RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12140882 \ CV EXPL 26-3804
Vonnis van 20 augustus 2026
in de zaak van
DE MARGARITABAR B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
oorspronkelijk eiser in conventie,
gedaagde in het verzet en in reconventie,
hierna te noemen: De Margaritabar (in vrouwelijk enkelvoud),
gemachtigde: Boeder Incasso & Gerechtsdeurwaarders,
tegen
1. [gedaagde 1] V.O.F.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,2. [gedaagde 2] (V.H.O.N. [gedaagde 1] ),
wonende te [woonplaats 1] (België),3. [gedaagde 3],
wonende te [woonplaats 2] (België),
oorspronkelijk gedaagden in conventie,
eisende partijen in het verzet en in reconventie,
hierna samen te noemen: [gedaagde 1] (in vrouwelijk enkelvoud),
gemachtigde: ARAG Rechtsbijstand.
1. De procedure in conventie en in reconventie
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 29 oktober 2025, met producties;
- het verstekvonnis van 25 november 2025 met zaak- en rolnummer 11952489 / CV EXPL 15237 (hierna: het verstekvonnis);
- de verzetdagvaarding van 3 maart 2026, tevens houdende een tegenvordering, met producties;
- het tussenvonnis van 2 april 2026, waarbij een mondelinge behandeling is bevolen, waarna daarvoor een dag is bepaald.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 juli 2026. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt, die aan het procesdossier zijn toegevoegd. Namens De Margaritabar zijn de heren [naam 1] en [naam 2] verschenen, bijgestaan door mr. R.J. Oost namens de gemachtigde. Namens [gedaagde 1] is mevrouw [gedaagde 2] (gedaagde sub 2) verschenen, bijgestaan door mr. F.L.J. van Dijk namens de gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. Na verder debat is een datum voor vonnis bepaald.
2. De feiten in conventie en in reconventie
Partijen hebben een overeenkomst gesloten op grond waarvan [gedaagde 1] tegen betaling de faciliteiten van De Margaritabar mocht gebruiken voor het exploiteren van een eigen restaurant en afhaal- en besteldienst.
Bij aanvang van de overeenkomst heeft [gedaagde 1] een waarborgsom van € 7.000,00 aan De Margaritabar betaald. In artikel 4.4 van de overeenkomst staat over de teruggave daarvan het volgende:
“Upon termination of the partnership and following an inspection of the premises and inventory, the deposit will be returned to [gedaagde 1] , minus any amounts used to cover damages or outstanding payments. De Margaritabar will return the remaining deposit amount to [gedaagde 1] within 30 days after the termination of the agreement.”
In artikel 3 van de overeenkomst is over de maandelijks te betalen bedragen verder het volgende bepaald:
“Late Payment Penalties:
A 5% late fee per day will be applied for payments made after the 14-day period.
If payment is not received within 30 days, access to the location will be revoked.”
De Margaritabar heeft op grond van de overeenkomst maandelijks aan [gedaagde 1] gefactureerd. [gedaagde 1] heeft de facturen betreffende de maanden april en mei 2025 (deels) onbetaald gelaten.
De Margaritabar heeft vervolgens haar vordering uit handen gegeven aan incassobureau Credifin Nederland (hierna: Credifin), die op 30 juli 2025 [gedaagde 1] heeft gesommeerd tot betaling van de openstaande facturen, waarbij tevens aanspraak is gemaakt op de boete die is omschreven in de ‘late payment penalties’ (hierna: de contractuele boete).
De Margaritabar heeft op 18 augustus 2025 aan [gedaagde 1] per WhatsAppbericht geschreven dat de samenwerking is geëindigd en dat [gedaagde 1] geen toegang meer heeft tot het gebouw. Kort daarna heeft De Margaritabar, na telefonisch contact met [gedaagde 1] , aan [gedaagde 1] weer toegang verstrekt tot het pand.
[gedaagde 1] heeft aan de sommatie niet voldaan en heeft op 21 augustus 2025 kenbaar gemaakt dat zij niet in staat is om de vordering te voldoen, waarbij zij tevens vraagt om een betalingsregeling. Credifin heeft vervolgens verzocht om een concreet voorstel tot afbetaling, maar een dergelijk voorstel heeft [gedaagde 1] daarna niet gedaan. Credifin heeft [gedaagde 1] op 4 september 2025 nogmaals en tevergeefs gesommeerd om tot betaling over te gaan.
Aan de overeenkomst is een einde gekomen.
3. Het geschil in conventie en in reconventie
De Margaritabar heeft in de oorspronkelijke dagvaarding gevorderd dat [gedaagde 1] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis zal worden veroordeeld tot betaling aan haar van € 20.982,62 aan hoofdsom, € 984,83 aan buitengerechtelijke incassokosten en € 466,03 aan verschenen wettelijke handelsrente, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum van dagvaarding en met veroordeling van [gedaagde 1] in de proceskosten.
De Margaritabar legt daaraan – samengevat – ten grondslag dat [gedaagde 1] gehouden is tot nakoming van haar verbintenissen uit hoofde van de tussen partijen gesloten overeenkomst, bestaande uit de betaling van (het restant van) de factuur d.d. 24 mei 2025 (€ 2.049,61) en de factuur d.d. 6 juni 2025 (€ 8.149,30) en van een contractuele boete (€ 10.783,71) die [gedaagde 1] verschuldigd is geworden doordat deze facturen niet tijdig zijn betaald.
Bij het verstekvonnis is de vordering toegewezen, met dien verstande dat de gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten is afgewezen.
[gedaagde 1] vordert bij verzetdagvaarding dat zij zal worden ontheven van de veroordeling zoals die is uitgesproken in het verstekvonnis en dat de vorderingen van De Margaritabar alsnog worden afgewezen, met veroordeling van De Margaritabar in de kosten van de verzetprocedure. Daarnaast vordert zij – enigszins samengevat – bij wijze van tegeneis dat bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
De Margaritabar wordt veroordeeld tot terugbetaling aan haar van € 7.000,00 aan waarborgsom, dan wel dat zij deze dient te verrekenen met de twee openstaande facturen van € 10.198,91,
de bij het verstekvonnis toegewezen boete wordt gematigd,
De Margaritabar wordt veroordeeld tot vergoeding van de door [gedaagde 1] geleden vermogensschade, bestaande uit misgelopen inkomsten en gederfde winst ten bedrage van € 9.817,45 dan wel € 9.797,45,
De Margaritabar wordt veroordeeld tot terugbetaling aan [gedaagde 1] van de door haar betaalde vergoeding van € 1.173,86 over de periode van 18 tot 24 augustus 2025,
veroordeling van De Margaritabar in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.
[gedaagde 1] legt daaraan – samengevat – het volgende ten grondslag. Zij was niet op de hoogte van de eerder gevoerde procedure die heeft geleid tot het verstekvonnis. De Margaritabar heeft de waarborgsom ten onrechte niet aan haar terugbetaald. De aan haar in rekening gebrachte boete staat niet in een evenredige verhouding tot de hoofdsom, omdat de boete hoger is dan de totale hoofdsom. Dat geldt temeer omdat de waarborgsom in mindering moet worden gebracht op de openstaande facturen. Doordat aan [gedaagde 1] onrechtmatig de toegang is ontzegd in de periode van 18 tot 24 augustus 2025 is zij inkomsten/winst misgelopen. Dit is schade die door De Margaritabar aan haar moet worden vergoed. Daarnaast heeft zij over die periode betaalde vergoeding onverschuldigd aan De Margaritabar betaald, dan wel is De Margaritabar voor dit bedrag ongerechtvaardigd verrijkt ten koste van [gedaagde 1] .
De Margaritabar voert verweer.
4. De beoordeling in conventie en in reconventie
Het verzet is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat [gedaagde 1] in zoverre in haar verzet kan worden ontvangen.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze hierna gezamenlijk worden besproken.
Openstaande facturen en waarborgsom
[gedaagde 1] heeft niet weersproken dat zij de twee openstaande facturen met een totaalbedrag van € 10.198,91 verschuldigd is, maar zij heeft een beroep gedaan op verrekening met de door haar betaalde waarborgsom van € 7.000,00.
De Margaritabar heeft op haar beurt verweer gevoerd tegen de verrekening. De Margaritabar heeft ter zitting gesteld dat zij de waarborgsom grotendeels heeft aangewend voor het schoonmaken van het pand en voor de aanschaf van inventaris. Volgens De Margaritabar was het pand bij het einde van de overeenkomst vies en waren er keukenspullen verdwenen. De afrekening van de waarborgsom heeft De Margaritabar echter naar de toekomst verplaatst in afwachting van de uitkomst van deze procedure.
De kantonrechter is van oordeel dat de waarborgsom verrekend moet worden met de openstaande facturen. Op grond van de overeenkomst diende de waarborgsom binnen 30 dagen na het einde van de overeenkomst te worden terugbetaald. Die termijn is reeds verstreken, zodat De Margaritabar de afrekening niet kan uitstellen. Daarnaast heeft De Margaritabar onvoldoende onderbouwd dat er schade is toegebracht aan het pand waarvoor [gedaagde 1] aansprakelijk is. De Margaritabar heeft dit pas voor het eerst op de mondelinge behandeling naar voren gebracht, zonder dit op enige wijze te onderbouwen. Gelet op de betwisting van [gedaagde 1] is dat onvoldoende en gaat de kantonrechter daaraan dan ook voorbij. Dat betekent dat de waarborgsom toekomt aan [gedaagde 1] en dat deze kan worden verrekend met de nog openstaande facturen. Hierdoor resteert een hoofdsom van € 3.198,91 (€ 2.049,61 en € 8.149,30 minus € 7.000,00). De vordering in conventie is in zoverre toewijsbaar. Dit betekent ook dat, nu het verrekeningsverweer slaagt, de kantonrechter niet toekomt aan de vordering in reconventie tot terugbetaling van de waarborgsom. Deze wordt dan ook afgewezen.
Contractuele boetes
Omdat [gedaagde 1] de facturen onbetaald heeft gelaten, vordert De Margaritabar betaling van een contractuele boete ter hoogte van € 10.783,71. Ter zitting heeft [gedaagde 1] naar voren gebracht dat de verrekening van de facturen met de waarborgsom van invloed is op de hoogte van de verschuldigdheid van de boete, maar dat volgt de kantonrechter niet. Op grond van artikel 6:129 BW werkt de verrekening terug tot het tijdstip waarop de bevoegdheid tot verrekening is ontstaan. De bevoegdheid tot verrekening is echter pas ontstaan bij het einde van de overeenkomst en de daaropvolgende verplichting om binnen 30 dagen daarna tot terugbetaling van de waarborgsom over te gaan. De gevorderde boete (die ziet op de periode tot en met juli 2025) was toen reeds op grond van de overeenkomst verschuldigd geworden. Dat naderhand de waarborgsom kon worden verrekend met de openstaande facturen doet aan de verschuldigdheid van de late payment penalty over de periode tot en met juli 2025 dan ook niet af.
[gedaagde 1] heeft verder een beroep gedaan op matiging van de boete. Een beroep op matiging slaagt als de redelijkheid en billijkheid dit klaarblijkelijk vereist, met dien verstande dat niet verder gematigd kan worden dan de schadevergoeding op grond van de wet (artikel 6:94 lid 1 BW). De rechter mag pas van haar bevoegdheid tot matiging gebruik maken als de toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij zal de rechter niet alleen moeten letten op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen (zie Hoge Raad 16 februari 2018 ECLI:NL:HR:2018:207).
De Margaritabar heeft ter zitting verklaard dat zij financieel afhankelijk was van de maandelijkse betalingen van [gedaagde 1] waardoor zij, als gevolg van de betalingsachterstand, kosten heeft moeten maken door onder meer een lening af te sluiten. Hierdoor heeft zij schade geleden. Op vragen van de kantonrechter heeft De Margaritabar weliswaar een aantal bedragen genoemd, maar die zijn onvoldoende geconcretiseerd. Hoewel de stelplicht ten aanzien van de wanverhouding tussen de werkelijke schade en de boete bij [gedaagde 1] ligt, lag het wel op de weg van De Margaritabar om enigszins concreet inzichtelijk te maken wat haar werkelijke schade is. Nu zij dat niet heeft gedaan gaat de kantonrechter ervan uit dat er sprake is van een wanverhouding tussen de boete en de werkelijke schade. Verder neemt de kantonrechter mee dat de gevorderde boete, berekend over de periode tot juli 2025, hoger is dan de hoogte van de hoofdsom die toen openstond. Ook weegt de kantonrechter mee dat [gedaagde 1] heeft verklaard dat de oorzaak van de betaalachterstand gelegen is in betalingsonmacht, zodat het aannemelijk is dat de boete verstrekkende financiële gevolgen heeft voor [gedaagde 1] . Anderzijds kent de kantonrechter gewicht toe aan het feit dat partijen (in het kader van een business-to-business overeenkomst) de hoogte van de contractuele boete gezamenlijk overeengekomen zijn en dat de boete niet alleen bedoeld is als schadevergoeding, maar ook als een prikkel tot nakoming, zoals De Margaritabar heeft betoogd. Een te vergaande matiging van de boete zou deze functie van de boetebepaling uithollen. Alles afwegende is de kantonrechter van oordeel dat de boete voor [gedaagde 1] buitensporig hoog is en tot een onaanvaardbaar resultaat leidt. Dit geeft de kantonrechter aanleiding om de boete te matigen tot € 3.000,00. [gedaagde 1] wordt dan ook veroordeeld tot betaling van dit bedrag, zodat dit deel van de vordering toewijsbaar is.
Wettelijke handelsrente
De Margaritabar vordert, naast de hiervoor genoemde contractuele boete, tevens wettelijke handelsrente. Op grond van artikel 6:92 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) treedt hetgeen ingevolge een boetebeding verschuldigd is, in de plaats van de schadevergoeding op grond van de wet. Wel kunnen partijen daarvan bij overeenkomst afwijken, maar daarvan is in dit geval niet gebleken. De Margaritabar heeft ter zitting nog aangevoerd dat de contractuele boete tot en met juli 2025 is berekend en dat daarna de wettelijke handelsrente kan gaan lopen, maar daarin wordt zij niet gevolgd. Dat doet er immers niet aan af dat uit het boetebeding voortvloeit dat [gedaagde 1] ook over de periode na juli 2025 wel degelijk een contractuele boete verschuldigd zou zijn, in welk geval ook voor die periode hetgeen ingevolge het boetebeding verschuldigd is in de plaats treedt van de wettelijke handelsrente. Daarbij komt dat De Margaritabar de contractuele boete, vanwege de hoogte van daarvan, zelf al terecht heeft gematigd door deze te berekenen tot en met juli 2025 (en naar het oordeel van de kantonrechter is die matiging nog steeds te beperkt geweest, zoals blijkt uit het voorgaande). Daarmee is niet verenigbaar dat zij nu wel aanspraak maakt op wettelijke handelsrente over de periode daarna. De kantonrechter zal daarom alleen de gevorderde contractuele boete toewijzen tot het bedrag zoals hiervoor is vastgesteld en de gevorderde wettelijke handelsrente afwijzen.
Buitengerechtelijke incassokosten
De Margaritabar vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat De Margaritabar voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is, gelet op de toewijsbare hoofdsom, hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De kantonrechter zal het bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief, te weten € 684,95. De vordering is in zoverre toewijsbaar.
Daarnaast vordert De Margaritabar ook wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten. Omdat zij niet heeft gesteld dat de schade (de buitengerechtelijke incassokosten) al eerder dan op de datum van de dagvaarding is geleden, zal de gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen vanaf de dag van dagvaarding.
Schade misgelopen inkomsten
[gedaagde 1] vordert schadevergoeding vanwege misgelopen inkomsten omdat haar een week lang onrechtmatig de toegang tot de faciliteiten van De Margaritabar is ontzegt, terwijl De Margaritabar op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst verplicht was om aan haar die toegang te verlenen. De kantonrechter volgt [gedaagde 1] daarin niet. In deze overeenkomst is expliciet opgenomen dat bij niet-tijdige betaling van de maandelijkse facturen (zoals in dit geval) de toegang kan worden ontzegt. Dat De Margaritabar wanprestatie heeft gepleegd of onrechtmatig heeft gehandeld, heeft [gedaagde 1] zonder nadere toelichting (die ontbreekt) dan ook onvoldoende onderbouwd. De vordering tot betaling van schadevergoeding wordt dan ook afgewezen.
Onverschuldigde betaling en ongerechtvaardigde verrijking
[gedaagde 1] vordert verder de terugbetaling van hetgeen zij heeft betaald voor het gebruik van het pand in de week dat zij geen toegang had. [gedaagde 1] stelt dat zij een bedrag van € 1.173,86 onverschuldigd heeft betaald, maar zij miskent daarmee dat aan de betaling een overeenkomst ten grondslag ligt. Dat betekent dat de betaling niet zonder rechtsgrond is verricht en dus niet op grond van artikel 6:203 BW hoeft te worden terugbetaald.
Evenmin is sprake van de tweede door [gedaagde 1] aangedragen grondslag, te weten ongerechtvaardigde verrijking. Daarvoor is immers vereist dat de verrijking van De Margaritabar ongerechtvaardigd is, hetgeen niet het geval is vanwege het bestaan van de onderliggende overeenkomst op grond waarvan De Margaritabar recht had op betaling. Dat betekent dat ook de resterende reconventionele vorderingen worden afgewezen.
Proceskosten
Ondanks dat het verzet deels gegrond is, geldt wel dat [gedaagde 1] een aanzienlijk geldbedrag onbetaald heeft gelaten, om welke reden De Margaritabar de onderhavige procedure heeft moeten starten. [gedaagde 1] wordt daarom alsnog veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) in conventie. De kosten aan de zijde van De Margaritabar in conventie, rekening houdend met het toewijsbare bedrag, worden begroot op:
dagvaardingskosten € 125,57
griffierecht € 543,00
salaris gemachtigde € 720,00 (2 punten à € 360,00)
nakosten € 144,00
totaal € 1.532,57
In reconventie zijn de vorderingen van [gedaagde 1] afgewezen, zodat zij ook in reconventie in de proceskosten wordt veroordeeld. De kosten van De Margaritabar in reconventie worden echter begroot op nihil, gelet op de samenhang met de vorderingen in conventie, het feit dat De Margaritabar voor de reconventionele vordering geen aparte conclusie van antwoord heeft ingediend en dat zij haar verweer ter zitting heeft gevoerd.
5. De beslissing
De kantonrechter
in conventie
verklaart het verzet deels gegrond en vernietigt het verstekvonnis dat op 25 november 2025 is gewezen in de zaak met zaaknummer 11952489 CV EXPL 25-15237,
en opnieuw beslissend:
veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling aan De Margaritabar van € 3.198,91 aan hoofdsom,
veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling aan De Margaritabar van € 3.000,00 aan contractuele boete,
veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling aan De Margaritabar van € 684,95 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf 29 oktober 2025 tot aan de datum van algehele voldoening,
veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten van € 1.532,57, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Stadgenoot niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
wijst de vorderingen af,
veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten, aan de zijde van De Margaritabar tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Wiltjer en in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2026.