RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-143561-26
Datum uitspraak: 27 augustus 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 21 mei 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 24 maart 2015 en gewijzigd en aangevuld op 8 december 2022, door de Regional Court in Gliwice 5th Criminal Division based in Rybnik, Polen , (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1991 te [geboorteplaats] ( Polen ),
met als feitelijke verblijfplaats: [adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De zitting van 28 juli 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 28 juli 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door een advocaat, mr. M.A.J. van Dam, advocaat in Gouda, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
De tussenuitspraak van 4 augustus 2026
Bij deze tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de opgeëiste persoon gelijk kan worden gesteld met een Nederlander als bedoel in artikel 6a OLW. De rechtbank heeft het onderzoek heropend en geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit een ingevuld certificaat en een kopie van de vonnissen op te vragen.
De rechtbank heeft de beslistermijn op grond van artikel 22, vierde lid, OLW met dertig dagen verlengd, met gelijktijdige verlenging van de geschorste gevangenhouding op grond van artikel 27, tweede lid, OLW.
De zitting van 13 augustus 2026
De behandeling van het EAB is – met instemming van partijen – in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 13 augustus 2026, in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. M.A.J. van Dam en door een tolk in de Poolse taal.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3. De tussenuitspraak van 4 augustus 2026
De rechtbank stelt vast dat in de tussenuitspraak van 4 augustus 2026 al is geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB, de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW en de (dubbele) strafbaarheid van de feiten. Wat de rechtbank heeft overwogen en geoordeeld moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
4. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
Inleiding
In de tussenuitspraak van 4 augustus 2026 heeft de rechtbank onder punt 7 geoordeeld dat aan beide voorwaarden voor gelijkstelling is voldaan en dat de tenuitvoerlegging van de aan de opgeëiste persoon opgelegde vrijheidsstraffen kan worden overgenomen. Deze overwegingen dienen hier als herhaald en ingelast worden beschouwd.
Standpunt van de raadsvrouw en de officier van justitie
De raadsman en officier van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank de overlevering kan weigeren en de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen in Nederland kan bevelen, omdat het certificaat en de veroordelende vonnissen door de Poolse autoriteiten zijn overgelegd.
Oordeel van de rechtbank
Conform het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 4 september 2025 in de zaak C.J. heeft de uitvaardigende lidstaat als beslissingsstaat toestemming gegeven voor de strafovername middels het toesturen van het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en een kopie van het een vonnis van de District Court of Jastrzębiu-Zdrój van 18 januari 2011, met referentie: II K 2319/10 en van het vonnis van de District Court of Jastrzębiu-Zdrój van 22 maart 2013, met referentie: II 1392/12.
De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen in Nederland bevelen.
Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen.
5. Slotsom
De rechtbank stelt vast dat de overlevering kan worden geweigerd, omdat de opgeëiste persoon gelijkgesteld kan worden met een Nederlander en de straf door Nederland kan worden overgenomen. De rechtbank ziet geen reden om de straf niet over te nemen. Daarom wordt de overlevering geweigerd op grond van artikel 6a OLW onder gelijktijdige overname van de straf door Nederland.
6. Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 47, 285, 141, 282, 300 en 311 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 6a en 7 OLW.
7. Beslissing
WEIGERT de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan de Regional Court in Gliwice 5th Criminal Division based in Ryhnik. Polen , voor de feiten zoals die zijn omgeschreven in onderdeel e) van het EAB.
BEVEELT de tenuitvoerlegging van de in overweging 3. van de tussenuitspraak van 4 augustus 2026 bedoelde vrijheidsstraffen in Nederland.
HEFT OP de geschorste overleveringsdetentie van [de opgeëiste persoon] .
BEVEELT de gevangenhouding van [de opgeëiste persoon] tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en H.J.H. van Meegen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 27 augustus 2026.
De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak te ondertekenen.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.