RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 augustus 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 26/4633
en
(gemachtigde: mr. H. Kras).
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoekster voor de voorziening aangepast groepsvervoer voor [minderjarige] . Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor de voorziening aangepast groepsvervoer. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 19 juni 2026 afgewezen. Met het bestreden besluit van 5 augustus 2026 op het bezwaar van verzoekster is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verzoekster heeft hiertegen beroep (AMS 26/4634) ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, [persoon] als vriendin van verzoekster en tolk en de gemachtigde van verweerder.
Indien het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt gedaan wanneer beroep bij de bestuursrechter is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan zij op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. Dit wordt kortsluiting genoemd. Op de zitting heeft verzoekster hierover aangegeven dat zij alleen uitspraak wil op haar verzoek om een voorlopige voorziening omdat zij haar beroep nog wil aanvullen. De voorzieningenrechter acht dit niet onredelijk en zal daarom niet over het beroep zelf beslissen. De voorzieningenrechter beperkt zich dus tot de vraag of aanleiding bestaat tot het treffen van een voorlopige voorziening.
Totstandkoming besluit
3. Verzoekster heeft een aanvraag gedaan voor de voorziening aangepast groepsvervoer voor haar dochter [minderjarige] (8 jaar) naar de school [school 1] aan de [adres 1] in Amsterdam. Zij is daar na de zomervakantie van dit jaar gestart. De zoon van verzoekster is leerling op de school [school 2] aan de [adres 2] in Amsterdam. Beide scholen beginnen om 8:30 uur waardoor het verzoekster niet lukt om beide kinderen op tijd naar school te brengen.
4. Met het primaire besluit van 19 juni 2026 is de aanvraag afgewezen omdat de afstand tussen het woonadres van verzoekster en [school 1] minder is dan 4 kilometer. Ook is de reistijd met het openbaar vervoer minder dan 35 minuten. Verzoekster is tegen de afwijzing in bezwaar gegaan.
5. In het bestreden besluit werpt verweerder verzoekster tegen dat de begeleiding naar school een verantwoordelijkheid is van de ouders en dat, wanneer dat niet lukt, onvoldoende is gebleken dat zij concreet naar alternatieven heeft gezocht. Verder ziet verweerder onvoldoende reden om het bestreden besluit te vernietigen wegens strijd met de hardheidsclausule. Het gaat hier om een gezin met twee ouders en twee schoolgaande kinderen. Dat maakt dat er geen uitzonderlijke gezinssituatie is. Dat [minderjarige] naar speciaal onderwijs gaat, is onvoldoende om te spreken van bijzondere omstandigheden in de zin van de hardheidsclausule.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Spoedeisend belang
6. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist.
7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster het spoedeisend belang voldoende heeft onderbouwd. Het spoedeisend belang wordt door verweerder ook niet betwist. Het schooljaar is weer begonnen waardoor verzoekster direct wordt geconfronteerd met de gevolgen van het besluit. Verzoekster heeft ter zitting toegelicht dat het haar in de eerste week na de zomervakantie niet is gelukt om de kinderen op tijd naar school te brengen en dat zij daardoor lestijd hebben gemist.
8. Nu er sprake is van een spoedeisend belang zal de voorzieningenrechter beoordelen of het beroep van verzoekster een redelijke kans van slagen heeft. Als dat het geval is, kan dit een reden zijn voor het treffen van een voorlopige voorziening.
Heeft verzoekster haar beroep een redelijke kans van slagen?
9. Tussen partijen staat niet ter discussie dat verzoekster niet voldoet aan de afstandsgrens die is neergelegd in artikel 9 van de Verordening bekostiging leerlingenvervoer gemeente Amsterdam 2024 (de Verordening). Enkel is in geschil of verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat in het geval van verzoekster geen sprake is van een bijzonder geval op grond waarvan verweerder ten gunste van haar had moeten afwijken van deze bepaling (de hardheidsclausule).
10. De hardheidsclausule waarop verzoekster een beroep doet, volgt uit artikel 23 van de Verordening en bepaalt dat verweerder in bijzondere gevallen, aangaande het vervoer voor onderwijs, ten gunste van de ouders kan afwijken van de bepalingen in de Verordening. Het al dan niet toepassen van de hardheidsclausule is een discretionaire bevoegdheid van verweerder. Dat betekent dat de voorzieningenrechter alleen terughoudend mag toetsen of verweerder de hardheidsclausule in redelijkheid niet van toepassing heeft verklaard.
11. De voorzieningenrechter stelt voorop dat veel van ouders wordt gevraagd bij het combineren van school, opvang en werk. Dit geldt voor alle ouders. Voor verzoekster is er sprake van een extra complicatie, omdat haar kinderen naar verschillende scholen gaan die niet dicht bij elkaar liggen en beiden om 8:30 uur beginnen. [minderjarige] gaat naar het speciaal onderwijs op het [school 1] op 2,7 kilometer afstand van het woonadres. De zoon van verzoekster gaat naar de basisschool [school 2] op 700 meter afstand van het woonadres. De uiteenlopende afstand van de scholen neemt echter niet weg dat de begeleiding naar school in beginsel de verantwoordelijkheid blijft van de ouders. In de toelichting op de Verordening wordt ook expliciet benoemd dat ouders verantwoordelijk zijn voor de schoolgang van hun kind en dat werk van ouders hen niet ontslaat van deze verantwoordelijkheid. Wanneer ouders zelf niet in staat zijn om begeleiding te bieden, is het hun verantwoordelijkheid iemand te zoeken, die deze taak van hen overneemt.
12. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder in redelijkheid kunnen oordelen dat dit niet een situatie is zoals bedoeld in de hardheidsclausule omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden. De voorzieningenrechter weegt hierbij mee dat er sprake is van een gezin met twee ouders en twee schoolgaande kinderen. In beginsel kunnen beide ouders een kind naar school brengen.
13. Dat vader werkt, vormt op zichzelf ook geen bijzondere omstandigheid die aangepast vervoer rechtvaardigt. Uit jurisprudentie volgt dat betaalde werkzaamheden van ouders geen grond zijn voor bekostiging van aangepast leerlingenvervoer. Het blijft primair de verantwoordelijkheid van ouders om hun kinderen naar school te brengen. Uit de werkgeversverklaring die verzoekster heeft overgelegd blijkt niet dat vader zijn werk niet langer kan uitoefenen als hij zorg moet dragen voor de begeleiding van zijn kinderen naar school. Er staat alleen in vermeld wat de werkdagen en de werktijden zijn. Voor veel ouders geldt dat zij met hun werkgever de mogelijkheden afstemmen voor het naar school brengen en halen van kinderen.
14. Verder weegt de voorzieningenrechter mee dat niet gebleken is dat er geen alternatieven in het netwerk van verzoekster zijn. Verzoekster heeft in dat kader verwezen naar verklaringen van de twee scholen waaruit onder andere blijkt dat de kinderen niet in staat zijn om zelfstandig te reizen. De voorzieningenrechter overweegt daarover dat verweerder van kinderen onder de negen jaar ook niet verwacht dat zij zelfstandig kunnen reizen. Van ouders wordt verwacht dat zij kinderen tot aan die leeftijd begeleiden. De voorzieningenrechter is voorlopig van oordeel dat verzoekster onvoldoende heeft aangetoond dat zij concreet naar andere oplossingen heeft gezocht voor het naar school brengen van de kinderen, zowel binnen als buiten haar sociale netwerk. Verzoekster heeft wel gesteld geen sociaal netwerk te hebben, maar zij heeft dit verder niet concreet kunnen maken. Zo is het de voorzieningenrechter niet duidelijk waarom het bijvoorbeeld niet mogelijk zou zijn om andere ouders in de buurt te vragen om te helpen met de begeleiding naar de school [school 2] die slechts 700 meter van het huisadres ligt.
15. Tot slot weegt de voorzieningenrechter mee dat het, volgens de routes in google maps, haalbaar is om binnen een kwartier beide kinderen tussen 8.15 uur en 8.30 uur op school af te zetten met de fiets. Op de zitting heeft verzoekster aangegeven niet te kunnen fietsen en indien zij dit gaat leren, zij [minderjarige] niet achterop de fiets kan meenemen omdat [minderjarige] daar inmiddels te groot en te zwaar voor is geworden. De voorzieningenrechter overweegt hierover dat verzoekster heeft aangegeven dat [minderjarige] wel kan fietsen. Hierdoor is niet gebleken waarom [minderjarige] niet op een eigen fiets met begeleiding van één van de ouders of van iemand anders naar school zou kunnen fietsen.
16. Gelet op voorgaande omstandigheden is er naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter op dit moment geen sprake van zodanig bijzondere omstandigheden dat het beroep een redelijke kans van slagen heeft en een tussentijdse voorziening gerechtvaardigd is.
Conclusie en gevolgen
17. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoekster voorlopig geen gelijk krijgt. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C. Simonis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: