ECLI:NL:RBAMS:2026:8442

ECLI:NL:RBAMS:2026:8442

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 21-08-2026
Datum publicatie 25-08-2026
Zaaknummer 13/122225-26
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het aanwezig hebben van harddrugs. Daarnaast is er een grote hoeveelheid goederen en middelen aangetroffen die verband houden met het bewerken, verwerken en geschikt maken van de drugs voor de verkoop. Verder heeft verdachte lachgas aanwezig gehad. Tot slot heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een luchtdrukwapen en professioneel vuurwerk. Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden met aftrek.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/122225-26

Datum uitspraak: 21 augustus 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2002,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres],

thans gedetineerd te: [detentieadres].

1. Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen op tegenspraak naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 augustus 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. E. de Bruijn, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. S. Ettalhaoui, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd en na wijziging van de tenlastelegging – ten laste gelegd dat hij zich op 24 april 2026 in Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan:

Feit 1: het medeplegen van het aanwezig hebben van MDMA, cocaïne en 4-CMC;

Feit 2: het medeplegen van het voorbereiden en/of te bevorderen van een feit bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet;

Feit 3: het voorhanden hebben van een luchtdrukwapen;

Feit 4: het medeplegen van het aanwezig hebben van lachgas;

Feit 5: het medeplegen van het opslaan en/of voorhanden hebben van professioneel vuurwerk.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3. Waardering van het bewijs

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om verdachte vrij te spreken van feit 4, te weten het aanwezig hebben van lachgas, omdat de verbalisant niet heeft vastgesteld dat de flessen daadwerkelijk lachgas bevatten. Bovendien is volgens de raadsman geen sprake van medeplegen. Verder is niet 1.000 maar slechts 1 kilo van de substantie aangetroffen.

Voor het overige heeft de raadsman geen bewijsverweer gevoerd.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de feiten 1, 2, 3 en 5

De rechtbank is van oordeel dat de aan verdachte tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen. De rechtbank baseert haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen. Omdat verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en de verdediging geen vrijspraak heeft bepleit, volstaat de rechtbank met een opsomming van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Wel zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het tenlastegelegde medeplegen onder feit 5, te weten het voorhanden hebben van het vuurwerk, omdat de rechtbank niet bewezen acht dat verdachte dit feit in nauwe en bewuste samenwerking met een of meer medeverdachte(n) heeft gepleegd. Het dossier bevat hiervoor geen aanknopingspunten.

Ten aanzien van feit 4

De rechtbank is van oordeel dat ook dit feit, te weten het aanwezig hebben van lachgas, wettig en overtuigend bewezen kan worden en overweegt daartoe als volgt.

Naar aanleiding van een TCI-melding, inhoudende dat verdachte zich op grote schaal bezig zou houden met het verpakken van verdovende middelen voor straathandel, is de politie op 24 april 2026 de woning van verdachte in Amsterdam binnengetreden en heeft daar een doorzoeking verricht. Tijdens deze doorzoeking zijn onder andere 11 lachgasflessen aangetroffen. Uit onderzoek naar deze flessen volgt dat de cilinders van het merk FASTGAS waren en waren voorzien van een opdruk waarop stond: ‘N20’, ‘UN1070’ en ‘Nitrous oxide’. UN1070 is de officiële identificatiecode voor distikstofmonoxide, beter bekend als lachgas. ‘Nitrous oxide’ is de Engelse benaming hiervoor. Verder blijkt uit het onderzoek dat de flessen gezamenlijk een inhoud van 1 kilogram bevatten. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het om lachgasflessen gaat en dat hij het lachgas uit deze flessen zelf heeft gebruikt.

Gelet op het feit dat de flessen waren voorzien van specifieke aanduidingen die duiden op lachgas, de verbalisant de flessen als zodanig heeft herkend en verdachte zelf heeft verklaard dat sprake was van lachgasflessen en dat hij deze heeft gebruikt, is de rechtbank van oordeel dat met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat de aangetroffen flessen lachgas bevatten.

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat voor het oordeel dat sprake is geweest van medeplegen, zodat verdachte daarvan wordt vrijgesproken.

4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

Feit 1

op 24 april 2026 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad

- 2234,13 gram MDMA en

- 147,9 gram cocaïne en

- 853,7 gram 4-CMC.

Feit 2

op of omstreeks 24 april 2026 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten

- het opzettelijk bewerken, verwerken en verkopen

van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet, te weten MDMA, cocaïne en 4-CMC,

- een of meer voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en zijn mededader(s), wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door

- een grote hoeveelheid van MDMA, cocaïne en 4-CMC,

- een grote hoeveelheid inositol (versnijdingsmiddel),

- een grote hoeveelheid van witte enveloppen (verpakkingsmateriaal),

- een grote hoeveelheid transparante zakjes,

- een grote hoeveelheid ampullen,

- een weegschaal,

- trechters en/of

- mobiele telefoons

voorhanden te hebben.

Feit 3

op 24 april 2026 te Amsterdam een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een luchtdrukwapen die qua uiterlijke kenmerken volledig overeenkomt met het dienstwapen, Walther P99, van de politie voorhanden te hebben.

Feit 4

op 24 april 2026 te Amsterdam opzettelijk 1 kilogram distikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, aanwezig heeft gehad.

Feit 5

op 24 april 2026 te Amsterdam, al dan niet opzettelijk

-1 stuk shell (Red Peony w/ silver tail, COV-rapport, pag. 7), en

-0,27 kg enkelshotsbuis (Double Crusher, COV-rapport, p. 10), en

-0,33 kg enkelshotsbuis (Donnergrollen, COV-rapport, p. 13), en

-0,16 kg enkelshotsbuis (COV-rapport, p. 16),

in elk geval professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik, voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten stonden, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5. Strafbaarheid van het feit

De bewezenverklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een

rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar. Er zijn geen bijzondere omstandigheden aannemelijk geworden die

de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

7. Motivering van de straf

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om te volstaan met een voorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, eventueel in combinatie met een taakstraf, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de volgens de verdediging beperkte financiële baten die verdachte heeft verkregen uit zijn betrokkenheid bij de drugsgerelateerde feiten.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

De ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het aanwezig hebben van harddrugs. In totaal is bij verdachte een grote hoeveelheid vermoedelijke harddrugs aangetroffen, waarvan slechts een (relatief) klein deel is getest. De wel geteste vermoedelijke harddrugs betroffen allemaal middelen waarvan het voorhanden hebben strafbaar is op grond van de Opiumwet. Daarnaast is er een grote hoeveelheid goederen en middelen aangetroffen die verband houden met het bewerken, verwerken en geschikt maken van de drugs voor de verkoop. Verdachte heeft met deze middelen drugs verpakt die, naar eigen zeggen, bestemd waren voor de verkoop door anderen. Daarmee heeft verdachte zich actief beziggehouden met het voorbereiden van de handel in harddrugs en een bijdrage geleverd aan het in stand houden van de illegale drugsmarkt. Het aanwezig hebben van harddrugs en de handel in harddrugs dient krachtig bestreden te worden, nu het gebruik daarvan gevaar oplevert voor de gezondheid van de gebruikers en kan leiden tot verslaving. Het gebruik van en de handel in drugs leiden bovendien direct en indirect tot vele vormen van criminaliteit en zijn zo een bron van overlast voor de samenleving. Verdachte heeft niet stil gestaan bij deze nadelige consequenties voor anderen, maar heeft enkel oog gehad voor zijn eigen financiële gewin.

Verder heeft verdachte lachgas aanwezig gehad. Langdurig gebruik hiervan kan namelijk grote gezondheidsschade veroorzaken. Daarnaast leidt het gebruik van lachgas tot milieuschade, omdat gebruikers de lege cilinders regelmatig achterlaten op straat of in de natuur. Bovendien gaat de handel in en het gebruik van dergelijke verdovende middelen veelal gepaard met verschillende vormen van (ernstige) criminaliteit waarvan anderen overlast ondervinden en waardoor de samenleving schade wordt toegebracht. Verdachte heeft door zijn handelen bijgedragen aan de instandhouding van deze problematiek.

Tot slot heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een luchtdrukwapen en professioneel vuurwerk. Het ongecontroleerde bezit van wapens leidt tot gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Dat geldt ook voor op wapens gelijkende voorwerpen, omdat zij nauwelijks te onderscheiden zijn van echte wapens. Ze worden dan ook niet zelden gebruikt om gewapende overvallen mee te plegen of om personen mee te bedreigen. Het voorhanden hebben van professioneel vuurwerk in een woning is bovendien extreem gevaarzettend, vanwege de brandgevaarlijkheid en het ontploffingsgevaar. Ook brengt het tot ontbranding brengen van professioneel vuurwerk risico’s met zich mee, niet slechts voor degene die het vuurwerk afsteekt, maar ook voor eventuele omstanders. Verdachte heeft met deze risico’s onvoldoende rekening gehouden.

De persoon van verdachte

In het kader van de strafoplegging heeft de rechtbank gekeken naar het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 4 augustus 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor drugsbezit en voorbereidingshandelingen met betrekking tot drugs.

Ook heeft de rechtbank gekeken naar het reclasseringsadvies van 30 juli 2026. Hieruit volgt dat de reclassering bij een veroordeling adviseert om geen bijzondere voorwaarden op te leggen. De bijzondere voorwaarden die zijn opgelegd onder parketnummer 13/036971-24 bieden voldoende mogelijkheden om tot gedragsverandering te komen.

De op te leggen straf

De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd en zoekt aansluiting bij de Oriëntatiepunten voor straftoemeting (LOVS-oriëntatiepunten). Daaruit volgt dat voor het aanwezig hebben van 3.000 tot 4.000 gram harddrugs als uitgangspunt een gevangenisstraf van 12 maanden geldt. Voor de overige feiten zijn geen oriëntatiepunten beschikbaar, dan wel wordt uitsluitend een geldboete als uitgangspunt gehanteerd.

Tot slot betrekt de rechtbank bij haar oordeel dat verdachte een deel van deze feiten tezamen en in vereniging met (een) ander(en) heeft gepleegd.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.

8. Beslag

Onder verdachte zijn de volgende goederen in beslag genomen:

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de inbeslaggenomen drugs en wapens dienen te worden onttrokken aan het verkeer en dat de inbeslaggenomen telefoons kunnen worden teruggegeven aan de rechthebbende.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van het beslag geen standpunt ingenomen.

Het oordeel van de rechtbank

Onttrekken aan het verkeer

De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor onder de nummers 1 tot en met 74 vermelde inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer. Gebleken is dat de feiten zijn begaan met betrekking tot deze voorwerpen. Ook zijn deze voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en/of het algemene belang.

Teruggave aan de rechthebbende

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hiervoor onder de nummers 75 tot en met 78 vermelde inbeslaggenomen voorwerpen aan verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank verzet het belang van de strafvordering zich niet tegen de teruggave van deze voorwerpen.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36b, 36c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 3, 10, 10a en 11 van de Opiumwet, de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie en artikel 1.2.2 van het Vuurwerkbesluit.

10. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Ten aanzien van feit 2

Medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Ten aanzien van feit 3

Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Ten aanzien van feit 4

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Ten aanzien van feit 5

Overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering zal worden gebracht.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

Gelast de teruggave aan verdachte:

75. 1 1 STK Telefoontoestel (PL1300-2026099913-G6805046)

75. 1 1 STK Telefoontoestel (PL1300-2026099913-G6805041)

75. 1 1 STK Telefoontoestel (PL1300-2026099913-G6805058)

75. 1 1 STK Telefoontoestel (PL1300-2026099913-G6805049)

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.H.E. van der Pol, voorzitter,

mrs. J. Thomas en A.L. op 't Hoog, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J. de Groot, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 augustus 2026.

[…]

[…]

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.H.E. van der Pol

Griffier

  • mr. J. de Groot

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand