RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats 1] , eiser
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 23/6484
(gemachtigde: mr. Y.N. Teke-Bozkurt),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: mr. S. Elfert).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [bedrijf] uit [plaats] , de werkgever
(gemachtigde: mr. J.B.E. Paashuis).
1. Deze uitspraak gaat over de toewijzing van de aanvraag van eiser voor eenWIA-uitkering. Eiser is het niet eens met de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Hij vindt onder andere dat zijn klachten onderschat zijn en dat er onvoldoende rekening is gehouden met zijn vastgestelde lichamelijke beperkingen. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid correct heeft vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met een besluit van 14 maart 2023 heeft het Uwv de door eiser aangevraagde uitkering op grond van de Wet WIA toegekend en vastgesteld dat eiser voor 46,16% arbeidsongeschikt is. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Met een besluit van 29 september 2023 op het bezwaar van eiser is het Uwv eiser deels tegemoet gekomen. Het Uwv heeft vastgesteld dat eiser per 10 april 2023 48,35% arbeidsongeschikt is (het bestreden besluit 1).
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit 1. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 30 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het Uwv. De gemachtigde van de derde partij is niet verschenen.
Na de zitting heeft de rechtbank het onderzoek heropend en nadere vragen gesteld aan het Uwv.
Op 18 december 2025 heeft het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar genomen en vastgesteld dat eiser 60,82% arbeidsongeschikt is (het bestreden besluit 2). Het Uwv verzoekt om dit nieuwe besluit, gelet op artikel 6:19 van de Awb, te betrekken in de beroepsprocedure. Eiser heeft op 25 mei 2025 gereageerd op het aanvullende besluit en aangegeven de gronden van zijn beroep te handhaven.
De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.
Beoordeling van de rechtbank
Omvang van het geding
3. De rechtbank stelt allereerst vast dat het Uwv tijdens de beroepsprocedure het bestreden besluit 2 heeft genomen. Het beroep van eiser heeft daarom mede betrekking op bestreden besluit 2. De rechtbank begrijpt het bestreden besluit 2 zo, dat deze het bestreden besluit 1 heeft vervangen. Nu het Uwv met het bestreden besluit 2 het bestreden besluit 1 heeft vervangen, heeft eiser geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit 1. De rechtbank zal daarom het beroep tegen het bestreden besluit 1niet-ontvankelijk verklaren. De rechtbank zal hieronder het beroep tegen het bestreden besluit 2 inhoudelijk beoordelen.
Medische gegevens
4. Eiser heeft geen toestemming gegeven om medische gegevens te delen met zijn voormalig werkgever. Daarom zal de rechtbank in deze uitspraak geen gedetailleerde medisch-inhoudelijke overwegingen opnemen.
Totstandkoming van de bestreden besluiten
5. Eiser is laatstelijk werkzaam geweest als [functie] voor 31 uur per week. Eiser heeft zich per 12 april 2021 ziekgemeld vanwege klachten en een arbeidsconflict. Op 5 januari 2023 heeft eiser bij het Uwv een WIA-uitkering aangevraagd.
Met het besluit van 14 maart 2023 heeft het Uwv de aanvraag toegewezen en beslist dat eiser per 10 april 2023 recht heeft op een WIA-uitkering. Volgens het Uwv is eiser 46,16% arbeidsongeschikt. Aan dit besluit liggen een rapport van de verzekeringsarts van 22 februari 2023, de opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van diezelfde datum en een rapport van de arbeidsdeskundige van 18 februari 2023 ten grondslag.
Met het bestreden besluit 1 heeft het Uwv het bezwaar van eiser gegrond verklaard. Aan dit besluit liggen een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 18 juni 2023, een FML van diezelfde datum en een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 30 augustus 2023 ten grondslag. Het Uwv heeft vastgesteld dat eiser 48,35% arbeidsongeschikt is.
Gedurende de beroepsprocedure heeft het Uwv, na heropening door de rechtbank, een nieuw besluit genomen: het bestreden besluit 2. Aan dit besluit liggen een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 12 november 2025, een nieuw opgestelde FML van diezelfde datum en een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van15 december 2025 ten grondslag. De arbeidsongeschiktheid van eiser is in dat besluit gewijzigd vastgesteld op 60,82%.
Toetsingskader
6. Op grond van artikel 5 van de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.
In deze zaak moet de rechtbank de vraag beantwoorden of het bestreden besluit op een voldoende medische en arbeidskundige grondslag berust. Daarbij is de medische situatie van eiser op 10 april 2023 (datum in geding) bepalend, want per die datum is de aanvraag van eiser om een WIA-uitkering toegewezen.
Het Uvw mag zijn besluiten over arbeidsongeschiktheid in principe baseren op rapporten van zijn verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Deze rapporten moeten dan wel aan een aantal voorwaarden voldoen: zij moeten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, ze mogen geen tegenstrijdigheden bevatten en de conclusies moeten logisch voortvloeien uit de rapporten. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat de rapporten die over hem zijn opgesteld niet aan deze vereisten voldoen. Voor het aannemelijk maken dat de medische beoordeling onjuist is, is in principe een rapport van een arts of medisch behandelaar noodzakelijk.
Zorgvuldigheid van het medisch onderzoek
7. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep zorgvuldig tot stand gekomen. De primaire verzekeringsarts heeft het dossier met de daarin beschikbare medische informatie bij zijn beoordeling betrokken en heeft eiser psychisch en lichamelijk onderzocht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft eiser opnieuw lichamelijk en psychisch onderzocht, de hoorzitting van 7 juni 2023 bijgewoond en hetgeen daar is besproken bij de beoordeling betrokken. In het rapport van 12 november 2025 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep het oordeel van de primaire verzekeringsarts heroverwogen en nadere vragen van de rechtbank beantwoord. Naar het oordeel van de rechtbank zijn alle medische gegevens op deugdelijk en kenbare wijze betrokken bij die medische beoordeling.
