RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/118569-26
Datum uitspraak: 31 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 2003,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd te: [detentieadres].
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.M. van der Veen, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. S.C. van Klaveren, naar voren hebben gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij
op of omstreeks 20 april 2026 te Amsterdam een tablet van het merk Lenevo en/of een oplaadkabel van het merk Belkin en/of een powerbank van het merk Fresh 'n rebel, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Mediamarkt, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
3. Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4. Waardering van het bewijs
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft bekend en dat de raadsman geen vrijspraak heeft bepleit. Daarom kan ingevolge artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering, worden volstaan met een opgave van de gebruikte bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd op de zitting van 17 juli 2026.
2. Een proces-verbaal van aangifte met nummer 260420-1351-911, inclusief bijlagen, van 20 april 2026, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar], doorgenummerde pagina’s 5-8.
5. Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
op 20 april 2026 te Amsterdam een tablet van het merk Lenovo en een oplaadkabel van het merk Belkin en een powerbank van het merk Fresh 'n rebel, die aan Mediamarkt toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
6. De strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7. De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8. Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van twee jaren, zonder aftrek van voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft als strafmaatverweer naar voren gebracht dat de oplegging van een ISD-maatregel niet passend is. Verdachte is meermalen eerder veroordeeld tot korte vrijheidsstraffen, maar hij is nog jong en heeft nooit begeleiding van de reclassering gehad.
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Hij heeft nooit eerder zolang in detentie gezeten en deze straf zou hem ervan weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Subsidiair heeft de raadsman verzocht naast de onvoorwaardelijk straf gelijk aan voorarrest een voorwaardelijke straf op te leggen als waarschuwing voor verdachte niet opnieuw strafbare feiten te plegen. Meer subsidiair is het verzoek aan verdachte een voorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen en meest subsidiair een onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van één jaar, nu dat voldoende zou moeten zijn om zijn terugkeer naar [geboorteland] te realiseren.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de diefstal van diverse elektronica bij de Mediamarkt met een totale waarde van ruim € 300,-. Diefstal is een vervelend strafbaar feit, waarvan winkeliers veel overlast ervaren. In dit geval heeft de diefstal de winkelier ook schade opgeleverd, nu een weggenomen goed dusdanig is beschadigd dat dit niet meer verkocht konden worden. Verdachte heeft zich geen rekenschap gegeven van de gevolgen die zijn handelen voor anderen meebrengt, maar alleen oog gehad voor zijn eigen belangen.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel van de Justitiële Documentatie van 11 juni 2026 betreffende verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte meermalen is veroordeeld tot (korte) onvoorwaardelijke gevangenisstraffen voor het plegen van vermogensdelicten.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het rapport van Leger des Heils Reclassering van 3 juli 2026, opgemaakt door mw. [reclasseringsmedewerker 1]. Dit rapport houdt onder meer het volgende in:
Blijkens de justitiële documentatie is er sprake van een delictpatroon aangaande vermogensdelicten. Betrokkene staat geregistreerd als veelpleger en voldoet aan de harde criteria om de onvoorwaardelijke ISD-maatregel opgelegd te kunnen krijgen.
Wij hebben zorgen op het gebied van middelengebruik, houding en psychosociaal functioneren. Betrokkene geeft tijdens het politieverhoor aan dat hij dagelijks cocaïne en alcohol gebruikt. Betrokkene toont echter weinig probleembesef ten aanzien van middelengebruik en mogelijke samenhang daarvan met zijn delictgedrag. Hierdoor ontstaat het beeld dat betrokkene beperkt openstaat voor onderzoek naar zijn eigen aandeel in het ontstaan en voortduren van de problematiek. Daarnaast richt betrokkene zich voornamelijk op een terugkeer naar [geboorteland] dan wel verblijf bij zijn vader in Duitsland en ziet hij hierin de oplossing voor zijn huidige problemen. Een interventie gericht op gedragsverandering of behandeling van onderliggende problematiek acht hij niet noodzakelijk.
Betrokkene heeft de [geboorteland] nationaliteit en heeft de afgelopen vijf jaar niet geregistreerd gestaan op een adres in Nederland en/of legaal werk gehad. Daarom maakt betrokkene geen aanspraak op structurele sociale voorzieningen, zoals een uitkering en maatschappelijke opvang. Hij is niet eerder in beeld geweest bij de reclassering in het kader van een reclasseringstoezicht. En hoewel wij aanknopingspunten zien voor interventies, zijn er in de praktijk wegens de status van niet-ingezetene en het niet machtig zijn van de Nederlandse taal zeer beperkte mogelijkheden. Het recidiverisico wordt hierdoor onverminderd als hoog geschat.
Het opstellen van een adequaat begeleidingsplan binnen het kader van de onvoorwaardelijke ISD-maatregel, waarin aandacht besteed dient te worden aan alle risicofactoren lijkt momenteel meer kans van slagen te hebben. De interventies zouden kunnen bijdragen aan stabilisatie van zijn leefsituatie alsmede ter voorkoming van delictgedrag, mits betrokkene zich meewerkend opstelt. Indien de betrokkene niet meewerkt aan behandeling dan wel begeleiding binnen de ISD-maatregel, dan heeft de ISD-maatregel de functie van het tijdelijk beveiligen van de samenleving.
Wij zijn ons er van bewust dat betrokkene binnen een forensisch kader nooit hulp heeft gehad, echter kunnen wij gelet op het voorgaande onvoldoende invulling geven aan interventies binnen het kader van een reclasseringstoezicht ter voorkoming van recidive. Betrokkene voldoet derhalve aan de zachte ISD- criteria waardoor de reclassering geen andere mogelijkheid ziet dan het adviseren van de onvoorwaardelijke ISD-maatregel.
Verder heeft de rechtbank ter terechtzitting van 17 juli 2026 reclasseringswerker mw. [reclasseringsmedewerker 2] (namens mw. [reclasseringsmedewerker 1]), verbonden aan Leger des Heils Reclassering in Amsterdam, als deskundige gehoord. Zij heeft de inhoud van de rapportage bevestigd.
De op te leggen maatregel
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de bewezen geachte feiten aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is bewezen verklaard dat verdachte een misdrijf heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het uittreksel Justitiële Documentatie van 11 juni 2026 blijkt dat verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan het feit ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl het in dit vonnis bewezen verklaarde feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en er, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde rapportage, ernstig rekening mede moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Blijkens het uittreksel Justitiële Documentatie van 11 juni 2026 is ook voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het Openbaar Ministerie stelt: verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit. Verder eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel, gezien de ernst en het aantal door verdachte begane soortgelijke feiten.
De rechtbank volgt het advies van de reclassering en ziet geen mogelijkheid om hem via reclasseringstoezicht de hulp en begeleiding te geven die hij nodig heeft. Los van de beperkte mogelijkheden van de reclassering om verdachte – gelet op zijn status en gebrek aan beheersing van de Nederlandse taal – te begeleiden, heeft verdachte geen zelfinzicht en geeft hij geen blijk van intrinsieke motivatie om aan zijn problematiek te willen werken. Een voorwaardelijke straf, zoals door de raadsman is voorgesteld, zal dan ook niet toereikend zijn om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Ook de eerdere onvoorwaardelijke vrijheidsstraffen die verdachte zowel in Nederland als in het buitenland heeft ondergaan, hebben geen afschrikwekkend effect op hem gehad.
Verdachte is nog jong en heeft naar eigen zeggen te kampen met cognitieve beperkingen. Juist daarom acht de rechtbank het van belang dat hij in een forensisch kader met veel structuur wordt begeleid en zo nodig behandeld, om (onder andere) met deze problematiek om te leren gaan en daar de rest van zijn leven profijt van te hebben.
De rechtbank zal daarom de vordering van de officier van justitie volgen en aan verdachte een ISD-maatregel opleggen.
Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n en 310 van het Wetboek van Strafrecht.
10. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
diefstal.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Legt op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren.
Dit vonnis is gewezen door
mr. W.M.C. van den Berg, voorzitter,
mrs. D.A. Segbedzi en M. Bijleveld, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. I. van Heusden, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 juli 2026.