ECLI:NL:RBAMS:2026:8481

ECLI:NL:RBAMS:2026:8481

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 25-08-2026
Datum publicatie 26-08-2026
Zaaknummer 13-280455-24 (A); 13-224532-24 (B); 13-121783-25 (C); 13-147245-25 (D); 15-247095-25 (E); 13-115630-23 (TUL)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Jeugdstrafrecht. Veroordeling van een inmiddels 18-jarige – in vijf verschillende zaken – voor openlijke geweldpleging, diefstal, opzetheling, poging tot zware mishandeling, bedreiging, verboden wapenbezit en bezit van hasj tot een deels voorwaardelijke jeugddetentie met bijzondere voorwaarden. Vrijspraak poging doodslag subs. poging zware mishandeling in zaak A en de primair ten laste gelegde zware mishandeling in zaak D. Behandeling vorderingen benadeelde partijen en vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Team Familie & Jeugd

Parketnummers: 13-280455-24 (A); 13-224532-24 (B); 13-121783-25 (C); 13-147245-25 (D); 15-247095-25 (E); 13-115630-23 (TUL)

Datum uitspraak: 25 augustus 2026

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2008,

wonende op het adres [adres] , [woonplaats] ,

hierna te noemen de verdachte.

1. Onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 augustus 2026

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A, B, C, D en E aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.S. Gerritsen en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. E.C. Weijsenfeld, naar voren hebben gebracht.

Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van wat onder meer door [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), [naam 2] namens de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna: WSS), E. Jongman, psycholoog en behandelaar van de verdachte, de moeder van de verdachte en mr. J. Peters namens de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] naar voren is gebracht.

2. Tenlastelegging

1.
2.

Aan de verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

In zaak A:

het medeplegen van een poging tot doodslag op [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] op 31 augustus 2024 te Amsterdam;

subsidiair ten laste gelegd als het medeplegen van een poging tot zware mishandeling;

openlijke geweldpleging tegen [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] op 31 augustus 2024 te Amsterdam;

In zaak B:

diefstal van een blikje Red Bull van Albert Heijn op 8 juli 2024 te Amsterdam

In zaak C:

diefstal van een bromfiets van [slachtoffer 1] in de periode van 19 april 2025 tot 20 april 2025 te Amsterdam;

subsidiair ten laste gelegd als opzet- dan wel schuldheling van een bromfiets op 19 april 2025 te Amsterdam;

In zaak D:

1.

het medeplegen van zware mishandeling in vereniging van [slachtoffer 2] op 20 maart 2025 te Amsterdam;

subsidiair ten laste gelegd als het medeplegen van een poging tot zware mishandeling in vereniging;

meer subsidiair ten laste gelegd als het medeplegen van mishandeling;

2.

het medeplegen van bedreiging met zware mishandeling en/of enig misdrijf tegen het leven gericht op 20 maart 2025 te Amsterdam;

3.

het voorhanden hebben van een wapen van categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie in de periode van 20 maart 2025 tot en met 21 mei 2025;

In zaak E:

het opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid van meer dan 30 gram hasjiesj, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II op 20 september 2025 te Schiphol.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3. Voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

Ten aanzien van zaak A

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag in vereniging. Voorts heeft zij gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling en de onder feit 2 ten laste gelegde openlijke geweldpleging met enig lichamelijk letsel tot gevolg. De verdachte bekent te hebben gevochten door klappen te geven en iemand op de grond te hebben gegooid.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht de verdachte integraal vrij te spreken van het onder feit 1 ten laste gelegde. Uit de beelden en het proces-verbaal van bevindingen blijkt onvoldoende dat er geweldshandelingen zijn gepleegd die zwaar lichamelijk letsel hebben kunnen veroorzaken. Daarnaast heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht de verdachte vrij te spreken van het onder feit 2 ten laste gelegde openlijke geweld ten aanzien van aangeefster [benadeelde partij 3] .

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt de volgende feiten en omstandigheden vast. Een groep jongeren, waar de verdachte deel van uitmaakte, raakte op 31 augustus 2024 op het Bijlmerplein in Amsterdam in conflict met aangevers [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] nadat de groep van de verdachte zich had bemoeid met schade die door een derde zou zijn veroorzaakt aan de auto van aangever [benadeelde partij 1] . De eerste klap wordt daarbij door aangever [benadeelde partij 2] uitgedeeld tegen de verdachte. Daarop ontstond een vechtpartij waaraan aangevers [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] evenals de verdachte en andere leden van zijn groep hebben deelgenomen. Aangevers [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] hebben bij deze vechtpartij letsel opgelopen. Uit de verklaring van de verdachte ter terechtzitting volgt dat de verdachte heeft geslagen. De verdachte heeft daarnaast bekend aangever [benadeelde partij 2] naar de grond te hebben getrokken dan wel gegooid.

feit 1

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat de onder feit 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag niet is bewezen en zij spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank overweegt dat het dossier te weinig aanknopingspunten bevat om vast te stellen dat de verdachte de aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat (een van de) aangevers [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] zwaar lichamelijk letsel zou(den) oplopen. Evenmin kan worden vastgesteld dat de verdachte hierop in enige vorm opzet heeft gehad. Daarom spreekt de rechtbank de verdachte eveneens vrij van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde.

feit 2

Gelet op het voorgaande is de rechtbank ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging door te slaan en aangever [benadeelde partij 2] naar de grond te trekken. Het geweldsincident vond plaats op een openbare plek en ook de medeverdachten hebben geweld gepleegd tegens aangevers [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] . De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden vastgesteld dat ook tegen aangeefster [benadeelde partij 3] geweld is gebruikt. De rechtbank spreekt de verdachte van dit gedeelte daarom vrij.

Ten aanzien van de strafverzwarende omstandigheid bij dit feit, bestaande uit het veroorzaken van enig lichamelijk letsel, overweegt de rechtbank als volgt. Vast staat dat zowel aangever [benadeelde partij 2] als aangever [benadeelde partij 1] lichamelijk letsel hebben opgelopen als gevolg van de vechtpartij. De genoemde strafverzwarende omstandigheid heeft echter slechts betrekking op de dader van wie vast komt te staan dat het door hemzelf gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad. In het onderhavige geval is niet vast komen te staan dat het lichamelijk letsel van de aangevers het gevolg is geweest van het handelen van de verdachte. De rechtbank spreekt de verdachte daarom van deze ten laste gelegde strafverzwarende omstandigheid vrij.

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich op 31 augustus 2024 schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 2 ten laste gelegde openlijke geweldpleging tegen aangevers [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] .

Ten aanzien van zaak B

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde diefstal. De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht de verdachte vrij te spreken van het ten laste gelegde, omdat de verdachte toestemming heeft gekregen van een winkelmedewerkster om de winkel te verlaten en later te betalen voor het blikje Red Bull. De raadsvrouw heeft verzocht de betrokken winkelmedewerkster, de beveiliger van de Albert Heijn en de medeverdachte te horen ingeval de rechtbank tot een ander oordeel zou komen.

De rechtbank overweegt als volgt. Het door de verdachte geschetste alternatieve scenario vindt geen steun in andere feiten of omstandigheden. Uit het dossier blijkt daarentegen wel dat de verdachte geld bij zich had om het blikje af te rekenen. De politie heeft daarnaast met de desbetreffende winkelmedewerkster gesproken om het verhaal van de verdachte na te gaan en daarover opgeschreven dat “zij niet [heeft] verteld dat ze dit mochten doen”. De rechtbank leidt hieruit af dat de medewerkster zich niet herkent in de door de verdachte geschetste gang van zaken. De rechtbank acht het door de verdachte geschetste alternatieve scenario dan ook niet aannemelijk geworden en schuift het terzijde.

De rechtbank wijst het verzoek van de verdediging om de getuigen te horen af. De betreffende winkelmedewerkster heeft een niet voor meerdere uitleg vatbare verklaring afgelegd. Eventuele informatie uit de verhoren van de drie genoemde personen kan in redelijkheid niet van belang zijn voor enige in de strafzaak te nemen beslissing en voorts geldt dat de verdediging door afwijzing van het verzoek niet in haar verdediging wordt geschaad.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat de verdachte wederrechtelijk het blikje Red Bull heeft weggenomen. De rechtbank acht daarmee wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de diefstal heeft gepleegd, zoals is tenlastegelegd.

Ten aanzien van zaak C

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde diefstal van een bromfiets. De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht de verdachte integraal vrij te spreken, nu niet is vast komen te staan of het de verdachte is geweest die op de bromfiets heeft gereden.

De rechtbank stelt vast dat het de verdachte is geweest die op 20 april 2025 op een gestolen bromfiets heeft gereden. De rechtbank baseert zich daarbij op de bevindingen van verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] , die in eerste instantie een persoon op de bromfiets zien rijden. Later zien zij dezelfde persoon op de bromfiets rijden die daarna ten val komt. Na een achtervolging – waarbij zij de persoon weer kort uit het oog verloren – houden de verbalisanten de persoon aan en wordt deze geïdentificeerd als de verdachte. Het slot van de bromfiets bleek te zijn uitgeboord.

Anders dan de verdediging stelt, is door de verbalisanten toereikend gemotiveerd waarom de bestuurder van de scooter en de uiteindelijk aangehouden verdachte een en dezelfde persoon zijn. De verbalisanten hebben immers in een kort tijdsbestek telkens dezelfde persoon gezien die uiteindelijk wordt geïdentificeerd als de verdachte. Daarnaast geldt dat de verbalisanten de bestuurder van de bromfiets de eerste keer recht in het gezicht hebben aangekeken en bij hem rode accenten bij zijn kraag hebben gezien. Bij zijn aanhouding blijkt verdachte onder zijn zwarte jas een rode onderjas te dragen. Ook de leeftijd en huidskleur van de verdachte komt overeen met het signalement van de persoon in eerste instantie. Daarbij komt nog dat de verdachte gehurkt tussen twee auto’s wordt aangetroffen, op een tijdstip gelegen in de vroege ochtend, terwijl de verbalisanten geen andere personen in de buurt hadden aangetroffen. Dat de verbalisanten niet hebben aangegeven aan welke kenmerken zij verdachte hebben herkend als degene die de bromfiets bestuurde, maakt het niet anders. Het gaat er hier om dat de verbalisanten de verdachte hebben herkend als dezelfde persoon die zij kort daarvoor duidelijk hebben kunnen zien als de bestuurder van de bromfiets. Het gaat er niet om dat de verbalisanten verdachte hebben herkend van een staande houding of aanhouding op een andere dag en op een andere plaats. Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsvrouw.

vrijspraak diefstal

De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan primair ten laste gelegde diefstal van de bromfiets. Hoewel de verdachte heeft gereden op een bromfiets die de dag ervoor gestolen was, is op basis van het dossier niet vast te stellen dat de verdachte bij de diefstal betrokken is geweest.

opzetheling

De rechtbank overweegt voorts dat de verdachte, gelet op de omstandigheid dat het contactslot van de bromfiets was uitgeboord, moet hebben geweten dat hij op een gestolen bromfiets reed. De rechtbank is daarom van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair ten laste gelegde opzetheling van een bromfiets.

Ten aanzien het in zaak D onder feit 1 en 2 ten laste gelegde

Inleiding

De volgende feiten en omstandigheden hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag dienen.

Aangever [slachtoffer 2] is taxichauffeur en heeft op 20 maart 2025 de verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte 1] en getuige [naam getuige] vervoerd in een taxi vanaf het Amstelstation naar station Amsterdam Lelylaan. De passagiers hebben bij aankomst zonder te betalen de taxi verlaten en zijn vervolgens weggerend. Daarop is de aangever de drie passagiers achterna gerend. De telefoon van de verdachte is tijdens het wegrennen op de grond gevallen waarna de aangever deze heeft opgeraapt.

De aangever heeft verklaard dat de twee mannelijke passagiers daarna beiden een vuurwapen op hem hebben gericht. Hierop heeft de aangever de telefoon naar de verdachte gegooid, waarna de lichtgetinte mannelijke passagier hem met een vuurwapen dat van ijzer was en zwaar aanvoelde, in het gezicht heeft geslagen. De verdachte heeft echter verklaard dat hij tegen de aangever zei dat hij zijn telefoon terug moest geven, waarop de aangever de telefoon teruggooide.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte 1] de aangever zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht dan wel een poging daartoe heeft gedaan en hem heeft bedreigd zoals hem respectievelijk onder feit 1, primair en subsidiair en onder feit 2 ten laste is gelegd.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het de verdachte is geweest die de aangever in zijn gezicht heeft geslagen met een vuurwapen, maar dat daarmee gelet op de ernst van het letsel geen sprake is van het medeplegen van zware mishandeling, zoals onder feit 1 primair ten laste is gelegd. De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde medeplegen van een poging tot zware mishandeling en het onder feit 2 ten laste gelegde medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om de verdachte vrij te spreken van het onder feit 1 en 2 ten laste gelegde, nu niet kan worden bewezen dat de verdachte een vuurwapen heeft gehad en evenmin dat hij de aangever heeft geslagen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt als volgt. Tot en met het moment dat de aangever de telefoon van de verdachte in handen krijgt, komt de verklaring van de aangever [slachtoffer 2] grotendeels overeen met die van de verdachte. Daarna lopen de verklaringen uiteen. De rechtbank oordeelt dat de verklaring van de verdachte dat de aangever de telefoon had teruggegooid nadat de verdachte hem dat had geboden, dat de aangever de achtervolging daarna had gestaakt en dat het letsel bij de aangever op andere wijze is ontstaan, niet aannemelijk is geworden en geen steun vindt in enig ander bewijs. Daar staat tegenover dat de rechtbank geen aanleiding ziet om te twijfelen aan de verklaring van de aangever.

De rechtbank acht in dit verband nog relevant dat getuige [naam getuige] in eerste instantie heeft verklaard dat het letsel was ontstaan door geweld uitgeoefend door een andere groep jongens, terwijl zij later tegenover de rechter-commissaris heeft verklaard dit te hebben verzonnen. De rechtbank verwerpt daarom het door de verdediging geschetste alternatieve scenario en acht bewezen dat het verdachte is geweest die, net als medeverdachte [medeverdachte 1] , een vuurwapen op de aangever heeft gericht, en tegen de aangever heeft gezegd “wat moet je” en vervolgens aangever met het vuurwapen in het gezicht heeft geslagen.

feit 1

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het letsel van aangever [slachtoffer 2] niet te kwalificeren is als zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank spreekt de verdachte dan ook vrij van de primair ten laste gelegde zware mishandeling.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling van aangever [slachtoffer 2] en overweegt daartoe als volgt. Het slaan met een zwaar metalen voorwerp in het gezicht roept de aanmerkelijke kans in het leven dat een slachtoffer daardoor zwaar lichamelijk letsel oploopt, zoals letsel aan het oog, het jukbeen of aan de hersenen. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte – door te handelen zoals hij heeft gedaan – deze aanmerkelijke kans ook bewust heeft aanvaard, zodat sprake is van voorwaardelijk opzet op het intreden van zwaar lichamelijk letsel.

De rechtbank is van oordeel dat niet is vast komen te staan dat de verdachte de onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling ook in vereniging met medeverdachte [medeverdachte 1] of een ander heeft gepleegd. De rechtbank spreekt hem van het bestanddeel medeplegen dan ook vrij.

feit 2

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de verdachte zich, door een vuurwapen op de aangever te richten en hem de woorden “wat moet je” toe te voegen, schuldig heeft gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en zware mishandeling. Dit feit heeft de verdachte in vereniging met medeverdachte [medeverdachte 1] gepleegd, nu zowel de verdachte als de medeverdachte een vuurwapen op de aangever hebben gericht en deze gericht hebben gehouden.

Voortgezette handeling

De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van het onder feit 1 subsidiair en feit 2 ten laste gelegde sprake is van een voortgezette handeling. Voor de voortgezette handeling komt het erop aan of de verschillende bewezenverklaarde, elkaar in de tijd opvolgende gedragingen (ook met betrekking tot het “wilsbesluit”) zo nauw met elkaar samenhangen dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt. Daarvan is hier sprake.

Alles overziende, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich op 20 maart 2025 schuldig heeft gemaakt aan de voortgezette handeling van de onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling en het onder feit 2 ten laste gelegde medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht tegen aangever [slachtoffer 2] .

Ten aanzien het in zaak D onder feit 3 ten laste gelegde

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich op 21 mei 2025 schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden van een vuurwapen van categorie III van de Wet wapens en munitie.

Ten aanzien van het in zaak E ten laste gelegde

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich op 20 september 2025 schuldig heeft gemaakt aan het aanwezig hebben van meer dan 30 gram hasjiesj.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bewijsmiddelen vervatte feiten en omstandigheden bewezen dat

In zaak A:

2.

hij op 31 augustus 2024 te Amsterdam openlijk, te weten aan Hoekenrode, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen meerdere personen, te weten [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] , door

- voornoemde [benadeelde partij 2] bij de enkels te pakken en op te tillen, als gevolg waarvan

hij ten val is gekomen en

- voornoemde [benadeelde partij 2] , terwijl hij op de grond ligt, meerdere malen tegen het

hoofd en/of het lichaam te trappen en/of schoppen, en

- voornoemde [benadeelde partij 1] meerdere malen tegen het hoofd te slaan en/of stompen, en

- voornoemde [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 1] een flying kick, althans een trap vanuit de

lucht, te geven, en

- voornoemde [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 1] meerdere malen tegen het hoofd en/of

lichaam te trappen en/of schoppen, en

- voornoemde [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of stompen;

In zaak B:

hij op 8 juli 2024 te Amsterdam een blikje Red Bull dat aan Albert

Heijn (gevestigd op Bijlmerplein 526 te Amsterdam) toebehoorde heeft weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

In zaak C:

hij in de periode van 19 april 2025 tot en met 20 april 2025 te Amsterdam een bromfiets (merk: Piaggo Fly) met kenteken [kenteken] voorhanden heeft gehad terwijl hij

ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

In zaak D:

1.

hij op 20 maart 2025 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met

kracht met een vuurwapen heeft geslagen tegen het gezicht van voornoemde

[slachtoffer 2] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 20 maart 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een andere [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en met zware mishandeling,

door twee, vuurwapens op korte afstand te tonen en te richten op voornoemde [slachtoffer 2] en daarmee in de richting te lopen van voornoemde [slachtoffer 2] en tegen voornoemde [slachtoffer 2] te zeggen; “Wat moet je”;

3.

hij in de periode van 20 maart 2025 tot en met 21 mei 2025 te Amsterdam een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een gaspistool, van het merk Umarex Sportwaffen GmbH & Co KG, type Glock 17 Gen 5, kaliber 9 MM P.A.K. zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad;

In zaak E:

hij op 20 september 2025 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk

aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj), zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6. Strafbaarheid van het feit

Ten aanzien van het in zaak B, C, D en E bewezen geachte

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Ten aanzien van het in zaak A onder 2 bewezen geachte

De raadsrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De verdachte werd als eerste aangevallen en handelde vervolgens uit noodweer.

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de gedragingen van aangever [benadeelde partij 2] weliswaar worden gekwalificeerd als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar is op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet aannemelijk geworden dat de situatie zodanig is geweest dat de gedragingen van de verdachte geboden waren door de noodzakelijke verdediging. Daartoe overweegt de rechtbank dat de verdachte zich in eerste instantie had mogen verdedigen tegen de aanranding door aangever [benadeelde partij 2] . De verdachte heeft echter ook na dit moment, terwijl anderen ook in gevecht waren geraakt met de aangevers, klappen gegeven en aangever [benadeelde partij 2] op de grond gegooid. Op dat moment was geen sprake meer van noodzakelijke verdediging, omdat de verdachte zich ook aan de situatie had kunnen onttrekken c.q. zich had kunnen onthouden van het plegen van geweld zonder dat dat gevaar opleverde voor eigen of eens anders lijf. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de verdediging en acht het in zaak A onder feit 2 bewezen geachte eveneens voor de wet strafbaar.

7. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straffen en maatregelen

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 240 dagen waarvan 208 voorwaardelijk, met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad, en een werkstraf voor de duur van 200 uren.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van de bewezen

feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht en een poging zware mishandeling van een taxichauffeur. Nadat de verdachte en zijn twee vrienden een taxirit hadden geboekt bij aangever [slachtoffer 2] , zijn zij uitgestapt en weggerend zonder te betalen. Toen de aangever achter hen aan rende en de gevallen telefoon van de verdachte oppakte, is de verdachte samen met één van zijn vrienden teruggelopen in de richting van de aangever. Zowel de verdachte als zijn vriend hebben toen een vuurwapen getrokken en hebben de aangever hiermee bedreigd door het vuurwapen te tonen en te zeggen ‘wat moet je dan’. Vervolgens heeft de verdachte met het vuurwapen uitgehaald en de aangever hierbij in het gezicht geraakt. Hieraan heeft de aangever flink letsel opgelopen in zijn gezicht. Het feit heeft diepe indruk op de aangever gemaakt en hij heeft hier tot op de dag van vandaag nog last van. De verdachte heeft een onaanvaardbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de aangever. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

Ook heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan openlijk geweld. Hij heeft samen met anderen fors geweld gebruikt tegen [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] waarbij [benadeelde partij 2] ook tegen het hoofd is geschopt. Het is heel gevaarlijk om iemand tegen het hoofd te schoppen. Gelukkig heeft hij hieraan geen ernstig fysiek letsel overgehouden. Hoe dan ook heeft de verdachte, ook in deze zaak, de lichamelijke integriteit van personen ernstig geschonden. Daarnaast veroorzaken dergelijke gevallen van openlijk geweld gevoelens van onveiligheid in de samenleving, zeker nu het is gebeurd op het Bijlmerplein waar zich doorgaans veel mensen bevinden die ongewild getuige zijn geweest van dit geweld.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan zowel het bezit van verboden wapens als het bezit van verboden verdovende middelen. Die goederen zijn niet voor niets verboden. Het wapen dat de verdachte voorhanden had, kan voor allerlei misdrijven worden gebruikt en dat gebeurt in de praktijk ook. De verdovende middelen die de verdachte in zijn bezit had, zijn voor de gezondheid gevaarlijke stoffen die de gebruikers ernstige schade kunnen toebrengen. Daarmee wordt ook de maatschappij als geheel schade toegebracht. Hoewel het handelen in verdovende middelen niet is ten laste gelegd of bewezen verklaard, heeft het er alle schijn van dat verdachte zich bezigheid met de handel in verdovende middelen. Die handel gaat in de praktijk met allerlei vormen van georganiseerde criminaliteit gepaard en daarom moet daartegen, evenals tegen het aanwezig hebben van die verdovende middelen, worden opgetreden.

Tenslotte heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal. Winkeldiefstallen zijn vervelende feiten die leiden tot financiële schade voor de winkel, maar ook tot gevoelens van onveiligheid bij zowel het personeel als de klanten die zich in de winkel bevinden.

De rechtbank houdt bij het opleggen van de straf ook rekening met de houding van de verdachte. De verdachte heeft zowel in het voortraject als op zitting weinig verantwoordelijkheidsbesef getoond voor hetgeen hij heeft gedaan. Bij de bespreking van de feiten bagatelliseerde hij zijn rol en legde hij de verantwoordelijkheid iedere keer buiten zichzelf. De rechtbank heeft dit als zodanig benoemd op zitting en heeft hierover zorgen.

Eerdere veroordeling

De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie van 4 augustus 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte reeds eerder is veroordeeld voor geweldsfeiten. Hiermee houdt de rechtbank rekening. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, nu de verdachte bij dit vonnis zal worden veroordeeld voor feiten die zijn gepleegd voordat de verdachte op 4 augustus 2026 per strafbeschikking een straf opgelegd heeft gekregen.

Persoon en persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van de volgende rapportages, die in het kader van de persoonlijke omstandigheden van verdachte zijn opgemaakt:

De Raad ziet dat verdachte in de afgelopen periode een redelijk positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. Verdachte woont sinds november 2025 bij Wonen Met Kansen (WMK) en zijn moeder blijft bij hem betrokken. Dit zijn beschermende en steunende factoren. Bij de Raad zijn er nog wel zorgen over de verdachte. Hij blijkt niet altijd in staat om verantwoordelijkheid te nemen voor zijn eigen handelen. Dit is de rechtbank ter zitting ook opgevallen. Ook heeft de verdachte nog veel ondersteuning nodig bij het maken van passende afspraken en het nakomen van gemaakte afspraken.

Uit het Pro Justitia onderzoek komt naar voren dat bij de verdachte sprake is van een verstandelijke ontwikkelingsstoornis, ADHD, een normoverschrijdende gedragsstoornis, een ernstige stoornis in het gebruik van cannabis, een ongespecificeerde psychotrauma- of stressorgerelateerde stoornis en een bedreigde persoonlijkheidsstoornis met antisociale kenmerken. Eveneens is sprake van een disharmonisch intelligentieprofiel. De onderzoekers komen tot het advies van een voorwaardelijke PIJ-maatregel.

Sinds oktober 2024 is De Waag betrokken bij de verdachte. Waar de behandeling bij De Waag in eerste instantie niet van de grond kwam omdat de verdachte niet wilde meewerken, is hierin sinds mei 2026 verandering gekomen. Inmiddels voert de verdachte wekelijks gesprekken met de behandelaar. De Raad vindt intensieve begeleiding noodzakelijk zodat verdachte zich aan de afspraken en voorwaarden houdt. De Raad en ook de behandelaar van De Waag staan niet achter het advies van het Pro Justitia rapport om een voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. Naar verwachting zal dit ongunstig zijn voor de ontwikkeling van verdachte, omdat de kans aanzienlijk is dat hij dan alsnog in een PIJ-maatregel terecht zou komen omdat verwacht wordt dat hij de afspraken met onder andere De Waag niet (steeds) zal na komen. De Raad acht het van belang dat verdachte zo lang mogelijk wordt omringd door steunende personen, omdat een langdurige plaatsing in een gesloten setting het risico op een negatieve ontwikkeling zou kunnen vergroten. Ook de WSS die betrokken is bij de verdachte en het gezin, sluit zich hierbij aan. De Raad adviseert daarom een werkstraf op te leggen in combinatie met een voorwaardelijke jeugddetentie waarbij een maatregel van Toezicht en Begeleiding is geïndiceerd, omdat verdachte – ondanks zijn inmiddels meerderjarige leeftijd – nog lang behoefte zal blijven houden aan intensieve ondersteuning en begeleiding.

De rechtbank is met de Raad, de behandelaar van De Waag, de WSS en de officier van justitie van oordeel dat het opleggen van een voorwaardelijke PIJ-maatregel niet passend is bij de situatie van verdachte en sluit zich daarom aan bij de door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden. De rechtbank zal die voorwaarden aan verdachte opleggen in combinatie met een onvoorwaardelijke werkstraf en een gedeeltelijk voorwaardelijke jeugddetentie. De rechtbank acht het niet in het belang van de verdachte en de samenleving dat de verdachte nu terugkeert naar de jeugdgevangenis, en zal daarom bij het bepalen van de hoogte van de onvoorwaardelijke jeugddetentie geen andere duur opleggen dan de duur van het door de verdachte reeds ondergane voorarrest.

Alles overwegende acht de rechtbank een jeugddetentie voor de duur van 130 dagen, waarvan 120 dagen voorwaardelijk, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad, passend en geboden. Daarnaast vindt de rechtbank dat de verdachte een werkstraf moet uitvoeren voor de duur van 120 uur.

9. Vorderingen benadeelde partijen

Ten aanzien van het in zaak A bewezen geachte

Benadeelde partij [benadeelde partij 2]

In zaak A heeft [benadeelde partij 2] zich gevoegd als benadeelde partij. De benadeelde partij vordert

€ 39.157,83,- aan materiële schade, waarvan 38.755,45,- aan inkomstenderving, € 385,- aan eigen risico van 2024 en € 17,38 eigen risico van 2025. Daarnaast vordert de benadeelde partij € 2.500,- aan immateriële schade. De benadeelde partij verzoekt de gevorderde bedragen toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente. In verband met de mogelijkheid van het instellen van het hoger beroep door de verdachte, waarbij geen mogelijkheid meer bestaat tot het verhogen van de vordering, heeft de benadeelde partij € 100.000 euro verzocht. Ter terechtzitting heeft de advocaat van de benadeelde partij verzocht de benadeelde partij voor wat betreft deze verhoging niet-ontvankelijk te verklaren.

De hoogte van de vorderingen is betwist, althans is verzocht om matiging.

Het staat vast dat de benadeelde partij door het in zaak A bewezen geachte rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De rechtbank zal hieronder de verschillende posten behandelen.

Gederfde inkomsten

De benadeelde partij heeft een cateringbedrijf en heeft gesteld dat hij als gevolg van het bewezen geachte winst is misgelopen. Daaraan heeft de benadeelde financiële stukken ten grondslag gelegd en ter onderbouwing aangevoerd dat verschillende opdrachten in het drukke festivalseizoen geen doorgang hebben kunnen vinden. De rechtbank overweegt dat deze rechtbank bij vonnis van 7 november 2025 in de zaak van medeverdachte [medeverdachte 2] de vordering van de benadeelde partij heeft afgewezen. Daartoe overwoog de rechtbank destijds dat niet is onderbouwd dat geplande cateringopdrachten daadwerkelijk bevestigd zouden zijn door opdrachtgevers en dat andere werknemers van het bedrijf het werk niet konden overnemen. Gelet hierop lag het op de weg van de benadeelde partij om de vordering nader te onderbouwen, hetgeen is nagelaten. De rechtbank wijst dan ook de vordering ook in dit geval af.

Kosten eigen risico

De rechtbank is van oordeel dat vast is komen te staan dat de benadeelde partij kosten voor het eigen risico heeft moeten betalen als gevolg van in zaak A onder feit 2 bewezen geachte. De rechtbank zal de vordering voor wat betreft deze schadepost dan ook toewijzen.

Immateriële schade

Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De aard en de ernst van de normschending brengen mee dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon in de zin van art. 6:106, aanhef en onder b, BW kan worden aangenomen.

De rechtbank betrekt bij het vaststellen van de hoogte van de schade ook dat de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden voor een gedeelte te wijten zijn aan de benadeelde partij zelf. Zo was het de benadeelde partij die als eerste een klap uitdeelde aan de verdachte.

Op grond van de gestelde omstandigheden, rekening houdend met vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend en gecorrigeerd voor het aandeel van de benadeelde partij in het conflict, acht de rechtbank een bedrag van € 500,- als vergoeding voor de geleden immateriële schade billijk en toewijsbaar. De rechtbank zal daarom de vordering inzake de immateriële schade tot een bedrag van € 500,- toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade. Voor het overige wijst de rechtbank de vordering af.

Verhoging

De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor wat betreft de gevorderde € 100.000,- aan verhoging in verband met een eventueel hoger beroep niet-ontvankelijk.

Hoofdelijkheid

De rechtbank zal bepalen dat de schadevergoeding hoofdelijk wordt opgelegd. De verdachte is daarmee niet tot vergoeding gehouden voor zover het toewijsbare reeds door een mededader aan de benadeelde partij is voldaan.

Schadevergoedingsmaatregel

In het belang van de benadeelde wordt de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd. Vanwege het uitgangspunt dat geen gijzeling wordt opgelegd aan verdachten die volgens het jeugdstrafrecht worden berecht, zal de rechtbank de maximale duur van de gijzeling bepalen op 0 dagen.‬‬‬‬‬‬

Benadeelde partij [benadeelde partij 1]

In zaak A heeft [benadeelde partij 1] zich gevoegd als benadeelde partij. De benadeelde partij vordert € 2.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. In verband met de mogelijkheid van het instellen van hoger beroep door de verdachte, waarbij geen mogelijkheid meer bestaat tot het verhogen van de vordering, heeft de benadeelde partij € 100.000 verzocht. Ter terechtzitting heeft de advocaat van de benadeelde partij verzocht de vordering voor wat betreft deze verhoging de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren.

De hoogte van de vorderingen is betwist, althans is verzocht om matiging.

Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De aard en de ernst van de normschending brengen mee dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon in de zin van art. 6:106, aanhef en onder b, BW kan worden aangenomen.

Op grond van de door de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, acht de rechtbank een bedrag van € 750,- als vergoeding voor de geleden immateriële schade billijk en toewijsbaar. De rechtbank zal daarom de vordering inzake de immateriële schade tot een bedrag van € 750,- toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade. Voor het overige wijst de rechtbank de vordering af.

Verhoging

De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor wat betreft de gevorderde € 100.000,- aan verhoging in verband met een eventueel hoger beroep niet-ontvankelijk.

Hoofdelijkheid

De rechtbank zal bepalen dat de schadevergoeding hoofdelijk wordt opgelegd. De verdachte is daarmee niet tot vergoeding gehouden voor zover het toewijsbare reeds door een mededader aan de benadeelde partij is voldaan.

Schadevergoedingsmaatregel

In het belang van de benadeelde wordt de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd. Vanwege het uitgangspunt dat geen gijzeling wordt opgelegd aan verdachten die volgens het jeugdstrafrecht worden berecht, zal de rechtbank de maximale duur van de gijzeling bepalen op 0 dagen.‬‬‬‬‬‬

Benadeelde partij [benadeelde partij 3]

In zaak A heeft [benadeelde partij 3] zich gevoegd als benadeelde partij. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 383,16 voor geleden materiële schade en € 3.000,- voor geleden immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. In verband met de mogelijkheid van het instellen van het hoger beroep door de verdachte, waarbij geen mogelijkheid meer bestaat tot het verhogen van de vordering, heeft de benadeelde partij om een schadevergoeding van € 100.000 verzocht.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren, nu de verdachte wordt vrijgesproken van het plegen van openlijk geweld tegen [benadeelde partij 3] .

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

In zaak C heeft [slachtoffer 1] zich gevoegd als benadeelde partij. De benadeelde partij heeft geen geldbedrag gevorderd. De rechtbank zal hem daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering.

Benadeelde partij [slachtoffer 2]

In zaak D heeft [slachtoffer 2] zich gevoegd als benadeelde partij. De benadeelde partij vordert € 385,- aan materiële schade, bestaande uit het eigen risico voor ziektekosten, en € 4.000,- aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft verzocht het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente.

De hoogte van de vorderingen is betwist, althans is verzocht om matiging.

Het staat vast dat de benadeelde partij door het in zaak D onder feit 1 bewezen geachte rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat tevens vast is komen te staan dat de benadeelde partij kosten voor het eigen risico heeft moeten betalen. De rechtbank zal de vordering voor wat betreft de materiële schade dan ook toewijzen.

Immateriële schade

Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De aard en de ernst van de normschending brengen mee dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon in de zin van art. 6:106, aanhef en onder b, BW kan worden aangenomen.

Op grond van de door de benadeelde partij aangevoerde omstandigheden en rekening houdend met vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend acht de rechtbank een bedrag van € 2.500,- als vergoeding voor de geleden immateriële schade billijk en toewijsbaar. De rechtbank zal daarom de vordering inzake de immateriële schade tot een bedrag van € 2.500,- toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade. Voor het overige wijst de rechtbank de vordering af.

Schadevergoedingsmaatregel

In het belang van de benadeelde wordt de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd. Vanwege het uitgangspunt dat geen gijzeling wordt opgelegd aan verdachten die volgens het jeugdstrafrecht worden berecht, zal de rechtbank de maximale duur van de gijzeling bepalen op 0 dagen.‬‬‬‬‬‬

10. Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gepersisteerd bij de vordering. De verdediging heeft verzocht de vordering af te wijzen, gelet op de gevorderde vrijspraken.

Bij de stukken bevindt zich de op 20 november 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13-115630-23, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 7 december 2023 van de meervoudige strafkamer te Amsterdam, waarbij verdachte onder meer is veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 140 uren subsidiair 70 dagen jeugddetentie, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Het is de rechtbank gebleken dat de verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De verdachte heeft een kans gehad toen hij voor geweldsfeiten veroordeeld werd tot een voorwaardelijke werkstraf. In zijn proeftijd heeft hij zich opnieuw schuldig gemaakt aan geweldsfeiten. De rechtbank ziet daarin aanleiding de tenuitvoerlegging van dat voorwaardelijke strafdeel te gelasten.

11. Beslag

Tijdens het onderzoek naar het in zaak C ten laste gelegde is een stuk munitie (knalpatroon) met goednummer PL1300-2025094736-6645956 in beslag genomen.

De rechtbank zal de onttrekking van het stuk munitie bevelen, nu het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

12. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 36b, 36d, 36f, 45, 47, 56, 63, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141, 285, 302, 310 en 416 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.

13. Beslissing

1 en 2.

De rechtbank:

Verklaart het in zaak A onder 1, het in zaak C primair en het in zaak D, onder 1, primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het in zaak A onder feit 2, het in zaak B, het in zaak C subsidiair, het in zaak D, onder 1, subsidiair, 2 en 3 en het in zaak E ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

In zaak A:

2.

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen

In zaak B:

diefstal

In zaak C:

opzetheling

In zaak D:

De voortgezette handeling van

poging tot zware mishandeling

en

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling

3.

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

In zaak E:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 130 (honderddertig) dagen.

Beveelt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden,

Beveelt dat een gedeelte, groot 120 (honderdtwintig) dagen, van deze jeugddetentie niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt de proeftijd vast op 2 (twee) jaar onder de algemene voorwaarde dat veroordeelde

• zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarden dat veroordeelde:

• blijft meewerken aan het behouden van een zinvolle dagbesteding (werk/opleiding);

• blijft meewerken aan de behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling;

• zal verblijven bij Wonen Met Kansen of een soortgelijke instelling;

• meewerkt aan de hulpverlening die door de jeugdreclassering nodig wordt geacht.

Van rechtswege gelden tevens de voorwaarden dat veroordeelde:

• ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

• zijn medewerking zal verlenen aan het door de reclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. De veroordeelde is daarbij van rechtswege verplicht zijn medewerking te verlenen aan het vaststellen van zijn identiteit en aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren bestaande uit een werkstraf.

Beveelt dat, als verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 60 (zestig) dagen.

Benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk, hoofdelijk toe tot een bedrag van € 902,38 (negenhonderdtwee euro en achtendertig cent) bestaande uit € 402,38 aan materiële schade en € 500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (31 augustus 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [benadeelde partij 2] het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve

van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde partij 2] , te betalen de som van € 902,38 (negenhonderdtwee euro en achtendertig cent) bestaande uit € 402,38 aan materiële schade en € 500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (31 augustus 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald.

Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.

Bepaalt dat, indien en voorzover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij 2] voor wat betreft de verhoging van € 100.000,- niet-ontvankelijk is in de vordering.

Wijst de vordering van [benadeelde partij 2] voor het overige af.

Benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk, hoofdelijk toe tot een bedrag van € 750,- (zevenhonderdvijftig euro) bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (31 augustus 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [benadeelde partij 1] het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve

van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde partij 1] , te betalen de som van € 750,- (zevenhonderdvijftig euro) bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (31 augustus 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald.

Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.

Bepaalt dat, indien en voorzover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij 1] voor wat betreft de verhoging van € 100.000,- niet-ontvankelijk is in de vordering.

Wijst de vordering van [benadeelde partij 1] voor het overige af.

Benadeelde partijen [benadeelde partij 3] en [slachtoffer 1]

Bepaalt dat de benadeelde partijen [benadeelde partij 3] en [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen.

Compenseert de proceskosten van de benadeelde partijen en de verdachte, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt.

Benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 2.885,- (tweeduizendachthonderdvijfentachtig euro) bestaande uit € 385,- aan materiële schade en € 2.500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (20 maart 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer 2] het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve

van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] , te betalen de som van € 2.885,- (tweeduizendachthonderdvijfentachtig euro) bestaande uit € 385,- aan materiële schade en € 2.500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (20 maart 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald.

Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.

Bepaalt dat, indien en voorzover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [slachtoffer 2] voor het overige af.

Beslag

Verklaart 1 STK Munitie met voorwerpnummer PL1300-2025094736-6645956 onttrokken aan het verkeer.

Vordering tenuitvoerlegging

Beveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 20 november 2025 (parketnummer: 13-115630-23) opgelegde voorwaardelijke straf, zijnde een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 140 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 70 dagen.

Voorlopige hechtenis

Heft op de geschorste bevelen tot voorlopige hechtenis.

Voorwaardelijk getuigenverzoek

Wijst af het verzoek tot het horen van getuigen in zaak B.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.F. de Lemos Benvindo, voorzitter tevens kinderrechter,

mrs. J.W.B. Snijders Blok en S. Groot, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. T. Bongenaar, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 augustus 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. C.F. de Lemos Benvindo

Griffier

  • mr. T. Bongenaar

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand