RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/779000 / HA ZA 25-1727
Vonnis van 22 juli 2026
in de zaak van
TBILISI CENTRAL PLAZA B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: TCP,
advocaat: mr. R.W.L. Russell,
tegen
[gedaagde partij] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
advocaat: mr. J.H.N. Vogelsang.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 28 april 2025 met producties,- de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring met productie 1 van 6 augustus
2025,
- de conclusie van antwoord in het incident van 20 augustus 2025,
- het vonnis in het incident van de rechtbank Midden-Nederland van 22 oktober 2025, waarbij de zaak is verwezen naar de rechtbank Amsterdam,
- de conclusie van antwoord van 7 januari 2026, met producties,
- het tussenvonnis van 18 februari 2026, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 21 mei 2026.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
[gedaagde partij] is de bestuurder van de naamloze vennootschap First Alliance Trust N.V. (hierna: FAT). FAT legt zich toe op het bedrijfsmatig verlenen van trustdiensten.
Ten tijde hier van belang was de besloten vennootschap N.M.T. Holding B.V. (hierna: NMT) enig aandeelhouder van FAT. De besloten vennootschap J.V.V. Holding B.V. (hierna: JVV) is thans enig aandeelhouder van FAT. [gedaagde partij] is de bestuurder van JVV.
Op basis van een in juni 2006 door FAT met de uiteindelijk belanghebbenden van TCP gesloten overeenkomst, was [gedaagde partij] van 13 september 2007 tot en met 24 december 2008 statutair directeur van TCP. In die periode is, zonder dat de uiteindelijk belanghebbenden van TCP daarvan op de hoogte waren, van de bankrekening van TCP bij Fortis een bedrag van in totaal USD 4.070.023,- naar JVV overgemaakt. JVV heeft daarmee crediteuren van FAT en NMT betaald.
Op enig moment is er tussen JVV en TCP een leningsovereenkomst opgesteld, waarin JVV met ingang van 1 januari 2008 een bedrag van USD 4.000.000,- van TCP leent, tegen een rentepercentage van 9% (hierna: de leningsovereenkomst). In de leningsovereenkomst staat, voor zover hier van belang, het volgende:
2. The Loan shall be due and payable within fourteen days after first request of Lender but not later then December 31, 2008 (the “maturity Date”), together with all accrued and unpaid interest thereon.
Begin november 2008 is door de uiteindelijk belanghebbenden van TCP ontdekt dat het voornoemde bedrag USD 4.070.023,- van de bankrekening van TCP was onttrokken. In een e-mail van 6 november 2008 heeft [gedaagde partij] de verantwoordelijkheid daarvoor op zich genomen en terugbetaling belooft.
Op 12 november 2008 heeft TCP met NMT, FAT en [gedaagde partij] een overeenkomst gesloten waarin, voor zover hier van belang, het volgende staat:
Wheraes:
- TCP and FAT concluded a Management Agreement related to trust services, including but not limited to providing for a natural person to be appointed as director of TCP.
- TCP, FAT and the Ultimate Beneficiary Owners of TCP concluded a Principal Party Agreement related to the Management Agreement.
- [gedaagde partij] has been appointed as director of TCP on behalf of FAT.
- [gedaagde partij] , in his capacity of director of TCP, took an amount of US$ 4,070,203, from the bank account of TCP without the approval of the Ultimate Beneficiary Owners of TCP and used this amount to pay of creditors of FAT and NMT.
- NMT, FAT and [gedaagde partij] are personally and severally liable for the repayment of the amount of US$ 4,070,203,- and the parties wish to make the following arrangement for repayment.
Have agreed as follows:
Article 1
NMT, FAT and [gedaagde partij] are jointly and severally liable for the repayment of the full amount of US$ 4,070,203 increased with interest of 9% ultimately on 21 November 2008. If this amount has not been received by TCP in time or only partial payment has been received then a penalty interest on the outstanding amount shall accrue. This penalty interest shall be a simple interest at 20% per annum calculated on a daily basis, 1/366.
Artikel 2
Any amount paid by NMT, FAT and [gedaagde partij] shall be deducted from the interest and subsequently go to reduce the principal sum.
Artikel 3
In case of non payment or partial payment on the due date of 21 November 2008, NMT, FAT and [gedaagde partij] shall be severally liable for all cost, including but not limited to legal fees, related to the recovery by TCP of the amount due.
In een e-mail van 1 december 2011 heeft TCP onder meer het volgende aan [gedaagde partij] meegedeeld:
Dear Mr. [gedaagde partij] ,
As Director of TCP I would like to inform you as follows:
(…)
The Beneficiaries of TCP informed me that they are very annoyed and have lost their patience. Time after time you are ignoring our request, come up with vague excuses and show a complete disregard for the interest of TCP. Given your current attitude, the shareholders suspect that you have no intention to ensure TCP gets its money back. This is unacceptable.
On behalf of the shareholders of TCP I now demand for the last time that you co-operate and take the necessary actions to ensure that TCP receives the money it is owed.
More specifically, we demand that you take the following actions within the timeframe set out below, as well as all further actions that are deemed necessary in the future by TCP.
(…)
If you do not explicitly commit to the above action list within 3 days from today, or fail to adhere to the action list, we shall take all the necessary actions to protect the interest of TCP. In that case we will take all possible actions against you and all entities involved, legal and otherwise, and will furthermore report the embezzlement of our funds to the relevant authorities, including the Dutch National Bank and the police.
Op 15 december 2011 is NMT failliet verklaard.
Op 10 mei 2012 zijn [gedaagde partij] en TCP overeengekomen dat [gedaagde partij] als minnelijke regeling € 1.000,- per maand aan TCP zou betalen en TCP van informatie zou voorzien over onder meer teruggaven van de belastingdienst en claims op derden. In een e-mail van 28 juni 2012 heeft TCP aan [gedaagde partij] meegedeeld dat het beloofde maandelijkse bedrag van € 1.000,- niet is ontvangen en is gevraagd wanneer die betaling kan worden verwacht.
In een e-mail van 3 februari 2015 heeft TCP aan [gedaagde partij] onder meer gevraagd om een schriftelijke verklaring dat hij ten allen tijden aansprakelijk zou zijn voor de openstaande schuld. In een e-mail van 3 februari 2015 heeft [gedaagde partij] daar, voor zover hier van belang, als volgt op gereageerd:
As I will remain as the only party left, I will be liable.
Bij brieven van 4 augustus 2016 heeft TCP, onder verwijzing naar de overeenkomst van 12 november 2008 en de e-mail van 1 december 2011, aan FAT, JVV en [gedaagde partij] meegedeeld dat van de hoofdsom een bedrag van USD 3.147.976,94 resteert en dat dit bedrag vermeerdert met de contractuele boete een verschuldigd bedrag van USD 6.332.415,91 oplevert naar de stand van 31 december 2013. FAT, JVV en [gedaagde partij] zijn daarbij gesommeerd om dit bedrag binnen acht dagen aan TCP te betalen. Tevens is in die brief meegedeeld dat de brief als een stuiting van de verjaring heeft te gelden.
Bij brieven van 27 november 2020 heeft TCP, onder verwijzing naar de brieven van 4 augustus 2016, aan FAT, JVV en [gedaagde partij] onder meer meegedeeld dat TCP de aansprakelijkstelling handhaaft en nog altijd volledig verhaal van haar vorderingen nastreeft en dat de brief als stuiting van de verjaring heeft te gelden. In een e-mail van 30 november 2020 heeft [gedaagde partij] de ontvangst van deze brieven bevestigd.
Bij dagvaarding van 28 april 2025 is TCP de onderhavige procedure tegen [gedaagde partij] gestart.
Bij brieven van 20 november 2025 heeft TCP, onder verwijzing naar de brieven van 27 november 2020, aan FAT, JVV en [gedaagde partij] herhaalt dat zij nog altijd volledig verhaal van haar vorderingen nastreeft en is meegedeeld dat de brief als stuiting van de verjaring heeft te gelden.
3. Het geschil
TCP vordert - samengevat – voor zover mogelijk bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, dat de rechtbank:
primair:
I. voor recht verklaart dat [gedaagde partij] jegens TCP toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de overeenkomst van 12 november 2008,
II. [gedaagde partij] veroordeelt tot betaling van een bedrag van USD 3.147.976,94, vanaf 22 november 2008 te vermeerderen met de contractuele boete van 20% per jaar en de wettelijke rente vanaf 22 november 2008,
subsidiair:
III. voor recht verklaart dat [gedaagde partij] toerekenbaar is tekort geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen als bestuurder van TCP en dat hem daarvoor een ernstig persoonlijk verwijt gemaakt kan worden, zodat [gedaagde partij] gehouden is TCP schadeloos te stellen voor alle schade, inclusief rente en kosten,
IV. [gedaagde partij] veroordeelt tot betaling van een bedrag van USD 3.147.976,94, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 november 2008,
meer subsidiair:
V. voor recht verklaart dat [gedaagde partij] zichzelf ongerechtvaardigd heeft verrijkt door het vermogen van TCP aan zichzelf, althans zijn vennootschappen, uit te keren, en dat hij gehouden is de daardoor door TCP geleden schade te vergoeden,
VI. [gedaagde partij] veroordeelt tot betaling van een bedrag van USD 3.147.976,94, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 november 2008,
primair, subsidiair en meer subsidiair:
VII. [gedaagde partij] veroordeelt in de proceskosten.
[gedaagde partij] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Primair gaat het geschil over de overeenkomst die [gedaagde partij] op 12 november 2008 met TCP heeft gesloten. [gedaagde partij] (naast NMT en FAT) heeft daarin op zich genomen om uiterlijk op 21 november 2008 een bedrag van USD 4.070.203,- aan TCP te voldoen. TCP vordert nakoming daarvan. Niet in geschil is dat van dat te betalen bedrag een bedrag van USD 3.147.976,94 onbetaald is gebleven. Wel is in geschil de vraag of, zoals door [gedaagde partij] aangevoerd en door TCP betwist, de vordering tot betaling van dat bedrag, vermeerderd met contractuele boete en rente, inmiddels is verjaard. De rechtbank beantwoord die vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.
Is er sprake van borgtocht?
[gedaagde partij] stelt namelijk dat de overeenkomst van 12 november 2008 moet worden gekwalificeerd als een overeenkomst van borgstelling en dat op grond van artikel 7:853 BW de borgtocht teniet gaat door voltooiing van de verjaring van de rechtsvordering tot nakoming van de verbintenis van de hoofdschuldenaar. [gedaagde partij] stelt dat die hoofdschuldenaar hier JVV is op grond van de leningsovereenkomst en dat de vordering op JVV uit hoofde van de leningsovereenkomst is verjaard omdat de e-mail van TCP van 1 december 2011 de vordering op JVV niet heeft gestuit en dat dit tot gevolg heeft dat op het moment dat door TCP de stuitingsbrief van 4 augustus 2016 aan JVV werd geschreven de vordering op JVV al was verjaard. Door de verjaring van de vordering op JVV uit hoofde van de leningsovereenkomst, is ook de borgstelling van [gedaagde partij] voor de verplichtingen van JVV teniet gegaan, aldus [gedaagde partij] .
Ter onderbouwing dat de overeenkomst van 12 november 2008 moet worden gekwalificeerd als een overeenkomst van borgstelling voert [gedaagde partij] aan dat van borgtocht sprake is, ongeacht wat partijen in hun overeenkomst hebben opgenomen, wanneer een partij zich heeft verbonden om de schuld van een ander te voldoen en dat daarbij bepalend is of een schuldeiser weet dat de schuld de zekerheidsverstrekker niet aangaat. In dat kader voert [gedaagde partij] aan dat in de overeenkomst van 12 november 2008 drie partijen, waaronder [gedaagde partij] , zich hoofdelijk aansprakelijk hebben gesteld voor de terugbetaling van hetzelfde bedrag als genoemd in de leningsovereenkomst, [gedaagde partij] op geen enkele wijze geprofiteerd heeft van de overeenkomst van 12 november 2008, dat TCP in de stuitingsbrieven heeft gesteld dat [gedaagde partij] , NMT en FAT zich met de overeenkomst van 12 november 2008 garant hebben gesteld voor terugbetaling van het onrechtmatig toegeëigende bedrag en dat TCP in de dagvaarding stelt dat [gedaagde partij] , NMT en FAT zich met de overeenkomst van 12 november 2008 garant hebben gesteld voor een tijdelijke en volledige terugbetaling door JVV. Hieruit kan niet anders worden geconcludeerd dat hier aan de vereisten voor een borgstelling is voldaan, aldus steeds [gedaagde partij] .
TCP betwist dat de overeenkomst van 12 november 2008 als een overeenkomst van borgstelling moet worden beschouwd en stelt dat het om een overeenkomst van hoofdelijke verbondenheid gaat, waarin [gedaagde partij] zich (naast FAT en NMT) hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld voor de betaling van het bedrag van USD 4.070.023,-, zonder dat hij als borg optreedt voor het geval dat een andere partij zijn verplichtingen niet nakomt. Het gaat om een verbintenis ter aanvulling van de met JVV gesloten leningsovereenkomst, als extra zekerheid voor de terugbetaling van het geleende bedrag, aldus TCP.
In artikel 7:850, eerste lid, BW is borgtocht gedefinieerd als de overeenkomst waarbij de ene partij, de borg, zich tegenover de andere partij, de schuldeiser, verbindt tot nakoming van een verbintenis, die een derde, de hoofdschuldenaar, tegenover de schuldeiser heeft of zal krijgen.
De kern van de borgtocht ligt daarmee in de verhouding tussen borg en schuldeiser. De borg moet zich jegens de schuldeiser hebben verbonden tot nakoming van een verbintenis van een derde, de hoofdschuldenaar. Hij stelt zich derhalve niet aansprakelijk voor een eigen schuld.
Beoordeeld moet worden of de inhoud van de overeenkomst van 12 november 2008 voldoet aan de hiervoor bedoelde omschrijving van borgtocht. Of partijen daarbij de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van borgtocht te laten vallen, is daarbij niet doorslaggevend. Het gaat om de vraag of de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van borgtocht. Daaraan vooraf gaat de vraag welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. Die vraag dient te worden beoordeeld aan de hand van de zogenoemde Haviltex-maatstaf. Als met behulp van die maatstaf de overeengekomen rechten en verplichtingen zijn vastgesteld, wat een kwestie van uitleg is, kan worden beoordeeld of die overeenkomst de kenmerken heeft van een borgtocht.
[gedaagde partij] stelt dat hij, NMT en FAT zich in de overeenkomst van 12 november 2008 borg hebben gesteld voor de nakoming van de verbintenis van JVV jegens TCP uit hoofde van de leningsovereenkomst. Vastgesteld wordt echter dat de leningsovereenkomst van 22 februari 2008 niet wordt genoemd in de overeenkomst van 12 november 2008 (zie 2.5). Ook de naam van JVV komt in de overeenkomst van 12 november 2008 niet voor. In de “Whereas” van de overeenkomst van 12 november 2008 wordt slechts verwezen naar de overeenkomsten die TCP en FAT hebben gesloten voor het verlenen van trustdiensten aan TCP, dat op basis daarvan [gedaagde partij] als bestuurder van TCP is aangesteld en dat hij in die hoedanigheid zonder toestemming van de eigenaren van TCP een bedrag van USD 4.070.203,- van de bankrekening van TCP heeft opgenomen om daar crediteuren van FAT en NMT van te betalen. Verder staat daarin vermeld dat NMT, FAT en [gedaagde partij] persoonlijk en afzonderlijk aansprakelijk zijn voor de terugbetaling van het bedrag van USD 4.070.203. De “Whereas” gaan dus uit van een eigen betalingsverplichting/schuld van NMT, FAT en [gedaagde partij] aan TCP vanwege het zonder toestemming door [gedaagde partij] opnemen van geld van de rekening van TCP. Dit sluit aan bij de e-mail van [gedaagde partij] van 6 november 2008 waarin [gedaagde partij] de verantwoordelijkheid voor het onttrekken van het geld van de rekening van TCP op zich heeft genomen en terugbetaling heeft beloofd (zie 2.4).
Ook in artikel 1 van de overeenkomst van 12 november 2008, waarin de betalingsverplichting door NMT, FAT en [gedaagde partij] aan TCP nader is uitgewerkt, worden de leningsovereenkomst of JVV niet genoemd. Artikel 1 luidt:
NMT, FAT and [gedaagde partij] are jointly and severally liable for the repayment of the full amount of US$ 4,070,203 increased with interest of 9% ultimately on 21 November 2008. If this amount has not been received by TCP in time or only partial payment has been received then a penalty interest on the outstanding amount shall accrue. This penalty interest shall be a simple interest at 20% per annum calculated on a daily basis, 1/366.
