RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11497669 \ CV EXPL 25-1644
Vonnis van 21 april 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid WINFORD AMSTERDAM B.V.,
gevestigd te Amsterdam ,
eisende partij,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.
1. De procedure
Eisende partij heeft gedaagde partij gedagvaard op 6 juni 2025. Gedaagde partij is niet verschenen en heeft ook niet schriftelijk gereageerd. Tegen haar is daarom verstek verleend.
Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.
2. De beoordeling
Volgens eisende partij is tussen partijen een opleidingsovereenkomst tot stand gekomen voor het volgen van voortgezet onderwijs door de minderjarige dochter van gedaagde partij. Op de overeenkomst zijn de Algemene Voorwaarden Winford College B.V. (hierna: de algemene voorwaarden) van toepassing. Gedaagde partij is voor het schooljaar 2022-2023 een bedrag van € 10.810,00 verschuldigd aan school- en boekengeld en voor het schooljaar 2023-2024 een bedrag van € 31.850,00. Gedaagde partij heeft een bedrag van € 22.153,00 voldaan, zodat eisende partij nog een bedrag van € 20.507,00 vordert, vermeerderd met de wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van gedaagde partij in de proceskosten.
Eisende partij is een handelaar. Gedaagde partij is een consument, althans wordt vermoed consument te zijn. In dat geval moet ambtshalve worden getoetst aan het consumentenrecht. De kantonrechter moet onder meer onderzoeken of eisende partij haar informatieverplichtingen heeft nageleefd. Ook moet de overeenkomst worden getoetst aan de Richtlijn oneerlijke bedingen (93/13/EG, hierna: de richtlijn).
Bij de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding gaat het erom of dat beding, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort (artikel 3 lid 1 van de richtlijn). Hierbij moeten alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst worden meegewogen en alle andere bedingen van de overeenkomst, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft, in aanmerking worden genomen. Daarbij moet worden uitgegaan van de datum waarop de overeenkomst is gesloten. Irrelevant voor deze toets is de feitelijke toepassing en uitvoering van de bedingen, of een achteraf gegeven uitleg.
Eisende partij stelt dat deze overeenkomst een overeenkomst betreft anders dan op afstand of buiten de verkoopruimte. Volgens eisende partij heeft een intakegesprek plaatsgevonden op locatie. Verder stelt zij dat bij het intakegesprek een aanmeldformulier wordt verstrekt aan de ouder(s), die de ouder(s) dienen in te vullen voor het aanmelden van hun kind(eren). De ouder(s) worden tijdens de intake mondeling op de hoogte gebracht van het lesgeld voor het onderwijsjaar waar het onderwijs betrekking op heeft. Aan het einde van het intakegesprek wordt de overeenkomst mondeling gesloten tussen eisende partij en de betreffende ouder(s), aldus steeds eisende partij.
De gevorderde hoofdsom is gebaseerd op een beding dat ziet op het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst, namelijk de prijs. Ambtshalve toetsing van een prijsbeding is ingevolge artikel 4 lid 2 van de richtlijn alleen aan de orde als deze niet duidelijk en begrijpelijk is geformuleerd. In dat kader overweegt de kantonrechter dat eisende partij slechts in algemene zin stelt dat de hoogte van het lesgeld mondeling wordt meegedeeld aan de ouder(s). Dat is onvoldoende concreet. Bovendien volgt uit artikel 7 van de algemene voorwaarden dat de overeenkomst wordt aangegaan tot en met de laatste dag van het schooljaar waarin de leerling het examen aflegt, terwijl eisende partij in de dagvaarding stelt dat ouder(s) tijdens de intake mondeling op de hoogte worden gebracht van het lesgeld voor het onderwijsjaar waar het onderwijs betrekking op heeft. Hieruit blijkt niet dat eisende partij voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst aan gedaagde partij het totale bedrag voor de opleiding, dus het lesgeld van alle schooljaren, heeft meegedeeld.
Eisende partij wordt daarom alsnog in staat gesteld om haar toelichting over de transparantie van het prijsbeding voldoende concreet te maken en zo nodig te onderbouwen. Zo dient eisende partij concreet te stellen welke informatie is gegeven in het gesprek. Als voor het sluiten van de overeenkomst over de prijs geen of onvoldoende informatie is verstrekt, zal het prijsbeding op oneerlijkheid in de zin van de richtlijn moeten worden getoetst. Eisende partij wordt daarom ook in de gelegenheid zich hierover uit te laten.
In de algemene voorwaarden zijn, voor zover hier van belang, de volgende bedingen opgenomen:
‘Artikel 10 Betaling
(…)
5. Indien de leerling in gebreke blijft in de betaling binnen de termijn van 14 dagen dan is de leerling van rechtswege in verzuim. De leerling is alsdan een rente verschuldigd van 1% per maand, tenzij de wettelijke rente hoger is in welk geval de wettelijke rente geldt. De rente over het opeisbaar bedrag zal worden berekend vanaf het moment dat de leerling in verzuim is tot het moment van voldoening van het volledige bedrag.’
‘Artikel 12 Incassokosten
1. De leerling is in verzuim vanaf het verstrijken van de betalingsdatum. Winford zendt na het verstrijken van die datum een betalingsherinnering en geeft de consument de gelegenheid binnen 14 dagen, na ontvangst van deze betalingsherinnering alsnog te betalen.
2. Indien de leerling niet tijdig aan zijn betalingsverplichting(en) voldoet, is deze, nadat hij door Winford is gewezen op de te late betaling en Winford de vertegenwoordiger een termijn van 14 dagen heeft gegund om alsnog aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen, na het verstrijken van deze 14-dagen-termijn over het nog verschuldigde bedrag de wettelijke rente verschuldigd en is de ondernemer gerechtigd de door hem gemaakte buitengerechtelijke incassokosten in rekening te brengen. Deze incassokosten bedragen: 15% over openstaande bedragen tot € 2.500,- met een minimum van € 40,-; 10% over de daaropvolgende € 2.500,-; 5% over de volgende € 5.000,-; 1% over de volgende € 190.000,- van de hoofdsom van de vordering en 0,5% over het meerdere van de hoofdsom met een maximum van € 6.775,-. Winford kan ten voordele van de consument afwijken van genoemde bedragen en percentages. Indien Winford hogere kosten heeft gemaakt, welke redelijkerwijs noodzakelijk waren, komen deze ook voor vergoeding in aanmerking.
3. De eventuele gemaakte redelijke gerechtelijke en executiekosten komen eveneens voor rekening van de leerling.’
Het beding in artikel 10 wordt door de kantonrechter als oneerlijk aangemerkt. Volgens het beding bedraagt de contractuele rente 1% per maand. Jaarlijks is dat een contractuele rente van 12,7%. Over 2023 bedroeg de wettelijke rente echter 6% per jaar, over 2024 7% en over 2025 6% per jaar. Gelet op deze omstandigheden wordt het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van gedaagde partij aanzienlijk verstoord. Weliswaar wordt in artikel 12 lid 2 verwezen naar de wettelijke rente, maar dat neemt niet weg dat eisende partij alsnog een beroep op artikel 10 kan doen. Dit maakt de bedingen gezamenlijk en in onderling verband tegenstrijdig en niet transparant. Het rentebeding van artikel 10 wordt dan ook vooralsnog als oneerlijk beoordeeld.
Ook artikel 12 wordt vooralsnog als oneerlijk aangemerkt. Lid 1 bepaalt namelijk dat de leerling een betalingsherinnering krijgt waarin hem de gelegenheid wordt geboden om binnen veertien dagen na ontvangst van deze betalingsherinnering het openstaande bedrag alsnog te betalen. Dit terwijl de consument in de wettelijke regeling alleen buitengerechtelijke kosten is verschuldigd, als is voldaan aan artikel 6:96 lid 6 BW, waarbij de aanmaning als bedoeld in dat artikellid ook moet voldoen aan eisen die de Hoge Raad heeft vastgesteld. In dit arrest is bepaald dat de termijn van 14 dagen moet worden gelezen als 14 dagen ingaande de dag na ontvangst van de aanmaning. De termijn van veertien dagen begint dus te lopen op de dag na ontvangst. De formulering die is opgenomen in artikel 12 lid 1, ‘binnen 14 dagen, na ontvangst van deze betalingsherinnering’, houdt in dat de termijn op de dag van ontvangst gaat lopen en is dan ook een te korte termijn.
Daar komt bij dat de in lid 2 genoemde bedragen weliswaar aansluiten bij de wettelijke staffel, maar dat de laatste zin vervolgens bepaalt dat hogere kosten die redelijkerwijs noodzakelijk waren, ook voor vergoeding in aanmerking komen. Daar ligt de beoordelingsvrijheid volledig bij eisende partij. Hiermee geeft het beding eisende partij de mogelijkheid om aan de consument meer in rekening te brengen dan hij verschuldigd zou zijn op grond van de wet.
Artikel 12 lid 3 wordt op voorhand als oneerlijk beoordeeld omdat het de mogelijkheid biedt om meer proceskosten in rekening te brengen dan bij wet voorzien. Op grond van dit beding komen ‘redelijke gerechtelijke en executiekosten’ namelijk voor rekening van de leerling. Ook hier ligt de beoordelingsvrijheid volledig bij eisende partij, terwijl het uitgangspunt is dat de kantonrechter de in het ongelijk gestelde partij veroordeelt in de proceskosten volgens een vast liquidatietarief. De Hoge Raad heeft bevestigd dat een beding op grond waarvan alle gerechtelijke kosten bij de consument in rekening kunnen worden gebracht als oneerlijk is aan te merken. Ondanks dat de Hoge Raad in het aangehaalde arrest de vraag over de gevolgen van een oneerlijk proceskostenbeding op zijn beurt heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, is de kantonrechter voornemens de proceskosten af te wijzen, gelet op artikel 6 lid 1 van de richtlijn en de vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie over de ‘terugvalleer’.
Oneerlijke bedingen binden de consument niet. Gevolg hiervan is dat deze bedingen gelet op de vaste jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie, volledig buiten toepassing moeten worden gelaten. Partiële vernietiging of herziening is niet mogelijk. Ook kan geen aanspraak worden gemaakt op een wettelijke regeling van aanvullend recht dat van toepassing zou zijn geweest als de bedingen niet in de overeenkomst stonden. Voordat de kantonrechter de hiervoor aangehaalde bedingen buiten toepassing laat, wordt eisende partij in de gelegenheid gesteld zich daarover en over de gevolgen daarvan uit te laten.
De zaak wordt voor het nemen van een akte door eisende partij over het bepaalde in overweging 2.5. en 2.11 verwezen naar de rol over vier weken.
Eisende partij dient de akte tenminste twee weken voor de hierna te bepalen rolzitting ook aan gedaagde partij te sturen, met de mededeling dat gedaagde partij op die rolzitting daarop mag reageren dan wel uitstel kan vragen en hoe en wanneer gedaagde partijuiterlijk moet reageren. Eisende partij wordt in dat kader verzocht om naast de akte ook de mededeling/brief aan gedaagde partij in het geding te brengen. Wanneer niet kan worden vastgesteld dat de akte tijdig en/of met de juiste mededeling aan gedaagde partij is toegestuurd, wordt deze in beginsel buiten beschouwing gelaten.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
3. De beslissing
De kantonrechter
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van [datum] voor het nemen van een akte door eisende partij over wat is vermeld onder 2.6. en 2.12.,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.
57327