ECLI:NL:RBAMS:2026:8500

ECLI:NL:RBAMS:2026:8500

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 19-08-2026
Datum publicatie 26-08-2026
Zaaknummer C/13/784544 / FA RK 26-1979
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Toewijzing verzoek eenhoofdig gezag. Toetsing van de vraag of er sprake is van gezamenlijk gezag van gehuwde ouders over hun kind dat is geboren in Engeland aan het Haags kinderbeschermingsverdrag 1996 en de Engelse Children Act 1989.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/784544 / FA RK 26-1979 (MT/AV)

Beschikking van 19 augustus 2026 betreffende wijziging van het gezag

in de zaak van:

[de moeder] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen de moeder,

advocaat mr. F. Özdemir-Sahin te Amsterdam,

tegen

[de vader] , zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

hierna te noemen de vader,

betreffende hun kind [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020.

1. De procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoek met bijlagen van de moeder, ingekomen op 10 maart 2026.

De mondelinge behandeling achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2026.

Verschenen is:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat.

De rechtbank constateert dat de vader niet op de mondelinge behandeling verschenen. De vader is, nu hij in Nederland geen bekende woon- of verblijfplaats heeft, in de Staatscourant van

[datum] 2026 met nummer [nummer] opgeroepen om op 11 augustus 2026 om 13.30 uur ter terechtzitting in de rechtbank Amsterdam te verschijnen. Blijkens het verzoekschrift is de vader woonachtig te Engeland. Zijn adres, contactgegevens en advocaat zijn niet bij de moeder bekend. Ter zitting heeft de moeder verklaard dat haar familie recent in Ghana was en daar heeft getracht om contact te leggen met de vader voor het geval hij daar zou verblijven, maar dat was zonder succes.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de vader behoorlijk is opgeroepen. De rechtbank verleent verstek en gaat over tot de behandeling van het verzoek.

2. De feiten

Partijen zijn gehuwd op 22 augustus 2018 te [plaats] , Ghana. Volgens de mondelinge toelichting van de moeder ter zitting zijn partijen op 2 juni 2024 feitelijk uit elkaar zijn gegaan. Uit de door de moeder ingebrachte bijlagen bij het verzoekschrift blijkt dat het huwelijk tussen partijen op

20 januari 2025 is ontbonden en dat de ontbinding van het huwelijk op 28 januari 2025 in Ghana officieel is geregistreerd.

Uit het huwelijk is geboren: [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2020 te [geboorteplaats] , Engeland.

De moeder en [minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit.

[minderjarige] is sinds 17 december 2024 ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres van de moeder.

[minderjarige] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de moeder.

3. Het verzoek

De moeder verzoekt te bepalen dat het gezag over het thans minderjarige kind [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2020, bij uitsluiting van de vader, alleen zal worden uitgeoefend door de moeder. De moeder verzoekt tevens de vader te veroordelen in de kosten van de procedure.

4. De standpunten

De moeder heeft het volgende aan haar verzoek ten grondslag gelegd. Nadat partijen in 2018 in [plaats] zijn gehuwd, hebben zij gezamenlijk in Engeland gewoond. De moeder woonde deels echter ook in Nederland, heeft altijd in Nederland ingeschreven gestaan en was voor een studie tijdelijk in Engeland. Gedurende het huwelijk heeft de vader meerdere affaires gehad. De moeder vernam uit haar omgeving dat de vader haar misbruikte voor een verblijfsvergunning en om die reden met haar was getrouwd en een kind van haar wilde. Daarnaast maakte hij tijdens het huwelijk opmerkingen zoals ‘when the time comes’. Vanaf 2024, nadat de vader zijn verblijfsvergunning had verkregen, begon hij steeds feller te reageren op de moeder en heeft hij haar meermaals mishandeld. Op 2 juni 2024 is zij zodanig door de vader mishandeld dat [minderjarige] , die aanwezig was tijdens de mishandeling, hierover uitlatingen heeft gedaan op de kinderopvang. Na deze mishandeling hebben de ouders geen enkel contact meer met elkaar gehad en heeft de vader geen contact meer met [minderjarige] gehad. De moeder heeft aangifte gedaan en de vader is op 11 december 2025 veroordeeld tot straffen en heeft daarnaast ook een straat- en contactverbod opgelegd gekregen dat is ingegaan op 11 december 2025 en geldig is tot 10 december 2028. Het is derhalve ook feitelijk onmogelijk om gezamenlijk met de vader belangrijke beslissingen te nemen over [minderjarige] . Nu de vader geen contact mag hebben met de moeder wordt het de moeder onmogelijk gemaakt het gezag over [minderjarige] naar behoren uit te oefenen, omdat zij overal steeds de toestemming van de vader voor nodig heeft. De moeder reist regelmatig met [minderjarige] en iedere keer dat ze vanuit Nederland naar het buitenland reist moet ze een ondertekend toestemmingsformulier laten zien, omdat ook de vader met het gezag is belast. Hierdoor kan de moeder niet meer reizen met [minderjarige] . Los van het straat- en contactverbod dat is opgelegd, is de vader waarschijnlijk woonachtig in Engeland op een onbekend adres. Ook dit maakt het de moeder onmogelijk het gezag naar behoren uit te oefenen.

Voortzetting van het gezamenlijk gezag is niet meer in het belang van [minderjarige] . In de huidige stand van het gezag is er een onaanvaardbaar risico dat [minderjarige] klem of verloren zal raken tussen partijen waarbij niet is te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen. Daarnaast is wijziging van het gezag in het belang van [minderjarige] noodzakelijk.

Ter zitting heeft de moeder haar verzoek gehandhaafd. Zij heeft verklaard dat het goed gaat met [minderjarige] . De moeder heeft veel hulp van haar naaste familie en daar zijn de moeder en [minderjarige] blij mee.

5. De beoordeling

Bevoegdheid en toepasselijk recht

Op grond van artikel 7, lid 1, Brussel II ter, EU-verordening 2019/1111, zijn in zaken die de ouderlijke verantwoordelijkheid betreffen, bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Omdat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd te beslissen op het onderhavige verzoek.

Op grond van artikel 15, lid 1, van het Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen (hierna: Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996) is het Nederlandse recht op het verzoek van toepassing.

Inhoudelijke beoordeling

Ouderlijk gezag

De rechtbank dient eerst te beoordelen of er al dan niet sprake is van het gezamenlijk gezag van de vader met de moeder. Gelet op de internationale kenmerken van de zaak wordt de vraag welk recht van toepassing is op het van rechtswege verkrijgen van het gezag bepaald door het Haags kinderbeschermingsverdrag 1996. Bij dit verdrag zijn het Verenigd Koninkrijk en Nederland aangesloten.

[minderjarige] is tijdens het huwelijk van haar ouders in Engeland geboren. Haar gewone verblijfplaats was toen in Engeland. De moeder is in juni 2024 in bijzijn van [minderjarige] door de vader mishandeld en sindsdien zijn partijen uit elkaar. Nadien zijn de moeder en [minderjarige] naar Nederland verhuisd en is [minderjarige] op het adres van de moeder ingeschreven. De gewone verblijfplaats van [minderjarige] is thans in Nederland.

Het Haags kinderbeschermingsverdrag 1996, artikel 16, lid 1, bepaalt dat het van rechtswege ontstaan (…) van ouderlijke verantwoordelijkheid, zonder tussenkomst van een rechterlijke of administratieve autoriteit, wordt beheerst door het recht van de Staat van de gewone verblijfplaats van het kind. Dit betekent dat de vraag of de moeder en vader destijds van rechtswege gezamenlijk waren belast met het ouderlijk gezag, dient te worden beoordeeld naar Engels recht. Op grond van de Children Act 1989, c. 41, part I, section 2, lid 1, hebben de ouders elk ouderlijke verantwoordelijkheid voor het kind wanneer zij bij de geboorte van het kind met elkaar getrouwd waren (‘Where a child’s father and mother were married to each other at the time of his birth, they shall each have parental responsibility for the child.’).

Op grond van artikel 16, lid 3, van het Haags kinderbeschermingsverdrag 1996 blijft de op grond van het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind bestaande ouderlijke verantwoordelijkheid bestaan na verplaatsing van die gewone verblijfplaats naar een andere staat.

Dit betekent dat het gezamenlijke gezag van de ouders ontstaan in Engeland, ook in Nederland geldend is.

Toepasselijke artikelen

Op grond van artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechtbank op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen, het gezamenlijk gezag beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd. Alsdan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over de minderjarige toekomt. Artikel 1:253a, lid 1 en lid 3, BW zijn hierbij van overeenkomstige toepassing.

Op grond van artikel 1:251a, lid 1, kan de rechtbank bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien:

a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of

b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

Gewijzigde omstandigheden

De moeder heeft gesteld dat de moeder en [minderjarige] sinds de mishandeling van de moeder door de vader (de rechtbank begrijpt: sinds 2 juni 2024) geen enkel contact meer met de vader hebben gehad. Hieruit leidt de rechtbank af dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden. De moeder is dan ook ontvankelijk in haar verzoek.

Beoordeling van het verzoek zelve

Op grond van de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is de rechtbank van oordeel dat de vader niet langer meer belast dient te zijn met het gezag over [minderjarige] .

Uit het niet weersproken verzoek van de moeder blijkt dat er geen sprake van een situatie waarin de moeder en de vader beslissingen van enig belang over [minderjarige] in gezamenlijk overleg kunnen nemen. Sinds de mishandeling van de moeder door de vader op 2 juni 2024 is er tussen hen geen contact meer geweest tussen en ook niet tussen de vader en [minderjarige] . Daarnaast heeft de vader tot 10 december 2028 een contact- en straatverbod met de moeder, wat ook betekent dat rechtstreeks contact tussen de ouders over belangrijke zaken aangaande [minderjarige] niet mogelijk is. Een complicerende factor voor contact tussen de ouders is verder dat de vader in het buitenland woont.

De vader van [minderjarige] is al een paar jaar geheel uit het leven van de moeder en [minderjarige] verdwenen en hij is niet meer betrokken bij de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Hij weet niet wat er speelt in haar leven. Hij geeft ook geen uitvoering aan zijn rol als gezaghebbende ouder en dat vormt voor de moeder een belemmering om haar rol als gezaghebbende en verzorgende ouder naar behoren uit te voeren. Dat voornoemde omstandigheden op korte termijn zullen wijzigen, is niet te verwachten.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wijziging van het gezag in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is. De rechtbank zal het verzoek van de moeder om haar alleen met het gezag te belasten dan ook toewijzen.

Proceskosten

De rechtbank wijst het verzoek van de moeder om de vader in de proceskosten te veroordelen af gelet op de aard van deze procedure. De rechtbank zal bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

6. De beslissing

De rechtbank:

beëindigt het gezamenlijk ouderlijk gezag van de vader en de moeder en belast de moeder voortaan met de uitoefening van het gezag over het minderjarige kind van partijen:

[minderjarige],geboren te [geboorteplaats] , Engeland, op [geboortedag] 2020,

voor zover de bevoegdheid daartoe niet door een eerdere rechterlijke beslissing is uitgesloten;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat elke partij de eigen kosten van deze procedure draagt.

Deze beschikking is gegeven door de rechter mr. M.E.B. Terwee, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. W.J.A. van der Velde, griffier, op 19 augustus 2026.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. W.J.A. van der Velde

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand