wordt aansluiting gezocht bij het uitgangspunt voor diefstal van een motorfiets, te weten een taakstraf van 120 uur.

Persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 23 juli 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten

.

De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 24 juli 2026, opgemaakt door [reclasseringsmedewerker]. Hieruit blijkt het volgende.

Verdachte is first offender, maar gelet op de diverse strafbare feiten in korte tijd ziet de reclassering een zorgelijk gedragspatroon. Verdachte is inmiddels een bekende van de politie. Hij is in de afgelopen drie jaar veel in beeld gekomen en heeft meerdere registraties, uiteenlopend van controle/overlast jeugd meldingen, verkeerszaken tot geweldsmeldingen. Verdachte beschikt niet over een dagbesteding, heeft geen startkwalificatie, geen inkomen en heeft schulden. Ook zijn er zorgen om het sociale netwerk van verdachte. De precieze invloed is onduidelijk en de reclassering kan niet inschatten of verdachte negatief beïnvloed wordt, of dat hij juist anderen negatief beïnvloedt. Verdachte heeft aangegeven dat hij veel op straat hing en daardoor sneller in contact kwam met negatieve sociale contacten. Hij wil dat nu niet meer en wil zich richten op het vinden van werk en het aflossen van zijn schulden. Verdachte woont bij zijn ouders en kan daar na detentie ook weer terecht. Zijn vader is erg betrokken en een steunende factor voor verdachte. Het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld en het risico op onttrekking aan voorwaarden als laag. Verdachte heeft zich binnen het eerder opgelegde toezicht tot zijn aanhouding aan de afspraken gehouden en hij is bereid mee te werken aan bijzondere voorwaarden. Ondanks de proceshouding van verdachte en het feit dat hij first offender is, ziet de reclassering voldoende mogelijkheden en noodzaak voor interventies gelet op de waargenomen risicofactoren.

ASR

Verdachte was ten tijde van het plegen van de feiten 21 jaar en dus meerderjarig. Op een jongvolwassen verdachte die ten tijde van het strafbare feit meerderjarig is, maar nog onder de 23 jaar, kan het jeugdstrafrecht worden toegepast als sprake is van omstandigheden, gelegen in de persoon van verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, die daartoe aanleiding geven.

De reclassering heeft in haar rapportage van 24 juli 2026 geadviseerd tot toepassing van het volwassenenstrafrecht. Verdachte functioneert conform zijn kalenderleeftijd en er zijn op dit moment geen aanwijzingen voor een licht verstandelijke beperking. Weliswaar worden op het gebied van handelingsvaardigheden enige indicaties voor toepassing van het jeugdstrafrecht gezien, maar omdat verdachte zijn eigen plan lijkt te trekken en vooral praktische (financiële) hulp aan zijn vader vraagt, zijn er onvoldoende redenen om toepassing van het jeugdstrafrecht te adviseren. Verdachte maakt actief onderdeel uit van een gezin en ondersteunt zijn ouders bij onder andere de zorg voor zijn broertje, maar er zijn onvoldoende mogelijkheden voor pedagogische beïnvloeding. Betrokkene beschikt niet over een startkwalificatie en volgt ook geen onderwijs. Bovendien zijn er geen interventies nodig die enkel vanuit het jeugdstrafrecht ingezet kunnen worden.

De rechtbank volgt het advies van de reclassering en ziet in het geval van verdachte geen aanleiding het jeugdstrafrecht toe te passen.

Op te leggen straf

Bij het bepalen van de op te leggen straf houdt de rechtbank rekening met het volgende. Verdachte is nog jong en is niet eerder veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Daarom is het extra zorgelijk dat verdachte in korte tijd voor zulke ernstige delicten met politie en justitie in aanraking komt. Naast vergelding voor zijn daden, moet verdachte er ook van worden weerhouden in de toekomst opnieuw in de verleiding te komen om strafbare feiten te plegen.

Met die doelen voor ogen en de oriëntatiepunten van het LOVS in aanmerking genomen, veroordeelt de rechtbank verdachte tot een gevangenisstraf van zeven maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Daarnaast legt de rechtbank aan verdachte een taakstraf op van 120 uur.

9. Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert € 2.000,- aan vergoeding van materiële schade (vergoeding van de weggenomen bril en de twee trainingspakken) en € 8.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel.

Materiële schade

Zoals hierboven onder 4.3.2. weergegeven, spreekt de rechtbank verdachte vrij van het wegnemen van de bril van aangever wegens gebrek aan voldoende wettig bewijs. Daarmee staat niet vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde feit rechtstreekse schade heeft geleden en verklaart de rechtbank de vordering tot vergoeding van deze schade niet-ontvankelijk.

Ten aanzien van de gevorderde schadevergoeding voor verlies van de twee trainingspakken stelt de rechtbank op basis van de mededeling van de officier van justitie ter terechtzitting vast dat deze inmiddels aan benadeelde partij zijn teruggegeven. De benadeelde partij heeft dus op dit punt geen schade geleden door het bewezenverklaarde feit. Daarom wijst de rechtbank de gevorderde vergoeding voor deze schadepost af.

Immateriële schade

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak A bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen en de aard en ernst van de normschending meebrengen dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze. De benadeelde is in de portiek bij zijn woning door verdachte en medeverdachten vastgepakt, geduwd, geslagen en geschopt tegen zijn hoofd en lichaam. Hij heeft verklaard daardoor pijn te hebben ondervonden en psychische klachten te ervaren zoals angst om alleen over straat te gaan en stress en onzekerheid in contact met onbekende mensen en onverwachte situaties.

De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 500,-. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (30 april 2026) tot de dag der algehele voldoening.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering en kan dit deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank veroordeeld verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 1] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [benadeelde partij 1], naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het in zaak A bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 500,-. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (30 april 2026) tot de dag der algehele voldoening.

Hoofdelijkheid

De rechtbank veroordeeld verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 1], behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.

De benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert € 3.485,- aan vergoeding van materiële schade (vervanging van beschadigde onderdelen van de motor, huur van een aanhanger, kilometervergoeding van de rit op en neer naar Duitsland om de motor op te halen en gederfde inkomsten van die dag), te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak B onder 3 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.

De gevorderde schadevergoeding voor de kosten van de vervanging van beschadigde onderdelen van de motor is niet betwist en onderbouwd met een factuur met een totaalbedrag van € 2.783,-. De rechtbank zal dit bedrag dan ook toewijzen.

De vordering is wel betwist met betrekking tot de gevorderde vergoeding van kosten voor de huur van een aanhanger, de gereden kilometers naar Duitsland en de gederfde inkomsten, wegens een gebrek aan onderbouwing van deze kosten.

Met de raadsman en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde vergoeding voor de gederfde inkomsten onvoldoende is onderbouwd. Het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden en dat levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Daarom verklaart de rechtbank de benadeelde partij voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan het resterende deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De gevorderde vergoeding voor de huur van een aanhanger en de gereden kilometers voor het ophalen van de motor in Duitsland acht de rechtbank wel voor toewijzing vatbaar en zal de toe te wijzen bedragen schatten. Het gevorderde bedrag voor de huur van een aanhanger van € 150,- komt de rechtbank niet onredelijk voor. Voor de gereden kilometers wordt aangesloten bij de standaardvergoeding van € 0,25 per kilometer. Gelet op de verklaring van de benadeelde partij op de zitting dat hij heen en terug 211 kilometer heeft gereden, worden de totale kosten geschat op €105,50.

Voor het overige verklaart de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

De rechtbank concludeert dat de vordering tot vergoeding van materiële schade zal worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 3.038,50. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (28 november 2025) tot aan de dag der algehele voldoening.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [benadeelde partij 2], naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het in zaak B onder 3 bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 3.038,50. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (28 november 2025) tot aan de dag der algehele voldoening.

10. Beslag

Onder verdachte is in zaak B een 3D-geprinte patroonhouder (goednummer: PL1300-2025313588-6749139) in beslaggenomen.

Nu dit voorwerp is aangetroffen in het onderzoek naar de misdrijven waarvan verdachte wordt verdacht, terwijl dit voorwerp kan dienen tot het begaan van soortgelijke misdrijven en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang wordt dit voorwerp onttrokken aan het verkeer.

11. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36b, 36d, 36f, 57, 312 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

12. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het in zaak B onder 1 en 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A en in zaak B onder 3 primair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van zaak A:

diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door twee of meer verenigde personen.

Ten aanzien van zaak B onder 3 primair:

oplichting.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Bepaalt dat een gedeelte, groot 3 (drie) maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde:

Meldplicht bij reclassering

- zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn.

Gedragsinterventie cognitieve vaardigheden

- deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa/CoVa-plus van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. Veroordeelde houdt zich daarbij aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer.

Ambulante behandeling (indien nodig)

- – – indien gedurende het toezicht blijkt dat de CoVa/CoVa-plus niet voldoende passend is – meewerkt aan ambulante behandeling bij de Waag of soortgelijke zorgverlener, zolang de reclassering behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op het voorkomen van delictgedrag.

Contactverbod

- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met alle medeverdachten [medeverdachte 1], geboren op [geboortedag 2] 2008 en [medeverdachte 2], geboren op [geboortedag 3] 2002 en het slachtoffer [benadeelde partij 1], geboren op [geboortedag 4] 2008. De politie ziet toe op de controle van dit verbod.

Dagbesteding

- zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, met een vaste structuur.

Aflossing schulden

- meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen en geeft de reclassering daartoe inzicht in zijn financiën en schulden.

Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 120 (honderdtwintig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 (zestig) dagen.

Benadeelde partij [benadeelde partij 1]:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toe tot een bedrag van € 500,- (zegge vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (30 april 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Wijst de vordering met betrekking tot de materiële schadevergoeding voor de trainingspakken ter hoogte van € 500,- af.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 1] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel:

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1] aan de Staat € 500,- (zegge vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (30 april 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 5 (vijf) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte of door of namens anderen aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] toe tot een bedrag van € 3.038,50 (zegge drieduizendachtendertig euro en vijftig eurocent) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (28 november 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 2] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel:

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 2] aan de Staat € 3.038,50 (zegge drieduizendachtendertig euro en vijftig eurocent) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (28 november 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 30 (dertig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

1 STK Patroonhouder (Omschrijving: PL1300-2025313588-6749139).

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.A. Sipkens, voorzitter,

mrs. E. Biҫer en A.M. Timorason, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. I. van Heusden, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 augustus 2026.

[…]

[…] […] […] […] […] […]

[…]

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. R.A. Sipkens

Griffier

  • mr. I. van Heusden

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand