ECLI:NL:RBAMS:2026:8453

ECLI:NL:RBAMS:2026:8453

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 20-08-2026
Datum publicatie 25-08-2026
Zaaknummer 11557243 \ CV EXPL 25-3422
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Eindvonnis na tussenvonnis (ECLI:NL:RBAMS:2026:3263). Eisende partij heeft met de toelichting in haar akte en de daarbij overgelegde stukken voldoende heeft onderbouwd dat zij aan gedaagde partij voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst informatie heeft verstrekt over de totale opleidingskosten. Daarmee komt de kantonrechter terug op het eerdere oordeel dat het prijsbeding wat betreft de opleidingskosten niet transparant is. Eisende partij heeft voldoende onderbouwd dat deze transparant is, zodat dit beding niet verder op oneerlijkheid hoeft te worden getoetst.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht

Kantonrechter

Zaaknummer: 11557243 \ CV EXPL 25-3422

Vonnis van 20 augustus 2026

in de zaak van

MBO4 NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Hillegom,

eisende partij,

gemachtigde: [gemachtigde],

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats],

gedaagde partij,

niet verschenen.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 2 april 2026- de akte van eisende partij.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

Bij tussenvonnis van 2 april 2026 is eisende partij in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de oneerlijkheid van het prijsbeding, nu geoordeeld is dat het prijsbeding niet transparant is. Eisende partij heeft bij akte van 4 juni 2026 een en ander nader toegelicht en zich uitgelaten. Daarbij heeft zij bewijs overgelegd dat zij deze akte ook aan gedaagde partij heeft gestuurd.

In het tussenvonnis is geoordeeld dat het prijsbeding met betrekking tot de onderwijskosten en de kosten van de Salzburger Super Ski Card niet transparant is, omdat gesteld noch gebleken is dat de prijs die vermeld staat in het overzicht SBU ook voor de daaropvolgende studiejaren geldt, terwijl de overeenkomst wel tot en met 31 juli 2023 is aangegaan, en dat een prijs voor de Salzburger Super Ski Card volledig ontbreekt. Daarmee is niet gebleken dat eisende partij voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst aan gedaagde partij het totale bedrag voor de opleiding heeft meegedeeld.

In haar akte heeft eisende partij nader toegelicht hoe de opleidingskosten aan gedaagde partij zijn meegedeeld. Hiertoe heeft zij een e-mail overgelegd van 13 augustus 2020 waaraan bijlagen zijn bijgevoegd, waaronder het document ‘Lesuren, opleidingskosten en financiering (februari 2020)’. In dat document staat onder het kopje ‘Opleidingskosten’ vermeld: ‘All-in zijn de opleidingskosten ongeveer € 11-13.000,- per leerjaar’. Hierna heeft op 26 augustus 2020 een gesprek plaatsgevonden met gedaagde partij en zijn moeder, naar aanleiding waarvan onder meer het ‘Overzicht SBU [gedaagde] , schooljaar 2020-2021’ is opgesteld. Hierin staat opgenomen dat de opleidingskosten voor het schooljaar 2020-2021 € 12.800,00 bedragen. De onderwijsovereenkomst is vervolgens door gedaagde partij ondertekend en op 25 oktober 2020 retour ontvangen door eisende partij.

De kantonrechter oordeelt dat eisende partij met de toelichting in haar akte en de daarbij overgelegde stukken voldoende heeft onderbouwd dat zij aan gedaagde partij voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst informatie heeft verstrekt over de totale opleidingskosten. In het document dat op 13 augustus 2020 per e-mail is verzonden aan gedaagde partij staan weliswaar niet de exacte kosten per leerjaar vermeld, maar wel een schatting daarvan. In combinatie met het overzicht SBU, dat later aan gedaagde partij is verschaft en waarin de opleidingskosten voor het jaar 2020-2021 nader zijn gespecificeerd, heeft eisende partij daarmee de informatie verschaft waarmee gedaagde partij een inschatting kon maken van de (te verwachten) kosten. Daarmee komt de kantonrechter terug op het eerdere oordeel dat het prijsbeding wat betreft de opleidingskosten niet transparant is. Eisende partij heeft voldoende onderbouwd dat deze transparant is, zodat dit beding niet verder op oneerlijkheid hoeft te worden getoetst.

Onderzocht moet verder nog worden of de informatieplichten ten aanzien van de onderwijsovereenkomst zijn nageleefd. Gelet op de in de dagvaarding gestelde wijze van totstandkoming van de overeenkomst, gaat het om een overeenkomst anders dan op afstand of buiten de verkoopruimte. Uit de stellingen in de dagvaarding en de overgelegde stukken blijkt dat eisende partij heeft voldaan aan de informatieplichten die zij heeft op grond van artikel 6:230l BW. Verder staan in de overeenkomst of algemene voorwaarden geen andere bedingen die aan de onderhavige vordering ten grondslag zijn of kunnen worden gelegd, zodat deze niet getoetst hoeven te worden op oneerlijkheid.

Ten aanzien van de Salzburger Super Ski Card (hierna: de skipas) wordt het volgende overwogen. Eisende partij stelt daarover in haar akte dat deze kosten geen onderdeel uitmaken van de onderwijsovereenkomst, maar dat dit een praktische afspraak betreft waarover gecommuniceerd is met ouders via ouderbijeenkomsten, individueel contact en via whatsapp. Stukken waaruit dat blijkt, ontbreken echter. Hierdoor kan ook niet worden getoetst aan het consumentenrecht. Daarmee komt dit deel van de vordering de kantonrechter onrechtmatig of ongegrond voor en zal dit worden afgewezen.

De conclusie is dan ook dat de gevorderde opleidingskosten toewijsbaar zijn. De kosten voor de skipas worden afgewezen. Dit betekent dat toewijsbaar is:

- opleidingskosten schooljaar 2020-2021

12.800,00

- opleidingskosten schooljaar 2021-2022

12.800,00

subtotaal

25.600,00

- af: voldaan door gedaagde partij

23.280,00

totaal

2.320,00

Voorgaande bedragen dienen vermeerderd te worden met de wettelijke rente vanaf de respectieve vervaldata van de onderliggende facturen, tot de dag van volledige betaling.

Eisende partij vordert verder vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Omdat er in de overeenkomst geen beding staat dat hierop ziet, moet de vordering worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Omdat gedaagde partij een consument is, moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Eisende partij heeft aan gedaagde partij een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. De gevorderde vergoeding is hoger dan het tarief dat volgens het Besluit past bij de toe te wijzen hoofdsom. Dat is het gevolg van een omstandigheid die zich na het versturen van de aanmaning heeft voorgedaan. De kantonrechter zal de gevorderde vergoeding daarom toewijzen tot het wettelijke tarief dat aansluit bij de toe te wijzen hoofdsom, te weten een bedrag van € 1.290,10. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen. Omdat eisende partij niet heeft gesteld dat de schade (de buitengerechtelijke incassokosten) al eerder dan op de datum van de dagvaarding is geleden, zal de gevorderde rente worden toegewezen vanaf de dag van dagvaarding.

Gedaagde partij is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Gesteld noch gebleken is dat de overeenkomst een beding bevat dat hierop ziet. De proceskosten van eisende partij worden dan ook begroot op:

- kosten van de dagvaarding

145,45

- griffierecht

514,00

- salaris gemachtigde

288,00

(1 punt × € 288,00)

- nakosten

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

1.091,45

3. De beslissing

De kantonrechter

veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij te betalen een bedrag van € 2.320,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, vanaf de respectieve vervaldata van de onderliggende facturen, tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij te betalen een bedrag van € 1.290,10 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt gedaagde partij in de proceskosten van € 1.091,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als gedaagde partij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2026.

57327

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand