RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-199638-25
Datum uitspraak: 27 augustus 2026
TUSSEN-
UITSPRAAK
op de vordering van 2 juli 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 6 mei 2024 door de Kecskemét Regional Court, Hongarije, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1994 te [geboorteplaats] (Hongarije),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 13 augustus 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. D.S. Altena, advocaat te Utrecht, die waarneemt voor mr. R. Zilver, eveneens advocaat in Utrecht, en door een tolk in de Hongaarse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding
bevolen, met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Hongaarse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van 5 oktober 2022, met kenmerk No. I.B.140/2021/26 van the Kalocsa District Court als ook een arrest van 10 juli 2023, met kenmerk No. 12.Bf 3/2023/18 van the Kecskemét Regional Court.
De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en vier maanden. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde vonnis en arrest en hij moet deze straf ondergaan in Hongarije. Deze straf resteert volgens het EAB nog volledig.
De hiervoor genoemde veroordeling ziet op het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
4. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Inleiding
Het EAB vermeldt onder d dat de opgeëiste persoon niet aanwezig was bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid, waarna de mogelijkheid in verzet te gaan is aangekruist. Meer precies vermeldt het EAB het volgende.
“the person was not personally served with the decision, but
Op 21 juli 2026 is van de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende aanvullende informatie ontvangen:
“(…) the reference made in point d) of the European arrest warrant No. 17.Szv. 1371/2023/9. also applies to the second-instance judgment No. 12.Bf.3/2023/18. of the Kecskemét Court of Appeal.
The trial court conducted both the first and second instance proceedings in the absence of [de opgeëiste persoon] , who was at an unknown location. He was represented by his chosen attorney Dr. Tamás Kocsis, whom he had authorized during the criminal proceedings.”
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair naar voren gebracht dat de opgeëiste persoon uitdrukkelijk afstand doet van de verstrekte verzetgarantie en daar dus geen gebruik van wil maken. In dat verband heeft zij de rechtbank verzocht om aan het openbaar ministerie de opdracht te geven in contact te treden met de Hongaarse autoriteiten om mogelijk te maken dat het arrest in Nederland wordt betekend waarna de opgeëiste persoon afstand kan doen van zijn mogelijkheid om in verzet of beroep te gaan. Dit zal tot gevolg hebben dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet meer aan de orde is. De opgeëiste persoon wil vervolgens gelijk worden gesteld met een Nederlander als bedoeld in artikel 6a OLW zodat hij zijn straf in Nederland kan uitzitten.
Subsidiair, in het geval de rechtbank van oordeel is dat dit niet mogelijk is, wenst de opgeëiste persoon gelijk te worden gesteld met een Nederlander, opdat voor hem een terugkeergarantie kan worden opgevraagd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat zolang het arrest niet aan de opgeëiste persoon is betekend en hij afstand heeft gedaan van de mogelijkheid van verzet of beroep, het arrest nog niet onherroepelijk is. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling is voldaan, moet de behandeling van de zaak worden aangehouden voor het verkrijgen van een verklaring van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel waarna vervolgens, als deze verklaring is verkregen, de opgeëiste persoon mogelijk gelijk gesteld kan worden. Indien hij gelijkgesteld wordt, zal de zaak aangehouden moeten worden voor het opvragen van een certificaat en een kopie van het arrest aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Tijdens de aanhouding van de behandeling van de zaak kan het arrest wellicht in Nederland aan de opgeëiste persoon worden betekend en kan de opgeëiste persoon voor afstand van de het recht op verzet tekenen, zodat het arrest onherroepelijk wordt.
Oordeel van de rechtbank
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de beslissing in de laatste van die procedures relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank zal daarom het arrest van 10 juli 2023 van the Kecskemét Regional Court toetsen aan artikel 12 OLW.
In het EAB staat vermeld dat het vonnis van 5 oktober 2022 door het arrest van 10 juli 2023 “final and binding” is geworden. Hieruit lijkt te volgen dat het om een onherroepelijke beslissing gaat, waar blijkbaar nog wel een buitengewoon rechtsmiddel tegen open staat. Nu de rechtbank van oordeel is dat aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling is voldaan (zie hieronder in onderdeel 6) en de behandeling van de zaak wordt aangehouden om na te gaan of ook aan de tweede voorwaarde is voldaan, verzoekt de rechtbank aan het openbaar ministerie om na te gaan of dit inderdaad het geval is. Indien het arrest niet onherroepelijk is, verzoekt de rechtbank het openbaar ministerie na te gaan of het mogelijk is om het arrest in Nederland aan de opgeëiste persoon te betekenen en of het mogelijk is dat hij dan ook direct afstand doet van het recht op verzet of beroep ofwel dat de periode van een maand moet worden afgewacht.
De rechtbank zal daarom het onderzoek heropenen en schorsen om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de volgende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen:
In het EAB is in onderdeel (d) van het EAB aangegeven dat aan hem beroep op verzet of beroep toekomt (een zogenaamde verzetgarantie), welke garantie – zo blijkt uit de aanvullende informatie – ook geldt voor het arrest in hoger beroep. De opgeëiste persoon heeft – nu hij de wens heeft uitgesproken gelijkgesteld te worden met een Nederlander en de straf in Nederland uit te zitten - uitdrukkelijk aangegeven geen beroep te doen op deze verzetgarantie en te berusten in het arrest.
5. Strafbaarheid
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit aangewezen als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
moord en doodslag, zware mishandeling.
Uit het EAB volgt dat voor dit feit naar het recht van Hongarije maximaal een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd.
Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.
6. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a, eerste lid, OLW
Verzoek van de raadsvrouw
De advocaat heeft de rechtbank verzocht om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander, de overlevering te weigeren en de opgelegde straf door Nederland over te laten nemen, zodat de opgeëiste persoon de straf in Nederland uit kan zitten. Zij heeft dit verzoek onderbouwd met (tijdig aangeleverde) bewijsstukken.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet gelijk kan worden gesteld met een Nederlander nu hij niet heeft aangetoond dat hij ook in de laatste maanden van 2021 rechtmatig in Nederland verbleven heeft. De eis van vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf, dus in het onderhavige geval vanaf medio augustus 2021, is blijkens de jurisprudentie van de rechtbank Amsterdam een harde termijn voor gelijkstelling. In de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 november 2025 kwam de opgeëiste persoon acht dagen tekort voor een ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland en is daarom niet gelijkgesteld met een Nederlander. In de uitspraak van 12 februari 2026 kwam de opgeëiste persoon twee maanden tekort en is hij door de rechtbank om die reden evenmin gelijkgesteld. In deze zaak wordt het ononderbroken rechtmatig verblijf van de opgeëiste persoon in de periode tussen week 36 en week 41 en tussen week 48 en 52 in het jaar 2021 niet onderbouwd met loonstroken. Ook staat hij pas vanaf november 2021 ingeschreven op een adres in Nederland. Daar komt bij dat de opgeëiste persoon heeft verklaard dat hijzelf in augustus 2021 naar Nederland is gekomen en zijn gezin vervolgens in oktober van dat jaar. Het kan dus goed zijn dat de opgeëiste persoon in augustus 2021 een paar weken in Nederland heeft gewerkt en vervolgens terug is gegaan naar Hongarije om zijn gezin op te halen. Als de opgeëiste persoon alsnog kan aantonen dat hij ook in die periode in Nederland heeft verbleven en gewerkt, dan is aan het eerste vereiste voldaan.
In dat geval heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht de behandeling van de zaak aan te houden voor het verkrijgen van een verklaring van de IND over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel en vervolgens, als deze verklaring is verkregen en de verwachting is dat hij zijn verblijfsrecht niet verliest, voor het opvragen van een certificaat en een kopie van het arrest aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
Oordeel van de rechtbank
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan de volgende twee vereisten:
De eerste voorwaarde
Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken wel heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. Weliswaar staat hij pas vanaf 11 november 2021 ingeschreven op een vast adres in [plaats] . Naar zijn eigen verklaring woonde hij echter wel vanaf augustus 2021 al in [plaats] maar heeft hij zich gedurende de eerste maanden niet kunnen inschrijven omdat de huisvesting werd geregeld door het uitzendbureau waarvoor hij werkte. Hij heeft deze verklaring onderbouwd nu uit de door de raadsvrouw overgelegde stukken blijkt dat de opgeëiste persoon:
De rechtbank concludeert dat op basis van het aantal uren dat hij in 2021 vanaf week 33 heeft gewerkt, het niet anders kan dan dat hij in deze periode ook in Nederland verbleven heeft. Ook over de periode 2022-2026 heeft de opgeëiste persoon aan de hand van zijn inschrijving in SKDB, Belastingaanslagen en een verzekeringsbericht van het UWV (waaruit zijn arbeidsverleden blijkt) aangetoond dat hij rechtmatig in Nederland verbleef.
Aan de eerste voorwaarde is dus voldaan.
De tweede voorwaarde
Het antwoord op de vraag over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht op verblijf in Nederland verliest als gevolg van de opgelegde straf of maatregel, beoordeelt de rechtbank aan de hand van informatie van de IND.
De rechtbank beschikt niet over een dergelijke verklaring van de IND.
De rechtbank zal daarom het onderzoek tevens heropenen om de officier van justitie de verklaring van de IND over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf op te laten vragen en aan het dossier te laten toevoegen.
7. Beslissing
HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd om
de officier van justitie
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan de advocaat.
BEVEELT de oproeping van een tolk in de Hongaarse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en H.J.H. van Meegen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 27 augustus 2026.
De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak te ondertekenen.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.