RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 augustus 2026 in de zaak tussen
[eieres] en [eiser] , uit [woonplaats] , eisers
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 26/1338
(gemachtigde: mr. J. El Haddouchi),
en
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eisers voor een urgentieverklaring. Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de aanvraag van eisers mocht afwijzen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eisers hebben een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 16 september 2025 afgewezen op grond van de algemene weigeringsgronden van artikel 2.10.5, eerste lid en onder b (geen urgent huisvestingsprobleem) en d (het huisvestingsprobleem kan worden opgelost door gebruik te maken van een voorliggende voorziening), van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2024 (Hvv).
Met het bestreden besluit van 30 januari 2026 op het bezwaar van eisers is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 3 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] namens eisers, [persoon] als goede vriendin van [eiser] en de gemachtigde van eisers. Verweerder is niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Achtergrond van de zaak
3. Eisers zijn gehuwd en vormen samen met hun vier thuiswonende kinderen een huishouden bestaande uit zes personen. Eisers wonen sinds 16 augustus 2006 op het adres [adres] in [woonplaats]. Dit betreft een driekamerwoning met een oppervlakte van ongeveer 74m2.
4. Eisers hebben op 30 juni 2025 een urgentieverklaring aangevraagd op grond van medische problematiek. Zij hebben aangegeven dat sinds 2019 in de woning sprake is van langdurige schimmel- en vochtproblematiek na een lekkage bij de bovenburen. Als gevolg hiervan ervaart mevrouw [eieres] (de moeder) psychische klachten. Daarnaast geven eisers aan dat de kwaliteit van de woning een negatieve invloed heeft op de gezondheid van alle gezinsleden. Eisers hebben toegelicht dat de verhuurder en diverse instanties, waaronder de GGD, PerMens, Stichting !Woon en het Buurtteam, op de hoogte zijn van de problematiek en hierbij betrokken zijn geweest. Deze partijen hebben geprobeerd de schimmelproblematiek te verhelpen, maar er is geen structurele oplossing bereikt en de schimmel keert telkens terug.
5. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat er sprake is van twee algemene weigeringsgronden die genoemd worden in artikel 2.10.5 van de Hvv. De slechte staat van de woning is geen urgent huisvestingsprobleem en er zijn andere mogelijkheden om het probleem op te lossen, zoals het starten van een civiele procedure tegen de verhuurder. Omdat er sprake is van algemene weigeringsgronden heeft verweerder de aanvraag niet medisch getoetst met een GGD advies. Hoewel eisers gezondheidsproblemen hebben die samenhangen met de woning, is er geen sprake van een acuut levensbedreigende situatie die alleen door verhuizing kan worden opgelost. Daarom voldoet hun situatie niet aan de hardheidsclausule. Verweerder benadrukt dat het belang van een gezonde woonomgeving moet worden afgewogen tegen de beperkte beschikbare woonruimte in Amsterdam.
Algemene weigeringsgronden
6. Om in aanmerking te kunnen komen voor een urgentieverklaring, moet aan alle daarvoor geldende voorwaarden uit de Hvv worden voldaan. Eerst moet worden nagegaan of geen sprake is van zogenoemde algemene weigeringsgronden. De systematiek van de Hvv brengt mee dat wanneer een algemene weigeringsgrond van toepassing is, de aanvrager niet in aanmerking komt voor een urgentieverklaring. Verweerder toetst de aanvraag dan niet meer aan de voorwaarden voor de verschillende urgentiecategorieën, zoals medische urgentie.
Geen urgent huisvestingsprobleem
7. Eisers stellen dat er sprake is van een motiveringsgebrek. In de Hvv en Nadere regels is niet terug te vinden dat geen sprake is van een urgent huisvestingsprobleem als er sprake is van een woning die in een slechte staat verkeert of van onvoldoende kwaliteit is, indien dergelijke gebreken samenhangen met of leiden tot gezondheidsproblemen. Dit motiveringsgebrek klemt temeer nu de gezondheidsklachten van het gezin, als gevolg van de schimmel- en vochtproblematiek, op de voorgrond staan.
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat de schimmelvorming in de woning geen urgent huisvestingsprobleem oplevert en dat dit een algemene weigeringsgrond vormt. Dit is alleen anders als is aangetoond dat de woning onbewoonbaar is verklaard en dit is bij eisers niet het geval. De kern van het probleem van eisers is de schimmelvorming en de kwaliteit van de woning. Daarvan heeft verweerder in haar beleid expliciet de keuze gemaakt dat deze woonkwaliteitsproblemen met de verhuurder opgelost dienen te worden en niet via een urgentieverklaring. Ook niet als door het kwaliteitsprobleem gezondheidsproblemen ontstaan. Ook in die situatie dient het probleem namelijk te worden opgelost met de verhuurder.
Voorliggende voorziening
9. Eisers voeren aan dat verweerder in het kader van een voorliggende voorziening te eenvoudig voorbij gaat aan het gegeven dat eisers door de jaren heen meerdere instanties, waaronder Stichting !Woon en de gemeente Amsterdam (Team Woningkwaliteit) tevergeefs hebben ingeschakeld. Bovendien wordt met een kale verwijzing naar de civiele rechter miskend dat een verhuurder lang niet altijd verantwoordelijk wordt gehouden voor schimmel- en vochtproblematiek in een woning.
10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ook de algemene weigeringsgrond mocht tegenwerpen dat er een voorliggende voorziening is voor het oplossen van de schimmelproblematiek. Met een voorliggende voorziening wordt bedoeld dat eisers eerst zelf alle mogelijke oplossingen moeten hebben onderzocht en geprobeerd. Daarmee wordt onder meer bedoeld het starten van een juridische procedure tegen de verhuurder voor het oplossen van het schimmelprobleem. De verhuurder is primair verantwoordelijk voor het zorgen voor een gezonde woning voor eisers. Eisers zijn geen civiele procedure gestart tegen de verhuurder waardoor er nog een voorliggende voorziening open ligt om het woonprobleem op te lossen. Eisers hebben weliswaar gesteld dat zij al vijf jaar contact hebben met de verhuurder over dit probleem maar dat doet niet af aan dat de mogelijkheid voor het starten van een civiele procedure niet is benut. Bovendien hebben eisers geen stukken overgelegd van hun gestelde contacten met de verhuurder of met andere instanties waardoor ook daarmee niet is aangetoond dat het schimmelprobleem niet is op te lossen.
Medische toets
11. Eisers voeren aan dat de algemene weigeringsgronden onterecht zijn tegengeworpen, waardoor de aanvraag ten onrechte niet inhoudelijk is getoetst en in dit kader ook ten onrechte niet is beoordeeld door een GGD-arts.
12. De rechtbank overweegt dat verweerder geen medisch onderzoek hoefde te verrichten, nu zich in dit geval algemene weigeringsgronden voordoen. De rechtbank zal het gestelde over de gezondheidssituatie van eisers beoordelen in het kader van de hardheidsclausule.
Hardheidsclausule en de belangen van de kinderen
13. Eisers stellen dat de ernst van de situatie uit de overgelegde medische informatie blijkt. Bovendien kan de conclusie van verweerder dat er geen sprake is van een acuut levensbedreigend probleem niet door verweerder worden getrokken omdat de ingediende medische informatie niet is beoordeeld door een GGD-arts. Daarnaast is er een verklaring van de psycholoog en psychiater van mevrouw [eieres] , die een direct verband leggen tussen haar medische klachten en de vocht- en schimmelproblemen in de woning. De behandelaars vinden een verhuizing naar een gezonde woonomgeving noodzakelijk. Dit is onvoldoende betrokken in de besluitvorming en hierdoor is het besluit volgens eisers niet zorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd. Verder voeren eisers aan dat het bestaan van serieuze en ernstige medische klachten als: luchtwegklachten, huidklachten, chronische vermoeidheidsklachten en (verergerde) epilepsieklachten niet kunnen worden weggemotiveerd met een standaardtekst. Dit getuigt niet van het voldoende rekenschap geven van de belangen van de kinderen van eisers. Verweerder heeft dan ook met de gebrekkige motivering in strijd gehandeld met het IVRK. In het kader van het beroep op de hardheidsclausule en de belangen van het kind wordt tot slot verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland.
14. De rechtbank overweegt dat verweerder terughoudend gebruik maakt van de hardheidsclausule vanwege de schaarste aan sociale huurwoningen en de (jaren)lange wachttijden voor woningzoekenden die daarop zijn aangewezen. Gelet op de grote vraag naar en het grote tekort aan sociale huurwoningen in Amsterdam, acht de rechtbank dit niet onredelijk. De hardheidsclausule wordt daarom alleen toegepast indien weigering van een urgentieverklaring tot een schrijnende situatie leidt. De aanvrager die een beroep doet op de hardheidsclausule vanwege ernstige medische problematiek dient met bewijsstukken aan te tonen dat sprake is van een acuut levensbedreigend probleem. Hiervoor is een verklaring van een medisch specialist noodzakelijk, een verklaring van de huisarts is onvoldoende.
15. De rechtbank is van oordeel dat verweerder geen urgentieverklaring heeft hoeven te verlenen op grond van de hardheidsclausule. Er is geen sprake van een schrijnende situatie zoals bedoeld in de Hvv en Nadere regels. De rechtbank begrijpt dat de woonsituatie met vier kinderen nijpend voor eisers is, maar eisers hebben niet aangetoond dat er aanwijzingen zijn voor een acute en levensbedreigende situatie. Om die reden hoefde verweerder ook geen GGD advies te vragen.
16. Eisers verwijzen verder naar een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland over schimmelproblematiek bij een urgentieaanvraag. De rechtbank overweegt dat de vergelijking met die zaak niet opgaat omdat het daar om andere feiten en omstandigheden gaat die onvoldoende vergelijkbaar zijn met de onderhavige zaak. Zo liep er in die zaak al een procedure bij de kantonrechter en bleek uit verklaringen dat de kinderen door de woonsituatie veel ziek zijn, daardoor school missen en dat dat zou leiden tot ontwikkelingsachterstanden. Van die omstandigheden is in het geval van eisers niet gebleken.
17. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende rekening heeft gehouden met de belangen van de kinderen. Verweerder heeft gewezen op de woningkrapte in Amsterdam en dat veel gezinnen in Amsterdam wonen in een woning die niet optimaal aansluit bij hun behoeften, onder meer door ruimtegebrek of woonkwaliteit, zonder dat dit kan leiden tot een urgentieverklaring. Niet is gebleken van omstandigheden die maken dat direct ingrijpen noodzakelijk is ter bescherming van de belangen van eisers kinderen. De kinderen zijn niet dakloos maar wonen met hun ouders in een zelfstandige woning. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder het belang van een rechtvaardige woonruimteverdeling zwaarder heeft mogen laten wegen dan de belangen van eisers en van hun kinderen bij een andere woning.
Conclusie en gevolgen
18. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, rechter, in aanwezigheid van mr.C. Simonis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.