RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/790273 / KG ZA 26-579 EAM/JD
Vonnis in verzet in kort geding van 28 juli 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
gedaagde partij in het verzet,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. A. Hashem Jawaheri,
tegen
[gedaagde] ,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
eisende partij in het verzet bij verzetdagvaarding van 2 juli 2026,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. M.C.J. Höfelt.
1. De procedure
Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard verstekvonnis van 5 juni 2026 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank [gedaagde] :
veroordeeld om uiterlijk binnen twee werkdagen na dat vonnis over te gaan tot betaling aan [eiser] van € 242.650.00;
veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] begroot op nihil.
Bij dagvaarding van 2 juli 2026 is [gedaagde] in verzet gekomen van het vonnis van 5 juni 2026. Ter zitting van 14 juli 2026 – waar partijen met hun advocaten zijn verschenen – heeft [gedaagde] de verzetdagvaarding toegelicht. [eiser] heeft verweer gevoerd. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht. Vonnis is bepaald op vandaag.
2. De feiten
[eiser] is op 20 september 2007 gehuwd in [plaats] (Iran) met [naam 1] . Bij beschikking van 14 november 2023 is de echtscheiding tussen hen uitgesproken.
Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van 24 juni 2024 heeft deze rechtbank (samengevat en voor zover hier van belang) geoordeeld dat de vrouw eerst de gelegenheid krijgt om de echtelijke woning aan zich te laten toedelen, waarbij aan [naam 1] ten aanzien van de woning een vergoedingsrecht toekomt van € 120.789,20. Ook is in de beschikking bepaald dat [naam 1] aan [eiser] per maand een bedrag van € 588 moet betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van partijen. [naam 1] is in hoger beroep gekomen van (een gedeelte van) deze beschikking.
Bij vonnis van 6 maart 2024 is [naam 1] (samengevat en voor zover hier van belang) veroordeeld tot terugbetaling van de bruidsgave van € 242.650 aan [eiser] . Bij arrest van 4 maart 2025 heeft het Gerechtshof Amsterdam dit vonnis bekrachtigd.
Op 26 maart 2025 is tegen [naam 1] een (toewijzend) verstekvonnis gewezen op vordering van [naam 2], [bedrijf 1] , en Mohasselzadeh Advocaat B.V. [naam 2] is de huidige partner van [naam 1] en haar vordering van in totaal € 43.425.68 had voornamelijk betrekking op kosten van huishouding. [bedrijf 1] is een vennootschap waarin [naam 1] in elk geval tijdens het huwelijk van partijen een aanzienlijk belang had en haar vordering strekte tot terugbetaling van een lening van € 125.000.00. Mohasselzadeh Advocaat B.V. is het advocatenkantoor dat voor de man optrad. Zij vorderde € 225.917,93 voor verrichte werkzaamheden.
[eiser] en [naam 1] hebben overeenstemming bereikt over verkoop van de woning aan derden. Op 3 april hebben de kopers van de woning [gedaagde] , die notaris is, verzocht om de levering van de woning te verzorgen. Het kantoor van [gedaagde] heeft ook de concept koopovereenkomst opgesteld.
Op 14 april 2025 hebben [naam 2], [bedrijf 1] en Mohasselzadeh Advocaat B.V. executoriaal beslag gelegd op de woning van [eiser] en [naam 1] uit krachte van het verstekvonnis van 26 maart 2025.
Op 16 en 18 april 2025 hebben [eiser] en [naam 1] de koopovereenkomst getekend, waarin is bepaald dat levering zou plaatsvinden op 2 juni 2025.
Op 2 juni 2025 heeft geen levering van de woning plaatsgevonden. Op die datum heeft [eiser] executoriaal derdenbeslag gelegd onder de notaris, op het aandeel van [naam 1] in de verkoopopbrengst, uit krachte van het vonnis van 6 maart 2024 (zie 2.3).
Bij vonnis in kort geding van deze rechtbank van 6 juni 2025 is het beslag van de schuldeisers van [naam 1] op de woning van 14 april 2025 (zie 2.6) opgeheven.
Bij vonnis in kort geding van 10 juni 2025 van deze rechtbank heeft de voorzieningenrechter bepaald dat dat vonnis dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm
opgemaakte akte, strekkende tot (i) het notarieel transport van de gezamenlijke
woning aan de kopers, en tot (ii) het royeren van het hypotheekrecht. rustend op deze woning. Dezelfde dag heeft levering van de woning alsnog plaatsgevonden.
Op 11 juni 2025 hebben dezelfde schuldeisers van [naam 1] (zie 2.4) beslag gelegd onder de notaris, op het aandeel van [naam 1] in de verkoopopbrengst van de woning, voor een bedrag van € 418.850,82, wederom uit krachte van het verstekvonnis van 26 maart 2025.
Op 13 juni 2025 heeft [eiser] conservatoir derdenbeslag gelegd onder de notaris, tot zekerheid van verhaal voor vorderingen van haar op [naam 1] en zijn schuldeisers, voor een totaalbedrag van € 841.900.
Op 20 juni 2025 heeft [eiser] [gedaagde] in kort geding gedagvaard. In die procedure vorderde zij betaling van haar aandeel in de verkoopopbrengst van de woning. [gedaagde] is in deze procedure niet verschenen, waarna hij bij verstekvonnis van 7 juli 2025 is veroordeeld tot betaling van € 146.891,94 aan [eiser] .
Bij dagvaarding van 27 juni 2025 heeft [eiser] de hoofzaak ingesteld tegen [naam 1] en zijn schuldeisers (zie 2.4). Bij exploot van 4 juli 2025 is de eis in de hoofdzaak overbetekend aan [gedaagde] , onder wie [eiser] conservatoir derdenbeslag had gelegd ten laste van [naam 1] en zijn schuldeisers (zie 2.12).
Op 18 juli 2025 heeft het LBIO derdenbeslag gelegd onder de notaris, op het aandeel van [naam 1] in de verkoopopbrengst van de woning, voor een bedrag van € 20.418,53, uit krachte van de beschikking van 24 juni 2024 (zie 2.2). In de specificatie van het beslagexploot blijkt dat het beslag is gelegd voor ‘de alimentatie tot en met 31 juli 2025’, vermeerderd met kosten.
Op 22 juli 2025 heeft het hof geoordeeld over de zorgregeling van de kinderen met [naam 1] , de kinder- en partneralimentatie, en de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk. Het hof heeft de beschikking van 24 juni 2024 (zie 2.2) gedeeltelijk vernietigd.
Op 20 november 2025 heeft [naam 1] [eiser] gedagvaard om ter zitting te verschijnen van deze rechtbank. In die procedure vordert [naam 1] (voor zover hier van belang) een verklaring voor recht dat [eiser] onrechtmatig handelt door een vordering in te stellen op grond van de bruidsgave.
Op 17 april 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden in de procedure tussen [eiser] en [naam 1] en zijn schuldeisers (zie 2.14).
Bij e-mail van 11 mei 2026 heeft [eiser] [gedaagde] verzocht verhinderdata op te geven voor een aan te spannen kort geding, waarin [eiser] uitbetaling van € 242.650 zou vorderen van [gedaagde] , uit hoofde van het vonnis van 6 maart 2024 (zie 2.3).
Bij e-mail van 12 mei 2026 heeft [gedaagde] gereageerd:
“(…) Net als de vorige keer zie ik geen enkele noodzaak om hierbij aanwezig te zijn en zal ik de beslissing van de rechtbank respecteren en uitvoeren. (…)”
Op 13 mei 2026 heeft [eiser] [gedaagde] in kort geding gedagvaard. [gedaagde] is niet ter zitting verschenen. Bij verstekvonnis van 5 juni 2026 is [gedaagde] (voor zover hier van belang) veroordeeld om binnen twee werkdagen over te gaan tot betaling aan [eiser] van € 242.650.
Op 9 juni 2026 heeft [naam 1] ten laste van [eiser] (op haar aandeel in de verkoopopbrengst van de woning) executoriaal derdenbeslag doen leggen onder [gedaagde] , voor een bedrag van € 39.047,92 op grond van de beschikking van het Gerechtshof Amsterdam van 22 juli 2025 (zie 2.16). Uit de specificatie in het beslagexploot blijkt dat het beslag is gelegd voor de gebruiksvergoeding die [eiser] aan [naam 1] is verschuldigd voor het exclusieve gebruik van de gemeenschappelijke woning.
Op 9 juni 2026 heeft [naam 1] [gedaagde] verzocht geen uitvoering te geven aan het verstekvonnis van 5 juni 2026 (zie 2.21), met verwijzing naar een verwachte uitspraak in de bodemprocedure tussen [eiser] en [naam 1] en zijn schuldeisers (zie 2.14) op 16 juni 2026.
Op 16 juni 2026 heeft [eiser] het verstekvonnis van 6 juni 2026 aan [gedaagde] betekend met bevel tot betaling. [gedaagde] heeft daaraan niet voldaan.
3. Het geschil
[gedaagde] heeft gevorderd (samengevat) dat de voorzieningenrechter [gedaagde] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis zal veroordelen tot betaling binnen twee werkdagen aan [eiser] van een bedrag van € 242.650.
In het verstekvonnis van 5 juni 2026 (zie 2.21) is de vorderingen van [eiser] volledig toegewezen en is [gedaagde] veroordeeld in de proceskosten, die aan de zijde van [eiser] zijn begroot op nihil.
[gedaagde] vordert in het verzet dat het verstekvonnis wordt vernietigd en dat [eiser] alsnog niet-ontvankelijk wordt verklaard, althans haar vordering alsnog wordt afgewezen, althans dat [gedaagde] wordt ontheven van de in het verstekvonnis tegen hem uitgesproken veroordeling, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Het verzet is op tijd en op de juiste wijze ingesteld.
[eiser] vordert in dit kort geding uitbetaling door [gedaagde] (notaris) aan haar van € 242.650. Zij heeft op 2 juni 2025 voor dit bedrag executoriaal beslag doen leggen op het aandeel van [naam 1] in de verkoopopbrengst van de woning, uit hoofde van de verplichting tot terugbetaling van de bruidsgave, waartoe [naam 1] bij vonnis van deze rechtbank van 6 maart 2024 is veroordeeld, welk vonnis op 4 maart 2025 door Gerechtshof Amsterdam is bekrachtigd (zie 2.3).
[gedaagde] heeft in dit kort geding toegelicht dat hij niet tot uitbetaling mag overgaan, kort gezegd omdat dit voorbijgaat aan de wettelijke executieregels, zoals neergelegd in artikelen 477, 477a, en 480 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv). Daaruit volgt volgens [gedaagde] dat hij eerst (onder meer) dient na te gaan of er andere rechthebbenden zijn op het door hem gehouden aandeel van [naam 1] in de verkoopopbrengst van de woning. Daarna dient hij daarover een derdenverklaring te doen. Bij het uitblijven van die verklaring kan de executant ( [eiser] ) een ‘verklaringsprocedure’ in de zin van artikel 477a Rv starten, op grond waarvan kan worden gevorderd dat [gedaagde] zelf dit bedrag betaalt. Deze procedure kan niet worden omzeild door betaling door [gedaagde] in kort geding te vorderen. Daarbij zou afdracht van de beslagen gelden door [gedaagde] niet rechtstreeks aan [eiser] moeten geschieden, maar aan de gerechtsdeurwaarder, die de afdracht vervolgens conform de wettelijke executieregels dient af te wikkelen, met het oog op samenloop met andere executoriale beslagen, aldus steeds [gedaagde] .
Uit de overgelegde stukken in dit kort geding blijkt dat op dit moment nog drie andere beslagen liggen op het aandeel van [naam 1] in de verkoopopbrengst van de woning dat de notaris onder zich houdt liggen, te weten:
executoriaal derdenbeslag van 11 juni 2025 door schuldeisers van [naam 1] (zie 2.11);
conservatoir derdenbeslag van 13 juni 2025 door [eiser] (zie 2.12);
executoriaal derdenbeslag van 18 juli 2025 door het LBIO (zie 2.15).
[gedaagde] heeft ter zitting aangevoerd dat hieraan recentelijk nog een vijfde beslag is toegevoegd, te weten een executoriaal derdenbeslag van 2 juli 2026 door de schuldeisers van [naam 1] . [eiser] heeft dit niet weersproken.
De executoriale beslagen van de schuldeisers van [naam 1] onder de notaris zijn gelegd uit krachte van het verstekvonnis van 26 maart 2025 (zie 2.4). De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft in het vonnis van 6 juni 2025 (zie 2.9) overwogen dat dit verstekvonnis is verkregen op basis van een dagvaarding waarin buitengewoon weinig informatie wordt gegeven over de grondslagen van de vorderingen. In deze verstekprocedure trad de advocaat van [naam 1] op voor zijn schuldeisers. Volgens de advocaat deed zij dat mede op instructie van [naam 1] , omdat hij helderheid wilde creëren over de schulden die hij heeft. Kennelijk heeft [naam 1] willen meewerken aan het op deze wijze verschaffen van een vorm van zekerheid aan zijn schuldeisers. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat het beslagrecht niet is bedoeld voor het op kunstmatige wijze creëren van zekerheidsrechten die [naam 1] op zijn eigen vermogen wil vestigen.
In dit licht is het alleszins begrijpelijk dat [eiser] het zeer bezwaarlijk vindt dat de terugbetaling van de bruidsschat aan haar – waarvan beide de rechtbank en het hof hebben geoordeeld dat [naam 1] daartoe verplicht is – nog altijd wordt gefrustreerd door executoriale beslagen op grond van dit dubieuze verstekvonnis.
Echter, voor zover de in kort geding gevorderde betaling (€ 242.650) het bedrag van € 207.286,54 overstijgt bestaat daarvoorgeen rechtsgrond, nu het executoriale beslag doel heeft getroffen voor dit laatste bedrag, en [eiser] niet heeft gesteld dat [gedaagde] zélf schuldenaar is van [eiser] . Voor zover de vordering van [eiser] zo moet worden begrepen dat zij uitbetaling van de beslagen € 207.286,54 vordert, geldt het volgende.