Dat de betalingsverplichting van NMT, FAT en [gedaagde partij] afhankelijk is van de nakoming van JVV van de leningsovereenkomst en dat zij zich daaraan verbonden hebben, blijkt dus niet uit dit artikel. Daarin wordt slechts herhaald, zoals al in de “whereas” al stond vermeld, dat zij zelf “jointly and severally” aansprakelijk zijn voor de terugbetaling van het bedrag van USD 4.070.203,-, plus rente. Daar komt bij dat het bedrag waarvoor zij op grond van artikel 1 hoofdelijk aansprakelijk zijn hoger is dan het bedrag genoemd in de leningsovereenkomst. Op grond van de leningsovereenkomst dient JVV een bedrag van USD 4.000.000,-, plus rente, terug te betalen, terwijl de betalingsverplichting van NMT, FAT en [gedaagde partij] USD 4.070.203,- bedraagt. Belangrijker nog is evenwel dat de betalingsverplichting van NMT, FAT en [gedaagde partij] eerder ingaat dan die van JVV op grond van de leningsovereenkomst. Op grond van de overeenkomst van 12 november 2008 dienden NMT, FAT en [gedaagde partij] uiterlijk op 21 november 2008 JVV het bedrag van USD 4.070.203 aan TCP te betalen, terwijl JVV op grond van de leningsovereenkomst de lening uiterlijk op 31 december 2008 diende terug te betalen, ruim een maand later. Ook hieruit blijkt niet dat betalingsverplichting van NMT, FAT en [gedaagde partij] verbonden is aan de nakoming door JVV van de leningsovereenkomst. In dat geval zou de betalingsverplichting voor [gedaagde partij] , FAT en NMT immers pas op hetzelfde moment als dat van JVV ontstaan.
Op grond van het voorgaande wordt geoordeeld dat de in de overeenkomst van 12 november 2008 overeengekomen rechten en verplichtingen niet voldoen aan de wettelijke omschrijving van borgtocht en dat, zoals door TCP aangevoerd, deze overeenkomst moet worden uitgelegd als een overeenkomst van hoofdelijke verbondenheid, waarin [gedaagde partij] zich (naast FAT en NMT) hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld voor de betaling van het bedrag van USD 4.070.023,- aan TCP. Voor de vraag of die vordering is verjaard is dus niet belang of de vordering van TCP op JVV tijdig is gestuit, maar of de vordering die TCP op [gedaagde partij] heeft tijdig is gestuit.
Is de vordering tot nakoming verjaard?
De hier aan de orde zijnde primaire vordering van TCP is een vordering tot nakoming van een verbintenis. Een dergelijke vordering verjaart op grond van artikel 3:307, eerste lid, BW na verloop van vijf jaar na aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. De betalingsverplichting in de overeenkomst van 12 november 2008 is op 21 november 2008 opeisbaar geworden. Op die dag diende [gedaagde partij] (en FAT en NMT) uiterlijk het bedrag van USD 4.070.203,- aan TCP te betalen. De vraag is dus of TCP vervolgens binnen een termijn van vijf jaar, dus uiterlijk op 21 november 2013, de verjaring heeft gestuit.
De verjaring van de nakoming van een verbintenis wordt gestuit door het instellen van een rechtsvervolging door de gerechtigde (artikel 3:316, eerste lid, BW), dan wel door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt (artikel 3:317, eerste lid, BW). Tevens wordt de verjaring van een rechtsvordering gestuit door erkenning van het recht van de gerechtigde (artikel 3:318 BW)
TCP heeft aangevoerd dat zij de verjaring van de vordering op [gedaagde partij] heeft gestuit met de e-mail van 1 december 2011. TCP wordt daarin gevolgd. In die aan [gedaagde partij] gerichte e-mail heeft TCP met de woorden “I now demand for the last time you co-operate and take the necessary actions to ensure that TCP receives the money it is owed” en met de daarop volgende mededeling dat als door [gedaagde partij] niet wordt meegewerkt dat “we shall take all the necessary actions to protect the interest of TCP. In that case we will take all posible actions againt you and all entities involved, legal and otherwise.” voldoende en ondubbelzinnig haar recht op nakoming van de overeenkomst van 12 november 2008 jegens [gedaagde partij] voorbehouden als is bedoeld in artikel 3:317, eerste lid, BW. Van enige onduidelijkheid over welke vordering dit zou gaan is geen sprake, te meer nu niet gesteld of gebleken is dat [gedaagde partij] meerdere (financiële) verplichtingen uit andere overeenkomsten aan TCP had. Met bovenstaande mededeling is de vordering van TCP op [gedaagde partij] dus tijdig gestuit en is een nieuwe termijn van vijf jaar gaan lopen, eindigde op 30 november 2016.
Bij brief van 4 augustus 2016, dus binnen voormelde termijn, heeft TCP jegens [gedaagde partij] opnieuw aanspraak gemaakt op betaling van het openstaande bedrag en is in die brief bovendien expliciet gemeld dat die brief als een stuiting van de verjaring diende te worden begrepen. [gedaagde partij] heeft dit ook niet betwist. Met die brief is derhalve een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar gaan lopen, eindigde op 3 augustus 2021. Binnen die termijn, namelijk op 27 november 2020, heeft TCP opnieuw een stuitingsbrief aan [gedaagde partij] gezonden. De verjaringstermijn is daarmee opnieuw verlengd, nu tot uiterlijk 26 november 2025. Bij dagvaarding van 28 april 2025 is TCP de onderhavige procedure tegen [gedaagde partij] gestart, waardoor de vordering van TCP op [gedaagde partij] opnieuw is gestuit, maar dan nu op grond van artikel 3:318 BW. De conclusie daarmee is dat de primaire vordering van TCP op [gedaagde partij] niet is verjaard en dat [gedaagde partij] nog steeds gehouden is tot nakoming van de overeenkomst van 12 november 2008.
Betalingen door de heer [naam]
[gedaagde partij] heeft aangevoerd dat als hij tot enige betaling gehouden is, betalingen door de heer [naam] , al dan niet in natura, in mindering moeten worden gebracht op de vordering van TCP. [naam] zou de overboekingen van het geld van de rekening van TCP mede ondertekend hebben en nadien als vergoeding daarvoor gratis werk voor TCP hebben uitgevoerd, aldus [gedaagde partij] . Tegenover de gemotiveerder betwisting door TCP heeft [gedaagde partij] echter onvoldoende onderbouwd dat [naam] onbetaalde werkzaamheden voor TCP heeft verricht of dat er in verband daarmee een recht op vermindering van de vordering op [gedaagde partij] bestaat.
De conclusie uit het voorgaande is dat de primaire vorderingen in beginsel toewijsbaar zijn. Aan de beoordeling van de subsidiaire en de meer subsidiaire vorderingen wordt daarom niet toegekomen.
Boete en wettelijke rente
TCP vordert (naast de verklaring voor recht) de betaling van het openstaande bedrag van USD 3.147.976,94, vermeerderd met de contractuele boeterente van 20% per jaar vanaf 22 november 2008, alsmede de wettelijke rente vanaf 22 november 2008. [gedaagde partij] heeft aangevoerd dat de gevorderde wettelijke rente moet worden afgewezen. [gedaagde partij] wordt daarin gevolgd. Op grond van artikel 6:92, tweede lid, BW treedt hetgeen ingevolge een boetebeding is verschuldigd in de plaats van de schadevergoeding op grond van de wet. TCP vordert hier al de contractuele boeterente van 20% die op de late betaling is overeengekomen. De gevorderde wettelijke rente, zijnde de schadevergoeding op grond van de wet, is daarmee niet toewijsbaar.
Matiging boeterente?
[gedaagde partij] heeft tevens aangevoerd dat de boeterente van 20% op grond van artikel 6:94 BW moet worden gematigd, omdat rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat TCP 18 jaar stil heeft gezeten. Dit beroep op matiging van de contractuele boeterente wordt afgewezen. Voor matiging van de bedongen boete is ingevolge artikel 6:94 BW slechts plaats indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. Dit betekent dat de rechter van zijn bevoegdheid tot matiging alleen gebruik kan maken als de toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet gebleken. TCP heeft weliswaar 18 jaar gewacht met het dagvaarden van [gedaagde partij] , maar de overgelegde stukken onderbouwen voldoende, zoals door TCP aangevoerd, dat dit komt doordat TCP actief betrokken is geweest bij door [gedaagde partij] gestelde claims jegens derden, waaronder een claim van [gedaagde partij] tegen de Staat der Nederlanden, met als doel [gedaagde partij] te ondersteunen en hem de gelegenheid te geven het verschuldigde bedrag terug te betalen, en dat pas in 2021 is gebleken dat die claim geen resultaat opleverde. In het licht daarvan wordt de hoogte van de boete in dit geval niet onaanvaardbaar geacht.
Proceskosten
[gedaagde partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van TCP worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
146,14
- griffierecht
€
4.357,00
- salaris advocaat
€
9.262,00
(2 punten × € 4.631,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
13.954,14
5. De beslissing
De rechtbank
verklaart voor recht dat [gedaagde partij] jegens TCP toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de overeenkomst van 12 november 2008,
veroordeelt [gedaagde partij] om aan TCP te betalen een bedrag van USD 3.147.976,94, te vermeerderen met de contractuele boete rente van 20% per jaar over het toegewezen bedrag, met ingang van 22 november 2008, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 13.954,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart de veroordelingen onder 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.E. de Vos, rechter, bijgestaan door mr. P.J. van Vliet, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.