RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11098571 \ CV EXPL 24-4532
Vonnis van 5 juni 2026
in de zaak van
OLYMPIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Hoofddorp,
eisende partij,
gemachtigde: ABC Incasso BV,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats],
gedaagde partij,
niet verschenen.
1. De procedure
Eisende partij heeft gedaagde partij gedagvaard op 30 april 2025. Gedaagde partij is niet verschenen en heeft ook niet schriftelijk gereageerd. Tegen hem is daarom verstek verleend.
Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.
2. De beoordeling
Volgens eisende partij heeft gedaagde partij haar benaderd met het verzoek om via haar een opleiding te volgen met als doel om het vrachtwagenrijbewijs C te behalen, om daarna via eisende partij als uitzendkracht een vrachtwagen te mogen besturen. Hiertoe hebben partijen een opleidingsovereenkomst gesloten, die door gedaagde partij digitaal is ondertekend.
Gedaagde partij heeft na het behalen van zijn rijbewijs niet voldaan aan de voorwaarde tot het verrichten van arbeid als uitzendkracht ten behoeve van eisende partij, zodat gedaagde partij volgens haar de voorgeschoten opleidingskosten moet terugbetalen.
Eisende partij heeft vier facturen ten behoeve van de opleiding voldaan, die in totaal € 5.315,24 bedragen. Gedaagde partij heeft een eigen bijdrage van € 1.650,00 betaald, zodat eisende partij een bedrag van € 3.665,24 heeft uitgegeven aan de opleiding. Dit bedrag vordert eisende partij in deze procedure van gedaagde partij. Verder vordert eisende partij buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke rente, met veroordeling van gedaagde partij in de proceskosten.
Uit de stukken blijkt dat gedaagde partij als uitzendkracht in dienst was bij eisende partij op het moment dat partijen de opleidingsovereenkomst sloten. Uit de omstandigheden waaronder deze opleidingsovereenkomst tot stand is gekomen, te weten op verzoek van gedaagde partij en met de intentie om het vrachtwagenrijbewijs C te behalen om daarna via eisende partij als uitzendkracht een vrachtwagen te mogen besturen, volgt dat deze opleidingsovereenkomst beschouwd dient te worden als een onderdeel van de arbeidsverhouding. Arbeidsovereenkomsten zijn uitgesloten van toetsing aan de Richtlijn oneerlijke bedingen (93/13/EG) en de Richtlijn consumentenrechten (2011/83/EU), omdat de betrokken partijen in een dergelijke rechtsverhouding niet handelen als consumenten of verkopers in de zin van die richtlijnen.
Gelet op het bepaalde in artikel 7:611a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) dient de vraag te worden beantwoord of de door gedaagde partij gevolgde opleiding tot vrachtwagenchauffeur kan worden aangemerkt als scholing die noodzakelijk is voor de uitoefening van de functie. Als dat het geval is, is het studiekostenbeding in de opleidingsovereenkomst op grond van artikel 7:611a lid 4 BW namelijk nietig. Dat zou betekenen dat de vordering als onrechtmatig of ongegrond moet worden afgewezen.
Uit de overgelegde stukken en de toelichting daarop van eisende partij is voldoende gebleken dat gedaagde partij al als uitzendkracht in de functie van bijrijder werkzaam was voor eisende partij en dat het de wens van gedaagde partij was om zelf de vrachtwagen te besturen. De door gedaagde partij gevolgde opleiding, een rijopleiding tot het behalen van rijbewijs C, was dus niet noodzakelijk voor het uitoefenen van de functie die hij op dat moment uitoefende. Verder is van belang dat eisende partij niet aan gedaagde partij gedurende de opleiding de opdracht heeft gegeven werkzaamheden te gaan verrichten die het betreffende rijbewijs vereisen. Onder die omstandigheden kan de rijopleiding dan ook niet worden aangemerkt als scholing die noodzakelijk is voor de uitoefening van de functie in de zin van art. 7:611a lid 1 BW, maar moet het behalen van het rijbewijs worden gekwalificeerd als een opleiding tot het verkrijgen van een startkwalificatie als vrachtwagenchauffeur. Duidelijk is immers dat het behalen van het rijbewijs C noodzakelijk is om later als vrachtwagenchauffeur aan het werk te kunnen gaan. Zonder deze startkwalificatie kan gedaagde partij geen werkzaamheden als vrachtwagenchauffeur verrichten, ook niet onder supervisie. Een dergelijke startkwalificatie valt niet onder de vergoedingsplicht van een werkgever. Het studiekostenbeding in de opleidingsovereenkomst is dan ook niet nietig.
Eisende partij stelt dat zij vier facturen ten behoeve van de opleiding heeft betaald, welke zij nu vordert van gedaagde partij. Het totaalbedrag van deze facturen, te weten € 5.315,24, overstijgt echter het bedrag aan totale opleidingskosten dat gedaagde partij op grond van de opleidingsovereenkomst verschuldigd zou zijn, te weten € 4.900,00. Onvoldoende is gesteld of gebleken op grond waarvan gedaagde partij het meerdere verschuldigd is aan eisende partij. Omdat uit de stellingen van eisende partij volgt dat gedaagde partij een eigen bijdrage van € 1.650,00 heeft betaald, zal een bedrag van € 3.250,00 (€ 4.900 -/- € 1.650,00) worden toegewezen. Het meerdere wordt afgewezen omdat dit ongegrond voorkomt.
De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar als hierna te melden. Eisende partij vordert tot slot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat eisende partij een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Eisende partij heeft aan gedaagde partij een aanmaning verstuurd die niet voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW, omdat het toepasselijke wettelijke tarief niet is vermeld. De gevorderde vergoeding zal daarom worden afgewezen.
Gedaagde partij is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van eisende partij worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
113,54
- griffierecht
€
496,00
- salaris gemachtigde
€
253,00
(1 punt × € 253,00)
- nakosten
€
126,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
989,04
3. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij te betalen een bedrag van € 3.250,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de respectieve vervaldata van de onderliggende facturen, telkens tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt gedaagde partij in de proceskosten van € 989,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als gedaagde partij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026.
57327