ECLI:NL:RBAMS:2026:8441

ECLI:NL:RBAMS:2026:8441

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 21-08-2026
Datum publicatie 25-08-2026
Zaaknummer 13/226637-25
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft geslagen en getrapt tegen het hoofd, de benen en zij van het slachtoffer. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het slachtoffer met een riem dan wel met zijn handen heeft gewurgd. De rechtbank constateert dat het slachtoffer letsel in haar nek dan wel hals heeft, maar het is de rechtbank op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzittingen van 13 februari 2026 en 7 augustus 2026 onvoldoende duidelijk geworden hoe dit letsel is ontstaan. De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier niet kan worden afgeleid dat verdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bij slachtoffer bewust heeft aanvaard, zodat verdachte wordt vrijgesproken van de primair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling. De bewezenverklaarde handelingen kunnen wel worden gekwalificeerd als een mishandeling. Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden en krijgt een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/226637-25 Parketnummer vordering tot tenuitvoerlegging: 13/406967-24

Datum uitspraak: 21 augustus 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1989,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[BRP-adres] .

1. Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 13 februari 2026 en 7 augustus 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. F.R. Bons, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. L.J. Moerdijk, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd en na wijziging van de tenlastelegging – ten laste gelegd dat hij zich op 22 augustus 2025 in Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan poging tot zware mishandeling van [slachtoffer] . Subsidiair is dit ten laste gelegd als mishandeling.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3. Waardering van het bewijs

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de primair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen kan worden en meer specifiek de laatste twee gedachtestreepjes, gelet op de verklaring van [slachtoffer] bij de rechter-commissaris. Deze verklaring vindt steun in de letselverklaring. Volgens de officier van justitie heeft verdachte, in het bijzonder door het dichtknijpen van de keel van [slachtoffer] met zijn handen, bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij daardoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het verwurgen met de riem dan wel met de handen. [slachtoffer] heeft in haar verhoor bij de rechter-commissaris namelijk in het geheel niet verklaard over het straktrekken of dichtdrukken door verdachte van een riem om haar hals. Over het verwurgen met de handen heeft [slachtoffer] inconsistent en tegenstrijdig met eerdere verklaringen verklaard, terwijl het dossier in dat verband onvoldoende steunbewijs bevat. Bovendien heeft verdachte een alternatieve verklaring gegeven voor het letsel gegeven die door het dossier niet wordt uitgesloten. Ditzelfde geldt voor het slaan dan wel het stompen tegen het hoofd, vanwege een gebrek aan steunbewijs.

De raadsvrouw heeft tevens bepleit dat niet bewezen kan worden dat verdachte een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer] in het leven heeft geroepen en dat hij deze kans dus ook niet bewust heeft aanvaard, zodat verdachte van de primair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de subsidiair tenlastegelegde mishandeling van zijn levensgezel heeft de raadsvrouw zich, los van het eerdere verzoek tot partiële vrijspraak, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

Feiten en omstandigheden

De rechtbank stelt op basis van het dossier en het verhandelde op de terechtzitting het

volgende vast.

Op 22 augustus 2025 komt de politie naar aanleiding van een melding van huiselijk geweld ter plaatse bij de woning van verdachte en zijn partner, [slachtoffer] , in Amsterdam. [slachtoffer] was naakt de woning uitgerend en verklaart dat zij door haar partner, zijnde verdachte, op haar dijbenen is geschopt en geslagen, dat zij veel pijn heeft aan haar ribben en dat verdachte haar met zijn vuisten op haar hoofd heeft geslagen. Ook verklaart zij, op een vraag van het ambulancepersoneel, dat zij door verdachte is gewurgd. De verbalisanten zien meerdere rode plekken en krassen in haar nek, grote bloeduitstortingen dan wel blauwe plekken op haar benen en een blauwe plek op haar voorhoofd.