Medische grondslag van het bestreden besluit
8. Eiser voert aan dat bij de beoordeling onvoldoende rekening is gehouden met de ernst van zijn klachten en de daaruit voortvloeiende diagnoses. Volgens eiser zijn de met zijn diagnose samenhangende beperkingen niet volledig in de FML opgenomen. Ter onderbouwing verwijst eiser naar het rapport van Ergatis van 6 september 2022, waarin aanvullende beperkingen worden genoemd. Daarnaast wijst eiser op het behandelplan van1 december 2023, waaruit volgens hem blijkt dat een intensieve behandeling noodzakelijk is.
De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser als gevolg van verschillende diagnoses beperkingen ondervindt bij het verrichten van arbeid. Ter zitting heeft de rechtbank vastgesteld dat de beperkingen die zijn opgenomen in het rapport van Ergatis van 6 september 2022 op enkele punten afwijken van de beperkingen die de verzekeringsarts bezwaar en beroep had vastgesteld in het verzekeringsgeneeskundig rapport van 22 februari 2023. De rechtbank heeft daarin aanleiding gezien het onderzoek te heropenen en het Uwv te verzoeken deze verschillen nader te beoordelen, danwel te motiveren.
In het rapport van 12 november 2025 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de belastbaarheid van eiser opnieuw beoordeeld en op het gebied van het persoonlijk en sociaal functioneren aanvullende beperkingen aangenomen. Daarmee komen de door het Uwv vastgestelde beperkingen overeen met de beperkingen die in het rapport van Ergatis van 6 september 2022 zijn beschreven. De rechtbank stelt daarom vast dat tussen beide rapporten geen verschil meer bestaat ten aanzien van de vastgestelde beperkingen.
De rechtbank stelt verder vast dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 12 november 2025 ook het behandelplan van 1 december 2023 heeft betrokken bij de beoordeling. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gemotiveerd toegelicht dat dit behandelplan geen aanleiding geeft om naast de al aangenomen beperkingen nog verdere beperkingen vast te stellen. Ook deze grond van eiser slaagt dus niet.
Eiser heeft verder niet concreet onderbouwd welke aanvullende beperkingen volgens hem nog hadden moeten worden aangenomen en evenmin met medische informatie aannemelijk gemaakt dat zijn belastbaarheid op de datum in geding verdergaand beperkt was. De rechtbank ziet zodoende geen aanleiding om te concluderen dat er onvoldoende rekening is gehouden met de ernst van de klachten en daaruit voortvloeiende diagnoses van eiser.
Eiser heeft tevens aangevoerd dat een urenbeperking aangenomen zou moeten worden. Daarbij verwijst hij opnieuw naar zijn klachten en naar het behandelplan van 1 december 2023, waaruit blijkt dat een opname is overwogen.
De rechtbank volgt eiser hierin niet. Op grond van de Standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid beoordeelt de verzekeringsarts bezwaar en beroep of aanleiding bestaat om een urenbeperking aan te nemen. Het Uwv heeft, onder verwijzing naar het verzekeringsgeneeskundig rapport van 12 november 2025, naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat daarvan in dit geval geen sprake is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarbij ook beoordeeld of sprake is van een situatie waarin een urenbeperking noodzakelijk is vanwege energetische beperkingen, preventieve redenen of een verminderde beschikbaarheid wegens behandeling. Daarvan is niet gebleken.
Het behandelplan van 1 december 2023 leidt niet tot een ander oordeel. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gemotiveerd uiteengezet dat uit het dossier weliswaar blijkt dat een klinische opname is overwogen, maar dat een dergelijke opname op de datum in geding niet heeft plaatsgevonden en evenmin was ingepland. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat een urenbeperking niet is aangewezen. De medische beroepsgronden van eiser slagen dus niet.
Omdat de rechtbank niet twijfelt aan de juistheid van de medische beoordeling, bestaat daarin geen reden voor het inschakelen van een onafhankelijke deskundige. Dit verzoek wordt daarom afgewezen.
Arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit
9. Eiser heeft geen arbeidskundige gronden aangevoerd. De rechtbank beperkt zich daarom tot een toetsing van de vraag of de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geduide functies in medisch opzicht geschikt zijn. Uitgaande van de juistheid van de FML van 12 november 2025 is de rechtbank niet gebleken dat eiser de werkzaamheden die horen bij de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het rapport van 15 december 2025 geduide functies niet zou kunnen verrichten. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft met dit rapport, het resultaat functiebeoordeling en de daarop gegeven toelichting inzichtelijk gemaakt dat en op grond waarvan de geduide functies passend zijn. Per geduide functie is bij de signaleringen en mogelijke overschrijdingen toegelicht waarom de medische belastbaarheid van eiser in die functie niet wordt overschreden. Het Uwv heeft deze functies daarom aan de schatting van de mate van arbeidsongeschiktheid ten grondslag kunnen leggen. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv zich bij zijn besluitvorming op het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep mocht baseren.
Conclusie en gevolgen
10. De rechtbank zal het beroep tegen het bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaren. Het beroep tegen het bestreden besluit 2 zal de rechtbank ongegrond verklaren omdat uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit 2 op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag berust.
In de toepassing van artikel 6:19 van de Awb ziet de rechtbank wel aanleiding om het Uwv te veroordelen tot betaling van het griffierecht en de proceskosten. De proceskostenvergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en bij de zitting aanwezig was. Er zijn geen andere kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.A. van der Heijden, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.H. Gonera, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2026.
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.