[eiser] heeft geen executiegeschil aanhangig gemaakt waarin zij schorsing van de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis vordert, of opheffing van de door de schuldeisers gelegde executoriale beslagen. De schuldeisers van [naam 1] beschikken dan ook over een voor tenuitvoerlegging vatbare titel. Het is dan ook niet aan [gedaagde] (in hoedanigheid van notaris) om aan deze executoriale beslagen voorbij te gaan door over te gaan tot afdracht aan [eiser] van het beslagen aandeel van [naam 1] in de verkoopopbrengst van de woning. Dit geld ook voor het door [eiser] gelegde conservatoire beslag. De advocaat van [eiser] heeft ter zitting weliswaar aangevoerd dat dit beslag kan worden opgeheven, maar zolang dit niet is gebeurd kan [gedaagde] ook daaraan niet zomaar voorbij gaan. Daarnaast is het executoriale beslag door het LBIO ook een feit.
Bij samenloop van beslagen is het aan de deurwaarder die het oudste executoriale beslag heeft gelegd om op grond van artikel 478 Rv (als ‘coördinerend gerechtsdeurwaarder’) op te treden voor de gezamenlijke beslagleggers, om de beslagen gelden te innen en te verdelen. [gedaagde] heeft terecht aangevoerd dat er in dit geval geen grond is om van dit wettelijke systeem af te wijken.
Een belangenafweging leidt niet tot een andere uitkomst. [eiser] heeft er kennelijk niet voor gekozen om zich middels een kort geding te richten tegen de uitvoerbaarheid van het verstekvonnis van 26 maart 2025, noch om opheffing van de gelegde beslagen te vorderen. [eiser] heeft wel een bodemprocedure aanhangig gemaakt tegen [naam 1] en zijn schuldeisers (zie 2.14), waarin zij heeft gesteld dat de overeenkomsten die [naam 1] met zijn schuldeisers heeft gesloten paulianeus zijn, en gevorderd dat deze worden vernietigd. In die procedure vordert [eiser] eveneens dat haar “vordering op de bruidsgave” zal worden voldaan uit “de overwaarde van de echtelijke woning”, alvorens de schuldeisers van [naam 1] zich op hem kunnen verhalen. In die procedure is (na aanhouding) vonnis bepaald op 29 juli 2026 (morgen). In dat vonnis zal dus worden geoordeeld over de aanspraken van de schuldeisers op [naam 1] en het voldoen van de vordering van [eiser] uit de gelden die [gedaagde] onder zich heeft. Van [eiser] kan worden gevergd dat zij die uitspraak afwacht.
Slotsom is dat [eiser] in het ongelijk zal worden gesteld en het verstekvonnis zal worden vernietigd.
Uitgangspunt is dat de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, in de kosten wordt veroordeeld. In dit geval bestaat aanleiding om van deze hoofdregel af te wijken. De advocaat van [eiser] stelt dat hij met [gedaagde] heeft afgesproken dat hij verstek zou laten gaan in een door [eiser] te voeren kort geding procedure. [gedaagde] erkent dat hij van tevoren heeft bevestigd dat hij verstek zou laten gaan en zou voldoen aan het vonnis, hetgeen ook blijkt uit zijn reactie op de op 11 mei 2026 met hem gedeelde conceptdagvaarding (zie: 2.20). [gedaagde] stelt echter dat hij voor ogen had dat een procedure tussen [eiser] en [naam 1] zou worden gevoerd, waarin hij was mede gedagvaard. Zijn bedoeling was dan ook, gelet op zijn onpartijdige positie als notaris, om zich te refereren aan het oordeel van de voorzieningenrechter, aldus [gedaagde] . Zijn lezing van de gemaakte afspraak en de insteek van de aangekondigde kort geding procedure strookt echter niet met de concept dagvaarding die met hem was gedeeld, waarin geen sprake was van een procedure tegen [naam 1] , met mede dagvaarding van [gedaagde] : in de conceptdagvaarding, en in de uitgebrachte dagvaarding was [gedaagde] de enige gedaagde.
Dat [gedaagde] nu in verzet voor het eerst (terecht) het standpunt inneemt dat hij geen uitvoering mag geven aan de betaling die in het verstekvonnis is toegewezen, maakt dat dit kort geding nodeloos is gevoerd. De voorzieningenrechter ziet daarin aanleiding om de proceskosten tussen partijen te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
vernietigt het verstekvonnis van 5 juni 2026 met zaaknummer C/l3/787664/ KG ZA 26-387 en opnieuw rechtdoende:
weigert de gevraagde voorziening,
compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Messer, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. J. Dekker, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026.