RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 10852087 \ CV EXPL 23-15796
Vonnis van 26 juni 2026
in de zaak van
MUNCKHOF TAXI B.V.,
gevestigd te te Horst, gemeente Horst aan de Maas,
eisende partij,
gemachtigde: Hafkamp Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats],
gedaagde partij,
niet verschenen.
1. De procedure
Eisende partij heeft gedaagde partij gedagvaard op 12 december 2023. Gedaagde partij is niet verschenen en heeft ook niet schriftelijk gereageerd. Tegen hem is daarom verstek verleend.
Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.
2. De beoordeling
Volgens eisende partij is tussen eisende partij en gedaagde partij een opleidingsovereenkomst tot stand gekomen, die inhoudt dat gedaagde partij via een leerwerktraject opgeleid zal worden tot taxichauffeur. Hiertoe hebben partijen een opleidingsovereenkomst gesloten. Omdat gedaagde partij ruim voor het afronden van de opleiding zonder valide reden niet meer is komen opdagen, heeft eisende partij de gemaakte opleidingskosten aan gedaagde partij in rekening gebracht. Gedaagde partij heeft deze kosten niet betaald.
Eisende partij vordert in deze procedure een bedrag van € 1.165,94 aan opleidingskosten, de wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van gedaagde partij in de proceskosten.
Uit de overgelegde stukken blijkt dat de opleidingsovereenkomst is aangegaan in het kader van een leerwerktraject. Of ten tijde van het sluiten van de opleidingsovereenkomst ook sprake was van een arbeidsovereenkomst tussen eisende partij en gedaagde partij, kan uit de stellingen en de overgelegde stukken onvoldoende worden opgemaakt.
Eisende partij dient zich nader uit te laten over of ten tijde van het sluiten van de opleidingsovereenkomst dan wel gedurende de opleiding sprake was van een arbeidsovereenkomst. Als dat het geval is, dient de kantonrechter namelijk – gelet op het bepaalde in artikel 7:611a lid 1 BW – de vraag te beantwoorden of de door gedaagde partij gevolgde opleiding tot taxichauffeur kan worden aangemerkt als scholing die noodzakelijk is voor de uitoefening van de functie. Als dat het geval is, is het studiekostenbeding in de opleidingsovereenkomst op grond van artikel 7:611a lid 4 BW namelijk nietig. Dat zou betekenen dat de kantonrechter de vordering als onrechtmatig of ongegrond moet afwijzen.
Indien geen sprake is van een arbeidsovereenkomst, moet de overeenkomst worden getoetst aan het consumentenrecht. De kantonrechter moet dan onder meer onderzoeken of eisende partij haar informatieverplichtingen heeft nageleefd. Ook moet de overeenkomst worden getoetst aan de Richtlijn oneerlijke bedingen (93/13/EG). In dat kader wordt eisende partij in de gelegenheid gesteld nader toe te lichten op welke wijze zij heeft voldaan aan de toepasselijke informatieplichten. Deze stellingen dienen zo nodig te worden onderbouwd met bewijsstukken. Ook wordt eisende partij in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de (on)eerlijkheid van de bedingen in de overeenkomst waarop een beroep wordt gedaan of kan worden gedaan.
De zaak wordt voor het nemen van een akte door eisende partij over het bepaalde in overweging 2.4. en verder verwezen naar de rol over vier weken.
Eisende partij dient de akte tenminste twee weken voor de hierna te bepalen rolzitting ook aan gedaagde partij te sturen, met de mededeling dat gedaagde partij op die rolzitting daarop mag reageren dan wel uitstel kan vragen en hoe en wanneer gedaagde partijuiterlijk moet reageren. Eisende partij wordt in dat kader verzocht om naast de akte ook de mededeling/brief aan gedaagde partij in het geding te brengen. Wanneer niet kan worden vastgesteld dat de akte tijdig en/of met de juiste mededeling aan gedaagde partij is toegestuurd, wordt deze in beginsel buiten beschouwing gelaten.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
3. De beslissing
De kantonrechter
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van vrijdag 24 juli 2026 om 10:00 uur voor het nemen van een akte door eisende partij over wat is vermeld onder 2.4. en verder,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2026.
57327