RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 10642208 \ CV EXPL 23-10746
Vonnis van 26 juni 2026
in de zaak van
OLYMPIA UITZENDBUREAU B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
gemachtigde: GGN Mastering Credit Rotterdam,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats],
gedaagde partij,
niet verschenen.
1. De procedure
Eisende partij heeft gedaagde partij gedagvaard op 13 juli 2023. Gedaagde partij is niet verschenen en heeft ook niet schriftelijk gereageerd. Tegen hem is daarom verstek verleend.
Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.
2. De beoordeling
Volgens eisende partij is op 1 september 2022 een studiekostenovereenkomst tot stand gekomen, waarbij zij gedaagde partij in de gelegenheid heeft gesteld om de opleiding trambestuurder te volgen ten einde de vakkennis en de vaardigheden op een gewenst niveau te krijgen. De overeenkomst is binnen de verkoopruimte tot stand gekomen en vervolgens digitaal door gedaagde partij bevestigd.
Tussen partijen is overeengekomen dat gedaagde partij na het afronden van de opleiding 1.000 uur werkt voor eisende partij. Omdat gedaagde partij maar 72 uur heeft gewerkt voor eisende partij, heeft eisende partij de gemaakte opleidingskosten aan gedaagde partij in rekening gebracht. Gedaagde partij heeft deze kosten niet betaald.
Eisende partij vordert in deze procedure een bedrag van € 1.875,42 aan opleidingskosten, de wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van gedaagde partij in de proceskosten.
Uit de overgelegde stukken blijkt dat de studiekostenovereenkomst is aangegaan met gedaagde partij als ‘flexwerker’. Of ten tijde van het sluiten van de opleidingsovereenkomst sprake was van een arbeidsovereenkomst tussen eisende partij en gedaagde partij, kan uit de stellingen en de overgelegde stukken onvoldoende worden opgemaakt.
Eisende partij dient zich nader uit te laten over of ten tijde van het sluiten van de studiekostenovereenkomst dan wel gedurende de opleiding sprake was van een arbeidsovereenkomst. Als dat het geval is, dient de kantonrechter namelijk – gelet op het bepaalde in artikel 7:611a lid 1 BW – de vraag te beantwoorden of de door gedaagde partij gevolgde opleiding tot taxichauffeur kan worden aangemerkt als scholing die noodzakelijk is voor de uitoefening van de functie. Als dat het geval is, is het studiekostenbeding in de opleidingsovereenkomst op grond van artikel 7:611a lid 4 BW namelijk nietig. Dat zou betekenen dat de kantonrechter de vordering als onrechtmatig of ongegrond moet afwijzen.
Indien geen sprake is van een arbeidsovereenkomst, moet de overeenkomst worden getoetst aan het consumentenrecht. De kantonrechter moet dan onder meer onderzoeken of eisende partij haar informatieverplichtingen heeft nageleefd. Ook moet de overeenkomst worden getoetst aan de Richtlijn oneerlijke bedingen (93/13/EG). Eisende partij heeft in de dagvaarding al toegelicht op welke wijze zij heeft voldaan aan de toepasselijke informatieplichten. Eisende partij wordt nog in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de (on)eerlijkheid van de bedingen in de overeenkomst waarop een beroep wordt gedaan of kan worden gedaan, zoals de prijsbedingen. In het bijzonder over artikel 4, welke luidt:
‘Artikel 4: Vordering van opeisbare tegoeden
Uit deze overeenkomst door Olympia Uitzendbureau op te eisen vergoedingen zijn direct opeisbaar zonder verdere ingebrekestelling of rechterlijke tussenkomst. Alle buitengerechtelijke- en gerechtelijke incassokosten komen voor rekening van de flexwerker.’
Dit artikel bevat een beding over buitengerechtelijke incassokosten en een beding over gerechtelijke incassokosten (proceskosten). Deze worden als oneerlijk aangemerkt. Op grond van het beding over buitengerechtelijke incassokosten kunnen zonder limiet kosten in rekening worden gebracht. Het beding wijkt dan ook ten nadele van de consument af van de wettelijke regeling, die van dwingend recht is. Als wordt afgeweken van dwingend recht, levert dat oneerlijkheid op (zie ECLI:NL:HR:2023:198).
Het beding over gerechtelijke kosten geeft eisende partij de mogelijkheid om alle door haar gemaakte kosten in rechte bij de consument in rekening te brengen. Dus bijvoorbeeld ook de volledige kosten van een advocatenkantoor. Dat is normaal gesproken slechts mogelijk onder zeer bijzondere omstandigheden, zoals misbruik van recht. Een beding op grond waarvan alle gerechtelijke kosten bij de consument in rekening kunnen worden gebracht is als oneerlijk aan te merken. Dat is door de Hoge Raad bevestigd (ECLI:NL:HR:2025:820).
De kantonrechter is voornemens dit beding buiten toepassing te laten, zodat ze gedaagde partij niet binden. Gevolg daarvan is dat eisende partij zich daar niet op kan beroepen. Evenmin kan eisende partij zich onder die omstandigheden beroepen op de wettelijke regeling die van toepassing zouden zijn als de bedingen niet in de overeenkomst zouden staan.
Voor wat betreft het beding over de gerechtelijke kosten geldt nog het volgende. Ondanks dat de Hoge Raad in het aangehaalde arrest de vraag over de gevolgen van een oneerlijk proceskostenbeding op zijn beurt heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, is de kantonrechter voornemens de gevorderde proceskosten af te wijzen, gelet op artikel 6 lid 1 van de richtlijn en de vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie over de ‘terugvalleer’ (o.a. ECLI:EU:C:2021:68 en ECLI:EU:C:2022:971).
Voordat de kantonrechter het hiervoor besproken beding buiten toepassing laat, mag eisende partij zich daarover uitlaten, evenals over de (on)eerlijkheid van andere bedingen in de overeenkomst waarop een beroep wordt gedaan of kan worden gedaan.
De zaak wordt voor het nemen van een akte door eisende partij over het bepaalde in overweging 2.5. en verder verwezen naar de rol over vier weken.
Eisende partij dient de akte tenminste twee weken voor de hierna te bepalen rolzitting ook aan gedaagde partij te sturen, met de mededeling dat gedaagde partij op die rolzitting daarop mag reageren dan wel uitstel kan vragen en hoe en wanneer gedaagde partijuiterlijk moet reageren. Eisende partij wordt in dat kader verzocht om naast de akte ook de mededeling/brief aan gedaagde partij in het geding te brengen. Wanneer niet kan worden vastgesteld dat de akte tijdig en/of met de juiste mededeling aan gedaagde partij is toegestuurd, wordt deze in beginsel buiten beschouwing gelaten.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
3. De beslissing
De kantonrechter
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van vrijdag 24 juli 2026 om 10:00 uur voor het nemen van een akte door eisende partij over wat is vermeld onder 2.5. en verder,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2026.
57327