RECHTBANK AMSTERDAM
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/7411
einduitspraak na tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 augustus 2026 in de zaak tussen
(gemachtigden: mrs. K. Cras en S. Wetsema),
en
(gemachtigde: mr. T.C. Tesselhof).
Procesverloop
Deze zaak gaat over een afwijzing door verweerder van de aanvraag van eiseres voor een VOG (verklaring omtrent het gedrag) voor begeleider in de gezondheidszorg.
Eiseres heeft beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Op 4 februari 2026 heeft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening getroffen (in zaaknummer 25/7410) en in het onderhavige beroep een tussenuitspraak gedaan. In die tussenuitspraak heeft de voorzieningenrechter verweerder de gelegenheid gegeven om een motiveringsgebrek in het bestreden besluit te herstellen.
De rechtbank verwijst voor een uitgebreidere toelichting op het procesverloop en al het overige naar de tussenuitspraak van 4 februari 2026 (hierna: de tussenuitspraak).
Verweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak op 17 maart 2026 een aanvullende motivering ingediend.
Namens eiseres is hierop op 16 april 2026 schriftelijk gereageerd.
De rechtbank heeft op 19 juni 2026 het onderzoek gesloten en bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.
Overwegingen
2. In de tussenuitspraak heeft de voorzieningenrechter, kort gezegd, overwogen dat voorop wordt gesteld dat buiten discussie staat dat eiseres zich in 2017 schuldig heeft gemaakt aan zeer ernstige misdrijven en het dan ook begrijpelijk is dat verweerder terughoudend is met het afgeven van een VOG aan eiseres. Verweerder heeft echter onvoldoende gemotiveerd hoe alle omstandigheden van het geval in samenhang bezien van invloed zijn op de beoordeling van de aanvraag. Met name welk gewicht er wordt gegeven aan de recidive-inschatting door deskundige instanties die jarenlang bij eiseres betrokken zijn geweest, het feit dat stabiele huisvesting en een baan ook beschermende factoren zijn bij die inschatting en wat het verlies van stabiliteit voor eiseres en haar zoon betekent, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende gemotiveerd. Verweerder is in de gelegenheid gesteld om dit te herstellen met een aanvullende motivering, waarin al hetgeen in de tussenuitspraak naar voren is gebracht nogmaals dient te worden afgewogen door verweerder in het licht van het subjectieve criterium.
3. Verweerder stelt zich in de nadere motivering op het standpunt dat de belangenafweging nog steeds in het nadeel van eiseres uitvalt. Verweerder neemt in aanmerking dat ten tijde van de beslissing op bezwaar slechts een korte periode verstreken was sinds de gepleegde strafbare feiten en eiseres nog maar kort daarvoor voorwaardelijk in vrijheid was gesteld. Bovendien is sprake van zeer ernstige feiten die zich niet verenigen met een functie in de zorg en waar eiseres geen lichte straf voor heeft gekregen. Alle persoonlijke omstandigheden zijn volgens verweerder uitdrukkelijk betrokken en gewogen in de beoordeling, maar maken de uitkomst niet anders.
4. Eiseres meent dat haar belangen ook na de aanvullende motivering door verweerder niet voldoende zorgvuldig en gemotiveerd zijn afgewogen tegen het belang van de beperking van de risico’s voor de maatschappij. Daarmee is het motiveringsgebrek niet hersteld. Het besluit is dus in strijd met de artikelen 3:2, 3:4 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Oordeel in navolging van de tussenuitspraak
De rechtbank stelt voorop dat deze uitspraak voortbouwt op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij wat zij al in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist. De rechtbank zal hierna beoordelen of verweerder met zijn aanvullende motivering het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek heeft hersteld.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder het gebrek niet volledig heeft hersteld. Hoewel verweerder ten aanzien van het reclasseringsadvies en recidiverisico, de stabiele factoren zoals huisvesting, baan en de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd een nadere toelichting heeft gegeven, ontbreekt naar het oordeel van de rechtbank nog altijd een kenbare afweging van het belang van eiseres waarbij alle (persoonlijke) omstandigheden in samenhang worden afgewogen tegen het algemeen belang van bescherming van de samenleving. Wat betreft de zoon van eiseres, ontbreekt een inventarisatie van zijn belangen en wat de weigering van een VOG aan zijn moeder voor hem zal betekenen. Eiseres heeft aangevoerd dat de baan in de zorg haar de nodige vrijheid geeft om haar dagen flexibel in te kunnen plannen en zij genoeg inkomen kan genereren om zo de zorg voor haar minderjarige kind alleen te kunnen dragen en een appartement te kunnen huren in Amsterdam. Momenteel is er een liefdevolle thuissituatie, maar dat zal volgens eiseres snel veranderen wanneer zij met de nodige stress zal worden belast na verlies van haar baan. Waarom het besluit volgens verweerder geen invloed hoeft te hebben op de zoon van eiseres is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet duidelijk. Zeker gelet op het belaste verleden van de zoon en het belang van een stabiele thuissituatie is het standpunt van verweerder naar het oordeel van de rechtbank te kort door de bocht en onvoldoende gemotiveerd.
Nu verweerder het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek niet volledig heeft hersteld, is het beroep gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit dan ook vernietigen.
Finale geschilbeslechting
Gelet op de belangen die op het spel staan voor eiseres en haar zoon, verweerder de gelegenheid is geboden om de gebreken te herstellen en met het oog op finale geschilbeslechting, ziet de rechtbank aanleiding om zelf in de zaak te voorzien op grond van artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Awb. Zij overweegt daartoe als volgt.
De rechtbank stelt voorop dat verweerder beoordelingsruimte heeft bij de afgifte van een VOG. Dit betekent dat de rechtbank beoordeelt of verweerder in redelijkheid het belang van de bescherming van de in de beoogde functie aan eiseres toevertrouwde kwetsbare personen zwaarder heeft kunnen laten wegen dan het belang van eiseres. Nu eiseres ook een beroep doet op het evenredigheidsbeginsel, ziet de rechtbank aanleiding om de (uitkomst van de) belangenafweging die ten grondslag ligt aan het betreden besluit te toetsen aan de norm die is neergelegd in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2022.
Uit die uitspraak volgt dat de bestuursrechter bij de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel en de motivering daarvan niet beoordeelt of het bestuursorgaan bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid wel of niet tot het besluit heeft kunnen komen, maar dat de bestuursrechter moet aansluiten bij de bewoordingen van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Dit geldt ook voor gevallen, zoals het onderhavige, waarin het bestreden besluit berust op een discretionaire bevoegdheid die is ingevuld met beleidsregels. De Afdeling overweegt in voornoemde uitspraak dat daarbij van belang is dat als de beleidsregel zelf niet onrechtmatig is – waar de rechtbank in het onderhavige geval vanuit gaat – de bestuursrechter het bestreden besluit toetst aan de norm van artikel 4:84 (slot) van de Awb (“tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen”). Onder ‘bijzondere omstandigheden’ in artikel 4:84 worden zowel niet in de beleidsregel verdisconteerde omstandigheden als reeds in de beleidsregel verdisconteerde omstandigheden begrepen. Als sprake is van strijd met artikel 4:84 (slot) van de Awb, wordt het bestreden besluit wegens schending van die bepaling vernietigd.
De rechtbank is van oordeel dat in dit specifieke geval sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat het besluit in strijd is met artikel 4:84 van de Awb. De rechtbank merkt eerst op dat eiseres een grote fout heeft gemaakt in haar leven en zeer ernstige misdrijven heeft gepleegd. De gevolgen van de misdrijven zijn desastreus en de slachtoffers en nabestaanden dragen hier de rest van hun leven de gevolgen van. De rechtbank benadrukt dat zij met de uitkomst van deze VOG-procedure niet aan deze ernst af wil doen.
In het kader van de toets aan artikel 4:84 van de Awb neemt de rechtbank mee dat eiseres een belast verleden heeft. Zij erkent dat ze een ernstige fout heeft gemaakt en neemt daar verantwoordelijkheid voor. Zij heeft in detentie aan haar resocialisatie gewerkt en is daarbij door DJI en de reclassering ondersteund om te gaan werken in de zorg. Na haar detentie heeft zij een VOG aangevraagd en verkregen om te werken in de zorg. Met het relatief hoge inkomen dat ze in de zorg verdient, kon zij een woning in de vrije huursector in Amsterdam vinden voor haar en haar zoon. Ook maakt het werk in de zorg eiseres flexibel om als alleenstaande moeder de zorg voor haar zoon te kunnen dragen. Zij heeft haar leven dan ook ingericht naar dit salaris. Verweerder heeft hier, hoewel onbedoeld, aan bijgedragen door tot driemaal toe een VOG voor werk in de zorg te verlenen. Dat eiseres had kunnen weten dat dit evident onjuiste besluiten waren, volgt de rechtbank niet. Gedurende de bezwaarfase tegen de weigering van de VOG is immers nog tweemaal ten onrechte een VOG verleend. De rechtbank kan begrijpen dat eiseres en haar gemachtigde daardoor meenden dat haar bezwaar gegrond zou gaan. De rechtbank acht aannemelijk dat eiseres met een andere baan niet het relatief hoge inkomen kan verdienen wat zij nu verdient en dezelfde flexibiliteit in haar werk kan behouden. Er bestaat dan ook een reëel risico dat de stabiliteit die eiseres heeft gecreëerd – met behulp van betrokken instanties – voor haarzelf en haar zoon daarmee in het geding komt. In dit kader hecht de rechtbank ook waarde aan het belang van de zoon van eiseres en de gevolgen van het bestreden besluit voor hem. De zoon van eiseres heeft een belast verleden. Hij is gedurende detentie bij de moeder van eiseres geplaatst en daar emotioneel verwaarloosd. Hij heeft therapieën gevolgd en volgens eiseres gaat het nu goed met hem. De thuissituatie is stabiel en liefdevol en zij hoeven niet meer bij familie in te wonen. De zoon van eiseres begint dit schooljaar op de middelbare school, wat een belangrijke en vormende periode in de ontwikkeling van een kind is. De rechtbank acht het niet in het belang van het kind dat eiseres nu haar baan verliest met alle gevolgen van dien. De rechtbank neemt tenslotte mee dat eiseres slachtoffer is van de toeslagenaffaire. Zij is mede daardoor bij de start van haar volwassen leven in een uitzichtloze situatie terechtgekomen en haar vertrouwen in de overheid is daardoor verminderd. De rechtbank vindt invoelbaar dat deze afwijzing extra hard aankomt, juist ook omdat zij met behulp van dezelfde overheid is gaan werken in de zorg en ook meende het vertrouwen te hebben gekregen door de ten onrechte verleende VOG’s.
De weigering van de VOG heeft gelet op voorgaande verstrekkende gevolgen voor eiseres en haar zoon. De rechtbank is zich bewust van het feit dat ook de belangen van derden in hoge mate zijn betrokken bij het bestreden besluit, namelijk de belangen van diegenen die aan de zorg van eiseres worden toevertrouwd. Indien de belangen van derden zijn betrokken, is een meer terughoudende toetsing aan het evenredigheidsbeginsel op zijn plaats. Toch is de rechtbank in dit geval, gelet op de bijzondere omstandigheden zoals hiervoor beschreven, van oordeel dat de gevolgen voor eiseres en haar zoon onevenredig zijn gelet op de met het besluit te dienen doelen. Hierbij neemt de rechtbank ook mee dat eiseres al een tijd in de zorg werkt en openheid van zaken heeft gegeven richting haar werkgever. Het risico op recidive is door DJI en de reclassering op laag ingeschat en de reclassering heeft bij de voorwaardelijke invrijheidstelling van eiseres op 31 juli 2024 geadviseerd bijzondere voorwaarden en toezicht niet nodig te vinden. Er is geen sprake van een delict patroon. Eiseres neemt haar verantwoordelijkheid voor de strafbare feiten en betaalt met haar huidige inkomen af op de schulden aan de slachtoffers. Zij heeft ook te kennen gegeven het heel belangrijk te vinden dit te kunnen doen. Inmiddels is van de terugkijktermijn van bijna 11 jaar, 7,5 jaar verstreken. Daarna zal dit strafbare feit niet meer in het kader van het objectieve criterium worden tegengeworpen en kan verweerder – in beginsel – een VOG verlenen voor werken in de zorg. De rechtbank is van oordeel dat gelet op al het voorgaande het beschermen van de samenleving – de facto voor de resterende 3,5 jaar van de terugkijktermijn – niet opweegt tegen de onevenredige gevolgen van het besluit voor eiseres en haar zoon.
De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 4:84 van de Awb. Nu het afwijzen van de aanvraag onevenredig is ten aanzien van eiseres en haar zoon, kan dit tot geen andere conclusie leiden dan dat verweerder gehouden is een VOG te verstrekken aan eiseres.
Conclusie en gevolgen
Het beroep is gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Omdat de rechtbank van oordeel is dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 4:84 van de Awb, ziet zij reden om zelf in de zaak te voorzien op grond van artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Awb. De rechtbank zal het primaire besluit herroepen en deze uitspraak daarvoor in de plaats stellen. Dat betekent dat verweerder de aanvraag zal moeten toewijzen en een VOG zal moeten verstrekken aan eiseres.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden. Ook krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Eiseres heeft in bezwaar gevraagd om vergoeding van de proceskosten. De bijstand door een gemachtigde in bezwaar levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting met een waarde per punt van € 666,-). De bijstand door een gemachtigde in beroep levert in dit geval 1,5 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 1. Voor het bijwonen van de zitting is in de uitspraak van 4 februari 2026 al 1 punt toegekend bij toewijzing van de voorlopige voorziening. Totaal wordt dan ook een bedrag toegekend van € 2.733,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 15 december 2025;
- herroept het primaire besluit van 20 augustus 2025;
- bepaalt dat verweerder eiseres binnen twee weken na verzending van deze uitspraak de door haar gevraagde verklaring omtrent het gedrag verstrekt;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.733,-;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H.W. Franssen, rechter, in aanwezigheid van mr.P. Tanis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.