Op 23 augustus 2025 wordt wederom een gesprek met [slachtoffer] gevoerd. Zij verklaart dat verdachte een riem om haar keel heeft gedaan en haar daarmee heeft geprobeerd te wurgen en dat zij veel pijn heeft aan haar ribben. Ook tijdens dit gesprek worden bij haar rode vlekjes in haar nek waargenomen alsmede meerdere bloeduitstortingen aan de linkerzijde van haar gezicht. Op 3 september 2025 verklaart [slachtoffer] dat verdachte hard met gebalde vuisten op haar been heeft geslagen en haar ook heeft geschopt. Daarnaast heeft hij een riem gepakt en haar hiermee gewurgd. Dit zou de oorzaak zijn van de afdrukken in haar nek. Zij is vervolgens naakt de woning uitgerend.

Op 13 november 2025 is [slachtoffer] medisch onderzocht. Aan beide bovenbenen worden verkleuringen waargenomen die passend zijn bij onderhuidse bloeduitstortingen. Ook in haar hals worden verkleuringen waargenomen die passend zijn bij onderhuidse bloeduitstortingen dan wel oppervlakkige huidbeschadigingen. Tot slot is op haar voorhoofd een grijsblauwe verkleuring zichtbaar die passend is bij een onderhuidse bloeduitstorting.

Op 3 juli 2026 is [slachtoffer] verhoord bij de rechter-commissaris, naar aanleiding van het verzoek van de verdediging ter terechtzitting van 13 februari 2026. Zij verklaart dat verdachte haar urenlang heeft getrapt en geslagen op haar benen en haar met zijn vuisten op haar ribben heeft geslagen. Ook heeft hij haar tegen haar hoofd geslagen en haar keel met zijn handen dichtgeknepen. Zij weet niet meer of hij haar met de riem heeft geprobeerd te wurgen. Vervolgens is zij naakt de woning uitgerend.

Verdachte bekent dat hij [slachtoffer] tegen haar benen heeft getrapt en geslagen en met gebalde vuisten een slaande beweging in haar richting heeft gemaakt, waarbij de klap op haar been en rug terechtgekomen zou kunnen zijn. Hij ontkent haar met een riem dan wel met zijn handen te hebben gewurgd en verklaart dat het letsel in haar hals afkomstig is van wurgseks. Ook ontkent hij dat hij haar in het gezicht heeft geslagen. Het letsel aan haar hoofd kan volgens verdachte afkomstig zijn van de val van het bed.

Partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] met een riem dan wel met zijn handen heeft gewurgd. De rechtbank constateert dat [slachtoffer] letsel in haar nek dan wel hals heeft, maar het is de rechtbank op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzittingen van 13 februari 2026 en 7 augustus 2026 onvoldoende duidelijk geworden hoe dit letsel is ontstaan.

[slachtoffer] heeft direct na het incident verklaard dat zij is gewurgd en heeft een dag na het incident stellig verklaard dat verdachte dit met een riem zou hebben gedaan. Op 3 september 2025 herhaalt zij dat verdachte de riem heeft gebruikt en stelt zij dat de afdrukken in haar nek hiervan afkomstig zijn. Tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris op 3 juli 2026 wijzigt zij haar verklaring op dit punt echter. Zij geeft dan aan dat verdachte haar bij haar nek heeft gegrepen en haar met zijn handen heeft gewurgd. Zij weet niet meer of hij haar ook met de riem heeft geprobeerd te wurgen. Daarmee bestaat een aanzienlijke discrepantie tussen haar verklaringen over de wijze waarop het letsel aan haar nek dan wel hals is ontstaan. Daar komt bij dat verdachte vanaf het begin heeft ontkend dat hij [slachtoffer] heeft gewurgd en een alternatieve verklaring heeft aangedragen die door het dossier niet wordt uitgesloten.

Hoewel [slachtoffer] concreet en gedetailleerd heeft verklaard kan de rechtbank gelet op het voorgaande niet vaststellen of en op welke wijze verdachte zich aan de verwurging schuldig heeft gemaakt. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het eerste en tweede gedachtestreepje, te weten het verwurgen met de riem en met de handen.

Wel acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] tegen haar benen, zij en hoofd heeft geslagen en haar tegen haar benen heeft getrapt. [slachtoffer] heeft consistent verklaard dat zij pijn heeft aan haar ribben, dat verdachte tegen haar ribben en hoofd heeft geslagen en dat hij op haar benen heeft geslagen en geschopt. Deze verklaringen worden ondersteund door het bij haar geconstateerde letsel. Zo worden onder meer bloeduitstortingen op haar benen en voorhoofd waargenomen. Daar komt bij dat verdachte ter terechtzitting van 7 augustus 2026 heeft bekend dat hij [slachtoffer] heeft geslagen en tegen haar benen heeft getrapt en dat hij met gebalde vuisten bewegingen in haar richting heeft gemaakt, waarbij dit op haar benen en rug terecht kan zijn gekomen.

Hoewel verdachte ontkent dat hij [slachtoffer] tegen haar hoofd heeft geslagen, ziet de rechtbank daarin, gelet op de consistente verklaringen van [slachtoffer] op dit punt en het geconstateerde letsel, onvoldoende aanleiding om aan dit onderdeel van haar verklaringen te twijfelen. De rechtbank acht aldus het derde gedachtestreepje wettig en overtuigend bewezen, te weten het slaan en het trappen tegen het hoofd, de benen en de zij van [slachtoffer] .

Kwalificatie

De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is of de bewezenverklaarde geweldshandelingen moeten worden gekwalificeerd als een poging tot zware mishandeling of als een mishandeling.

De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier niet kan worden afgeleid dat verdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer] bewust heeft aanvaard, zodat verdachte wordt vrijgesproken van de primair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet naar algemene ervaringsregels worden vastgesteld dat het slaan en trappen tegen de benen en het slaan tegen het hoofd zonder meer een dergelijke aanmerkelijke kans in het leven roept. Ook de overige omstandigheden van het geval geven daarvoor onvoldoende aanleiding. Verder kan de rechtbank op basis van het dossier onvoldoende vaststellen met welke kracht verdachte tegen het hoofd en de zij van [slachtoffer] heeft geslagen. Ook het bij haar vastgestelde letsel biedt onvoldoende aanknopingspunten om hierover anders te oordelen.

Wel kunnen de bewezenverklaarde geweldshandelingen worden gekwalificeerd als een mishandeling. De rechtbank acht daarmee de subsidiair tenlastegelegde mishandeling van zijn levensgezel wettig en overtuigend bewezen.

4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

op 22 augustus 2025 te Amsterdam [slachtoffer] heeft mishandeld, door

- meermaals die [slachtoffer] te slaan/stompen en trappen/schoppen tegen het hoofd, de benen en de zij, althans het lichaam,

terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten stonden, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5. De strafbaarheid van het feit en van verdachte

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar en verdachte is hiervoor strafbaar.

6. Motivering van de straf en maatregel

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 5 jaren. Daarbij heeft hij gevorderd dat de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden opgelegd, met uitzondering van het contact- en locatieverbod. Het contact- en locatieverbod dienen namelijk op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht te worden opgelegd, eveneens met een proeftijd van 5 jaren. Voor iedere keer dat verdachte deze maatregel overtreedt, dient vervangende hechtenis te worden opgelegd voor de duur van 2 weken, met een maximum van 6 maanden. Tot slot heeft de officier van justitie gevorderd de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht de conclusie van het NIFP over te nemen en verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren. Daarnaast heeft zij de rechtbank verzocht te volstaan met een straf gelijk aan de duur van het voorarrest, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de noodzaak tot behandeling. Tot slot heeft de raadsvrouw zich verzet tegen het opleggen van de maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht en tegen een proeftijd van vijf jaren. Volgens de raadsvrouw kan worden volstaan met een proeftijd van drie jaren.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

De ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn levensgezel. De rechtbank typeert dit geweld als huiselijk geweld, een vorm van geweld die naar zijn aard bijzonder ingrijpend is. De huiselijke omgeving is immers bij uitstek een plek waar iemand zich veilig moet kunnen voelen. Juist daarom rekent de rechtbank het verdachte zwaar aan dat hij binnen de huiselijke en relationele sfeer de lichamelijke integriteit en het gevoel van veiligheid van het slachtoffer ernstig heeft aangetast. Verdachte heeft haar pijn, angst en verdriet bezorgd binnen een relatie waarin zij zich juist veilig moest kunnen voelen. Het moet voor het slachtoffer een zeer nare ervaring zijn geweest dat zij in haar eigen woning gewelddadig is bejegend door haar toenmalige partner, terwijl hun kinderen in de woning aanwezig waren. De ervaring leert dat slachtoffers van huiselijk geweld hiervan nog langdurig psychische gevolgen kunnen ondervinden.

De persoon van verdachte

In het kader van de strafoplegging heeft de rechtbank kennis genomen van het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 17 juni 2026. Hieruit volgt dat verdachte eerder is veroordeeld voor mishandeling van zijn levensgezel.

De rechtbank heeft tevens kennisgenomen van de Pro Justitia rapportage van 19 januari 2026, opgesteld door psycholoog [naam] . De psycholoog heeft, kort gezegd, geconcludeerd dat bij verdachte voldoende aanwijzingen bestaan voor stemmingsproblematiek (een depressieve stoornis met angstige spanning), een stoornis in het gebruik van cocaïne en alcohol en persoonlijkheidsproblematiek. Bij oplopende spanning is sprake van beperkte copingvaardigheden, een verhoogde behoefte aan controle, verminderde empathie, verminderde agressieregulatie en verminderde frustratietolerantie. Verdachte stelt vanuit zijn persoonlijkheidsproblematiek hoge eisen en is angstig en controlebehoeftig. Hij verdraagt het niet dat het slachtoffer controle heeft en mogelijk bij hem weg kan gaan met hun kinderen. Ten tijde van het tenlastegelegde feit was verdachte al twee dagen onder invloed van cocaïne en alcohol. Gelet op zijn eerder beschreven verslavingsproblematiek en beperkte copingvaardigheden was hij beperkt in staat om de keuze voor het gebruik van deze middelen te controleren. Zijn emotieregulatievaardigheden waren door de persoonlijkheids- en stemmingsproblematiek al beperkt en stonden door het middelengebruik verder onder druk. Het is voorstelbaar dat verdachte door de oplopende spanning, in combinatie met zijn beperkt ontwikkelde vaardigheden op het gebied van emotie- en agressieregulatie, niet meer in staat is geweest zichzelf adequaat te reguleren en daardoor is overgegaan tot het tenlastegelegde feit. Op grond hiervan wordt geadviseerd het tenlastegelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Het risico op vergelijkbaar gewelddadig gedrag wordt ingeschat als hoog.

De rechtbank heeft eveneens kennis genomen van het reclasseringsrapport van 29 juli 2026.

De reclassering adviseert bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf met als voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling met de mogelijkheid van een kortdurende opname, een verbod op het gebruik van verdovende middelen en alcohol, een contactverbod en een locatieverbod. Volgens de reclassering is het van belang dat de interventies niet alleen zien op de bescherming van het slachtoffer en het welzijn van de kinderen, maar ook op het vergroten van de stabiliteit van verdachte op verschillende leefgebieden en het bewerkstelligen van gedragsverandering bij hem. Het risico op recidive wordt ingeschat als hoog.

Toerekeningsvatbaarheid

De rechtbank is van oordeel dat bovengenoemde rapportages op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en dat de conclusie van het psychologisch onderzoek over de toerekenbaarheid wordt gedragen door een deugdelijke en inzichtelijke gemotiveerde onderbouwing. De rechtbank neemt het advies over en is van oordeel dat het handelen van verdachte deels werd gedreven door zijn beperkte coping, verhoogde behoefte aan controle, verminderde empathie, verminderde agressieregulatie en verminderde frustratietolerantie. De rechtbank neemt ook de conclusie van de psycholoog dat het bewezenverklaarde in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend over. Daar houdt de rechtbank in strafmatigende zin rekening mee.

De op te leggen straf

De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het feit, gelet op de grote impact op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte zich, in het kader van intieme terreur, meerdere malen schuldig heeft gemaakt aan het slaan en schoppen van het slachtoffer. Ook weegt de rechtbank zwaar mee dat verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde voor een soortgelijk feit tegen hetzelfde slachtoffer in zijn proeftijd liep.

Alles overwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden. Deze straf is lager dan de door de officier van justitie geëiste straf, omdat de rechtbank minder geweldshandelingen bewezen acht en tot een andere kwalificatie komt.

Gelet op de reeds ondergane voorlopige hechtenis ziet de rechtbank geen ruimte om daarnaast een voorwaardelijke straf, met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden, op te leggen.

Vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 38v Sr)

Omdat het risico op herhaling als hoog wordt ingeschat en verdachte zich eerder niet aan zijn schorsingsvoorwaarden heeft gehouden door contact met het slachtoffer op te nemen, acht de rechtbank het niet ondenkbaar dat verdachte ook in de toekomst opnieuw contact met het slachtoffer zal zoeken. Ter bescherming van het slachtoffer en ter voorkoming dat verdachte zich opnieuw schuldig maakt aan een strafbaar feit jegens het slachtoffer, zal de rechtbank daarom aan verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opleggen.

De maatregel houdt in een contact- en locatieverbod, waarbij de rechtbank een proeftijd van 3 jaar passend en geboden acht. Verdachte mag gedurende 3 jaar op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoeken of hebben met: [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 1990. Daarnaast mag verdachte zich gedurende 3 jaar niet binnen een straal van 5 kilometer rond het adres [adres] Amsterdam bevinden.

Voor iedere keer dat verdachte de maatregel overtreedt, zal vervangende hechtenis worden toegepast voor de duur van één week, met een maximum van zes maanden.

Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon beveelt de rechtbank, gelet op artikel 38v, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, dat de opgelegde maatregel, dadelijk uitvoerbaar is.

7. Vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

De vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 13/406967-24

De vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling betreft het onherroepelijk geworden vonnis van 6 maart 2025 van de politierechter van de rechtbank Amsterdam, in de zaak met parketnummer 13/406967-24. Verdachte is in deze zaak veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 weken, met een proeftijd van 2 jaren.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging dient te worden toegewezen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen, omdat tenuitvoerlegging disproportioneel is.

Het oordeel van de rechtbank

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Het gaat daarbij om hetzelfde strafbare feit, gepleegd tegen hetzelfde slachtoffer. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke strafdeel te gelasten.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 38v, 38w, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

9. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 1 primair tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 subsidiair:

mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn levensgezel.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Legt aan verdachte op een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende een contactverbod voor de duur van 3 jaren met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 1990, en een locatieverbod, waarbij verdachte zich niet binnen een straal van 5 kilometer rond het adres [adres] Amsterdam bevindt voor de duur van 3 jaren.

Beveelt dat indien niet aan de vrijheidsbeperkende maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 1 week voor iedere keer dat de maatregel is overtreden, met een maximum van 6 maanden.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Beveelt de tenuitvoerlegging van de bij genoemd vonnis van 6 maart 2025 opgelegde voorwaardelijke straf, namelijk een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken.

Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.E. Hoogendijk, voorzitter,

mrs. J. Thomas en A.L. op 't Hoog, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J. de Groot, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 augustus 2026.

[…]

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. H.E. Hoogendijk

Griffier

  • mr. J. de Groot

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand