ECLI:NL:RBAMS:2026:8438

ECLI:NL:RBAMS:2026:8438

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 06-08-2026
Datum publicatie 25-08-2026
Zaaknummer 81/347773-24
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Verdachte heeft zich als bestuurder van een rechtspersoon tezamen en in vereniging met de medeverdachte schuldig gemaakt aan faillissementsfraude door voor het faillissement van {bedrijf} B.V. een bedrag van bijna negen ton aan de boedel te onttrekken. Hierdoor zijn de schuldeisers voor een aanzienlijk bedrag benadeeld. Daarnaast heeft verdachte tezamen en in vereniging met de medeverdachte nagelaten om een volledige administratie te voeren, waardoor het faillissement is bemoeilijkt. Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 81/347773-24

Datum uitspraak: 6 augustus 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres:

wonende op het adres [adres].

Hierna te noemen: verdachte.

1. Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 juli 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.J.J. Schutte, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. P.W. Bakkum, advocaat te Apeldoorn, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij:

feit 1

in de periode van 1 januari 2021 tot en met 13 september 2022, als bestuurder van de rechtspersoon [bedrijf] B.V., welke op 13 september 2022 in staat van faillissement is verklaard, tezamen en in vereniging met een ander, een geldbedrag van circa € 882.885,83 aan de boedel heeft onttrokken, in de wetenschap dat daardoor schuldeisers werden benadeeld;

feit 2

in de periode van 12 oktober 2018 tot en met 17 mei 2023, als bestuurder van de rechtspersoon [bedrijf] B.V., welke op 13 september 2022 in staat van faillissement is verklaard, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk niet heeft voldaan aan de wettelijke verplichting tot het voeren en/of bewaren van een administratie.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3. Waardering van het bewijs

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder feit 1 ten laste gelegde faillissementsfraude wettig en overtuigend kan worden bewezen tot een bedrag van € 272.372,05. Ten aanzien van een bedrag van € 182.200,81 geldt dat dit bedrag vanaf de bankrekening van [bedrijf] B.V. is overgemaakt naar verdachte en zijn vader en verdachte wetenschap had van deze onttrekkingen. Wat betreft dit bedrag is volgens de officier van justitie geen sprake van medeplegen. Ten aanzien van een bedrag van € 90.171,24 is volgens de officier van justitie wel sprake van medeplegen, omdat dit bedrag door verdachte en medeverdachte [medeverdachte] samen is gezamenlijk is gebruikt voor privéuitgaven.

Daarnaast acht de officier van justitie de onder feit 2 ten laste gelegde schending van de administratieplicht wettig en overtuigend bewezen voor de periode van 12 oktober 2018 tot 1 januari 2022. Vanaf 1 januari 2022 was volgens de officier van justitie geen sprake meer van opzet op het niet voldoen aan de administratieverplichting, omdat verdachte toen ziek werd en hij de administratieve taken vanaf dat moment niet meer op zich nam.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 (faillissementsfraude) verzocht het benadelingsbedrag vast te stellen op maximaal € 87.200,81. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de overschrijvingen van [bedrijf] B.V. naar de privérekening van verdachte in totaal € 182.200,81 bedragen en dat verdachte geen betrokkenheid heeft gehad bij de overige onttrekkingen. Van dit bedrag dient daarnaast het gebruikelijke loon van een aanmerkelijkbelanghouder van € 95.000 op grond van de gebruikelijk-loonregeling te worden afgetrokken.

Ten aanzien van feit 2 (schending administratieplicht) heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte geen opzet had op het niet voeren van een deugdelijke administratie.

Het oordeel van de rechtbank

Feiten en omstandigheden

De rechtbank stelt op basis van de wettige bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 11 oktober 2018 hebben verdachte en zijn toenmalige vrouw, medeverdachte [medeverdachte], de besloten vennootschap [bedrijf] B.V. opgericht. Zij waren beiden bestuurder en aandeelhouder van deze vennootschap. De activiteiten van [bedrijf] B.V. bestonden uit het aanbieden van (thuis)zorg. Op 13 september 2022 is [bedrijf] B.V. in staat van faillissement verklaard en is [curator] tot curator benoemd.

Op 28 februari 2023 heeft de curator melding gedaan van faillissementsfraude. De curator heeft vervolgens tijdens zijn getuigenverhoor op 6 juli 2023 aangifte gedaan van faillissementsfraude. Hij heeft daarbij melding gemaakt van verschillende tekortkomingen in de administratie van de vennootschap. Zo zouden vanaf 2019 geen jaarrekeningen zijn opgesteld en/of gedeponeerd, zou geen (deugdelijke) boekhouding zijn gevoerd en zouden grootboekkaarten en kolommenbalansen ontbreken. Daarnaast heeft de curator het vermoeden geuit dat, gelet op de verhouding tussen de privéonttrekkingen en de schuld van [bedrijf] B.V., sprake is geweest van buitensporige onttrekkingen aan het vermogen van de vennootschap.

Uit onderzoek naar de bankrekening [rekeningnummer 1] ten name van [bedrijf] B.V. blijkt dat in de periode van 1 januari 2021 tot en met 13 september 2022 in totaal een bedrag van € 569.455,77,- is overgemaakt naar bankrekeningen op naam van [medeverdachte]. Daarnaast is in diezelfde periode € 179.700,81 overgemaakt naar een rekening op naam van verdachte en € 2.500,- naar een rekening op naam van zijn vader. Verder blijkt dat in totaal € 55.528,80 is besteed aan meubels voor de woning van verdachten en verbouwingen aan die woning en € 34.642,44 aan onder meer casinobezoeken, vakanties, een camping en overige privé-uitgaven. Het gaat hiermee om een totaalbedrag van € 841.827,82.

Er is ook onderzoek verricht naar de andere bankrekening van [bedrijf] B.V., met bankrekeningnummer [rekeningnummer 2]. Vanaf deze rekening zijn in de periode van 22 november 2021 tot en met 16 augustus 2022 meerdere geldbedragen, van in totaal (netto) € 41.058,01, zonder enige omschrijving overgemaakt naar de bankrekening van verdachte.

In totaal is daarmee vanaf de twee onderzochte bankrekeningen een bedrag van (€ 841.827,82 plus € 41.058,01) € 882.885,83 overgeboekt dan wel opgenomen in de periode van 1 januari 2021 tot en met 13 september 2022, waarvoor – kort samengevat – geen zakelijke grondslag is gevonden.

Ten aanzien van feit 1: onttrekkingen aan de boedel door bestuurder

De rechtbank acht bewezen dat verdachte in de periode van 1 januari 2021 tot en met 13 september 2022 als bestuurder, tezamen en in vereniging met medeverdachte [medeverdachte], geldbedragen heeft onttrokken aan de boedel van [bedrijf] B.V. door het doen van uitgaven met een privékarakter vanaf de bankrekeningen van [bedrijf] B.V., wetende dat hierdoor schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden werden benadeeld. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Onttrekkingen

Op basis van de in de voetnoten genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat vanuit de bankrekeningen van [bedrijf] B.V. een bedrag van € 882.885,83 is uitgegeven en overgemaakt naar verschillende rekeningen, waaronder die van verdachte. Deze uitgaven zijn niet aangewend ten behoeve van [bedrijf] B.V., maar voor privédoeleinden. Verdachte heeft dit op de zitting van 23 juli 2026 ook erkend.

Voor zover de verdediging heeft bepleit dat een bedrag van € 95.000 op grond van de gebruikelijk-loonregeling als rechtmatige betaling moet worden aangemerkt, wordt dit verweer verworpen. Vanuit de vennootschap werd niet een vast periodiek salaris aan verdachte, als bedoeld in de gebruikelijk-loonregeling, uitgekeerd. Dat aan verdachte wel een vast salaris uitgekeerd had kunnen worden, betekent niet dat daarmee achteraf de onrechtmatigheid van een (deel van) de onttrekkingen wordt weggenomen.

Nu deze uitgaven en overboekingen zonder zakelijke grondslag zijn gedaan, worden zij als onttrekkingen aangemerkt, waardoor de rechtbank vaststelt dat een totaalbedrag van € 882.885,83 is onttrokken aan de boedel.

Zicht op een faillissement

In de periode dat [bedrijf] B.V. actief is geweest, zijn hoge schulden ontstaan. De totale schuld bedroeg in 2021 al bijna € 200.000,- en is opgelopen tot circa € 500.000,- in begin 2022 en circa € 1.100.000,- op het moment van faillissement op 13 september 2022. Dit wordt door verdachte ook niet betwist. Verdachte heeft op de zitting van 23 juli 2026 verklaard dat hij bekend was met de schulden van de B.V.. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verdachte wist dat [bedrijf] B.V. in ieder geval vanaf 1 januari 2021 haar schuldeisers niet meer betaalde en dat daarmee zicht op een faillissement bestond.

Wetende dat schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden werden benadeeld

Verdachte wist naar het oordeel van de rechtbank dat door de onttrekkingen in het zicht van het faillissement de schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden werden benadeeld. Verdachte was er immers van op de hoogte dat de vennootschap geen middelen had om de schuldeisers te kunnen betalen. Dat de schuldeisers ook daadwerkelijk zijn benadeeld blijkt uit het feit dat de schulden niet zijn afbetaald, terwijl de faillissementsboedel niet toereikend is om die schulden te voldoen.

Medeplegen

De rechtbank is van oordeel dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] tezamen en in vereniging het totaalbedrag van € 882.885,83 aan de boedel hebben onttrokken, waardoor schuldeisers zijn benadeeld in hun verhaalsmogelijkheden. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] waren beiden bestuurder van de vennootschap en waren daarmee gezamenlijk verantwoordelijk voor de financiële gang van zaken. De gelden die aan de vennootschap zijn onttrokken, zijn terechtgekomen bij zowel verdachte als medeverdachte [medeverdachte]. Zij hebben hiervan beiden geprofiteerd.

Dat een (groot) deel van de gelden naar de privérekeningen van [medeverdachte] zijn overgemaakt, doet aan het voorgaande niet af. Verdachte en [medeverdachte] hadden immers beiden beschikkingsmacht over de bankrekeningen van de vennootschap, konden beiden het verloop van het saldo en de verrichte transacties inzien en hebben de geldstromen naar privérekeningen en privé uitgaven gedurende langere tijd in stand gelaten, zodat de gehele onttrekking naar het oordeel van de rechtbank aan hen beiden kan worden toegerekend.

Ten aanzien van feit 2: schending administratieplicht

De rechtbank acht bewezen dat verdachte in de periode van 12 oktober 2018 tot en met 17 mei 2023 als bestuurder van [bedrijf] B.V., tezamen en in vereniging met medeverdachte [medeverdachte], niet heeft voldaan aan zijn wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Een bestuurder van een rechtspersoon is op grond van artikel 2:10 van het Burgerlijk Wetboek (BW) verplicht om een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend.

De curator heeft in zijn verhoor verklaard dat hij heeft verzocht om de administratie te verstrekken. Vervolgens bleek dat er nauwelijks administratie was gevoerd, waardoor verstrekken niet mogelijk was. De stukken die de curator nodig had voor de afwikkeling van het faillissement, zoals grootboekkaarten en een kolommenbalans, waren niet aanwezig, waardoor de afwikkeling van het faillissement werd bemoeilijkt.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte vol opzet heeft gehad op het niet voldoen aan zijn wettelijke verplichtingen. De raad van commissarissen heeft verdachte en zijn medeverdachte vanaf 2019 meermalen gewezen op de gebrekkige administratie. Uit de verklaring van verdachte op de zitting van 23 juli 2026 volgt bovendien dat hij zich ervan bewust was dat de administratie niet op orde was. Het lag op zijn weg om maatregelen te treffen om alsnog aan de wettelijke administratieplicht te voldoen, maar dat heeft hij nagelaten. Deze administratieplicht geldt overigens ook gedurende de afwikkeling van een faillissement, waardoor de rechtbank voor de pleegperiode aansluiting zoekt bij het derde faillissementsverslag van de curator.

Medeplegen

Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] zijn als bestuurders samen verantwoordelijk geweest voor de wettelijke administratieplicht van [bedrijf] B.V.. Voor beide bestuurders geldt daarmee de verplichting tot het voeren van een administratie en het bewaren van de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers. Zowel verdachte als medeverdachte [medeverdachte] waren zich er vanaf de start van de onderneming bewust van dat zij geen deugdelijke administratie bijhielden. Het feit dat er amper administratie is aangetroffen valt hen dan ook beiden aan te rekenen. De rechtbank is op grond van bovenstaande van oordeel dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] tezamen en in vereniging de wettelijke plicht tot het voeren van een volledige administratie hebben geschonden.

4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

Feit 1

als bestuurder van de rechtspersoon [bedrijf] B.V., voor de intreding van het faillissement van die rechtspersoon op 13 september 2022, te weten in de periode van 1 januari 2021 tot en met 13 september 2022 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, meermalen geldbedragen van in totaal € 882.885,83 aan de boedel heeft onttrokken, door – zakelijk weergegeven – voornoemde geldbedragen over te boeken naar (privé)rekeningen en/of te consumeren en/of te gebruiken voor privédoeleinden, terwijl hij, verdachte, wist dat hierdoor een of meer schuldeisers van voornoemde rechtspersoon in hun verhaalsmogelijkheden werden benadeeld.

Feit 2

als bestuurder van de rechtspersoon [bedrijf] B.V., die op 13 september 2022 in staat van faillissement is verklaard, tijdens en voor het faillissement van die rechtspersoon, te weten in de periode van 12 oktober 2018 tot en met 17 mei 2023 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk niet heeft voldaan aan en heeft bewerkstelligd dat werd voldaan aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie en het bewaren van de daartoe behorende boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers, ten gevolge waarvan de afhandeling werd bemoeilijkt.

5. Strafbaarheid van het feit

De bewezenverklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar. Er zijn geen bijzondere omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

7. Motivering van de straffen

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met een proeftijd van twee jaren, en een taakstraf voor de duur van 240 uren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte reeds voldoende persoonlijke gevolgen heeft ondervonden van zijn poging om de onderneming te besturen, de wijze waarop deze is geëindigd en de nasleep daarvan. De raadsman heeft de rechtbank verzocht om hiermee rekening te houden en daarnaast strafvermindering toe te passen wegens de overschrijding van de redelijke termijn.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

De ernst van de feiten

Verdachte heeft zich als bestuurder van een rechtspersoon schuldig gemaakt aan faillissementsfraude door voor het faillissement van [bedrijf] B.V. een bedrag van bijna negen ton aan de boedel te onttrekken. Hierdoor zijn de schuldeisers voor een aanzienlijk bedrag benadeeld. De rechtbank slaat acht op het thans ingeschatte boedeltekort van circa € 1.200.000,-. Verdachte heeft onder meer nagelaten aanslagen loonheffing te betalen. Ook de medewerkers van [bedrijf] B.V. zijn aanzienlijk benadeeld door de onttrekkingen door verdachte. Zo kregen zij hun salaris consequent te laat uitbetaald en zijn hun pensioenpremies (ter hoogte van in totaal meer dan € 129.000,-) over een lange periode niet afgedragen.

Daarnaast heeft verdachte nagelaten om een volledige administratie te voeren. Hierdoor beschikte de curator niet over de benodigde informatie om de financiële positie van de vennootschap afdoende in kaart te brengen. De afwikkeling van het faillissement is daardoor bemoeilijkt.

Feitelijk hebben verdachten al vanaf de start van de onderneming financieel en administratief bewust steken laten vallen en de zaken niet op orde gehad. Op die manier hebben verdachten van meet af aan schade toegebracht aan anderen, ondanks dat de groei in het klantenbestand en aantal medewerkers had kunnen leiden tot een bloeiend en winstgevend bedrijf in het vakgebied waar de afnemers – namelijk de patiënten – het meest kwetsbaar zijn.

Deze vormen van faillissementsfraude tasten het vertrouwen tussen ondernemers onderling aan, terwijl vertrouwen van essentieel belang is voor een goed functionerend handelsverkeer.

De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij uit persoonlijk gewin heeft gehandeld en daarbij de gerechtvaardigde financiële belangen van de schuldeisers, waaronder zijn eigen werknemers en instanties zoals de Belastingdienst, langdurig heeft veronachtzaamd. Verdachte heeft er immers bewust voor gekozen om zijn eigen belangen – waaronder het verrichten van verbouwingen in de gezamenlijke woning – voorrang te geven boven de belangen van de schuldeisers. Hoewel de rechtbank ziet dat een substantieel groter gedeelte van de onttrokken geldbedragen terecht is gekomen op de privérekeningen van medeverdachte [medeverdachte] (waarna deze door haar grotendeels zijn vergokt), maakt dit naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat aan verdachte een minder ernstig verwijt kan worden gemaakt. Verdachte droeg als medebestuurder dezelfde verantwoordelijkheid voor het financiële beheer van de BV als medeverdachte [medeverdachte]. Daarmee heeft hij het vertrouwen dat in hem als bestuurder mocht worden gesteld op ernstige wijze beschaamd.

De persoon van verdachte

In het kader van de strafoplegging heeft de rechtbank gekeken naar het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 17 juni 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld.

Overschrijding redelijke termijn

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Op 7 november 2023 is verdachte door de FIOD verhoord, zodat de rechtbank oordeelt dat de redelijke termijn op die datum is aangevangen. De rechtbank doet op 6 augustus 2026 uitspraak. De redelijke termijn is daarmee met ongeveer negen maanden overschreden.

De rechtbank acht deze overschrijding van de redelijke termijn, gelet op de aard en complexiteit van de verdenking, niet dusdanig dat daaraan gevolgen voor de strafmaat zouden moeten worden verbonden. De rechtbank volstaat daarom met een constatering van deze overschrijding.

De op te leggen straf

De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd en zoekt aansluiting bij de Oriëntatiepunten voor straftoemeting

(LOVS-oriëntatiepunten). Daaruit volgt dat bij een benadelingsbedrag van € 1.000.000,- of meer een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden het uitgangspunt is.

Gelet op de ernst van de bewezen verklaarde feiten kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank acht het daarbij van belang om een voorwaardelijk strafdeel op te leggen als stok achter de deur, dat ertoe strekt verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw schuldig te maken aan strafbare feiten.

Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf heeft de rechtbank verder rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft een blanco strafblad en draagt de zorg voor drie minderjarige kinderen.

Alles afwegende acht de rechtbank daarom een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 57, 343 en 344a van het Wetboek van Strafrecht.

9. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

medeplegen van als bestuurder van een rechtspersoon, wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers van de rechtspersoon in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld, voor de intreding van het faillissement, terwijl dit is gevolgd, enig goed aan de boedel onttrekken.

Ten aanzien van feit 2:

medeplegen van als bestuurder van een rechtspersoon, tijdens en voor het faillissement van de rechtspersoon, terwijl dit is gevolgd, opzettelijk niet voldoen en bewerkstelligen dat werd voldaan aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie en het bewaren van de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, ten gevolge waarvan de afhandeling wordt bemoeilijkt.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 9 (negen) maanden.

Bepaalt dat een deel van deze straf, namelijk 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.M. Berkhout, voorzitter,

mrs. B. Kuppens en M. Bijleveld, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. J. de Groot en J.M. Bos, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 augustus 2026.

[…]

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. C.M. Berkhout

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand