RECHTBANK AMSTERDAM
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in de zaak van
[eiser]
[gedaagde]
proces-verbaal mondeling vonnis
Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 12140464 CV EXPL 26-3785
datum uitspraak: 19 augustus 2026
func.: 364
wonende te [woonplaats]
eiser, nader te noemen: [eiser]
gemachtigde: De Ruijter & Willemsen gerechtsdeurwaarders en incasso B.V.
t e g e n
wonende te [woonplaats]
gedaagde, nader te noemen: [gedaagde]
gemachtigde: mr. A.C. Mens.
Op 19 augustus 2026 zijn voor mr. L. van Berkum, kantonrechter, bijgestaan door mr. T.C. van Andel, griffier, ter zitting verschenen:
Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord.
De kantonrechter heeft na een schorsing de behandeling van de zaak gesloten en meegedeeld dat zij mondeling uitspraak zal doen.
De kantonrechter doet de volgende uitspraak.
DE GRONDEN VAN DE BESLISSING
1. Tussen partijen bestaat sinds 23 november 2017 een huurovereenkomst met betrekking tot de woning aan het [adres] .
2. Bij eerder vonnis van 11 november 2025 zijn de ontbinding en ontruiming, onder de voorwaarde dat [gedaagde] de huurachterstand niet binnen een bepaalde termijn zou betalen, toegewezen. [gedaagde] heeft ontruiming voorkomen door de toen bestaande huurachterstand tot en met november 2025 (weliswaar buiten de gegeven termijn) te voldoen. Meteen na dat vonnis heeft hij echter een nieuwe huurachterstand laten ontstaan, die vervolgens, tot de datum van de mondelinge behandeling, slechts is opgelopen. [gedaagde] heeft na het eerdere vonnis geen enkele maand huur meer betaald, ondanks toezeggingen daartoe. Evenmin heeft hij ter zitting voldoende kunnen uitleggen hoe hij deze nieuwe huurachterstand zal inlopen.
3. [eiser] vordert vanwege een opnieuw ontstane huurachterstand in deze procedure ontbinding van de huurovereenkomst en opnieuw ontruiming van het gehuurde. Verder vordert [eiser] veroordeling van [gedaagde] tot betaling van – kort gezegd – een huurachterstand tot en met augustus 2026 van € 16.050,84, buitengerechtelijke kosten, toekomstige huur dan wel schadevergoeding en proceskosten.
4. Ter zitting is vastgesteld dat [eiser] heeft verhuurd als handelaar. Nu [gedaagde] wordt aangemerkt als consument, moet de bedingen in de huurovereenkomst ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13 EG (de Richtlijn oneerlijke bedingen).
5. Het huurprijsbeding is transparant en daarmee op grond van artikel 4 lid 2 van de Richtlijn oneerlijke bedingen uitgesloten van verdere toetsing op oneerlijkheid. De bedingen die wel moeten worden getoetst en die van belang zijn voor onderhavige vordering (artikel 5.2 en 11.2 van de huurovereenkomst en artikel 16 van de algemene bepalingen huurovereenkomst woonruimte (ROZ 2017) zijn niet oneerlijk bevonden, op het beding van artikel 25.2 na. In het artikel is bepaald:In alle gevallen waarin (ver)huurder een sommatie, een ingebrekestelling of een exploot aan (ver)huurder doet uitbrengen, of in geval van procedures tegen (ver)huurder om deze tot nakoming van de huurovereenkomst of huurder tot ontruiming te dwingen, is (ver)huurder verplicht alle daarvoor gemaakte kosten, zowel in als buiten rechte – met uitzondering van de ingevolge een definitieve rechterlijke beslissing door (ver)huurder te betalen proceskosten – aan (ver)huurder te voldoen, voor zover op de vergoeding van die kosten de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten en het Besluit incassokosten niet van toepassing is.
Dit beding is splitsbaar in een beding over buitengerechtelijke kosten en een beding over proceskosten. Beide bedingen zijn oneerlijk. De reden daarvoor en de gevolgen daarvan zullen bij de betreffende vorderingen worden toegelicht.
6. De huurachterstand is, ook cijfermatig, niet betwist en is toewijsbaar, inclusief de daarover gevraagde rente vanaf de vervaldata van de betreffende huurtermijnen. Ook de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde worden toegewezen, nu deze gelet op de hoogte van de huurachterstand (van ruim acht maanden) en de duur waarover deze reeds bestaat, gerechtvaardigd zijn, een melding schuldhulp is gedaan en geen minderjarige kinderen in de woning wonen Bovendien is sprake van herhaalde wanprestatie, nu [gedaagde] deze huurachterstand heeft laten ontstaan na het vonnis van 11 november 2025.
7. Er bestaat op grond van deze laatste omstandigheid geen aanleiding om aan de ontbinding en veroordeling tot ontruiming opnieuw een zogenaamde terme de graçe te verbinden, zoals [gedaagde] ter zitting heeft bepleit.
8. De ontruiming wordt toegewezen op een termijn van twee weken na vandaag. De huur tot aan de ontbinding en de gevorderde schadevergoeding tot aan de ontruiming zijn eveneens toewijsbaar. De eventuele kosten voortvloeiend uit een gedwongen ontruiming zoals gevorderd onder e van het petitum zijn niet toewijsbaar, nu dit toekomstige kosten betreffen waarvan niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat deze ook daadwerkelijk zullen worden gemaakt.
9. Ten aanzien van de buitengerechtelijke kosten geldt dat het deel van artikel 25.2 van de algemene bepalingen dat daarop ziet, afwijkt van de wettelijke regeling van artikel 6:96 BW, nu daarin niets is bepaald over wanneer deze kosten zijn verschuldigd. De gevorderde buitengerechtelijke kosten worden daarom afgewezen.
10. Artikel 25.2 van de algemene bepalingen biedt ook de mogelijkheid om meer proceskosten in rekening te brengen dan bij wet voorzien. De in het ongelijk gestelde partij wordt immers normaliter veroordeeld in de proceskosten, vastgesteld conform het liquidatietarief. De Hoge Raad heeft aan het Hof van Justitie van de Europese Unie de prejudiciële vraag gesteld of een consument alsnog kan worden veroordeeld in de proceskosten, na vernietiging van het oneerlijke proceskostenbeding (ECLI:NL:HR:2025:1081). Zolang hierop nog geen antwoord is gegeven, acht de kantonrechter het geheel achterwege laten van een proceskostenveroordeling bij een huurzaak niet aangewezen. De proceskosten zullen dan ook volgens het gebruikelijke liquidatietarief worden toegewezen.
11. Ten slotte wordt het vonnis, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard, nu verder niet is toegelicht dat de kans aannemelijk is dat in hoger beroep anders wordt geoordeeld.
DE BESLISSING
De kantonrechter:
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst;
veroordeelt [gedaagde] om het gehuurde aan het [adres] binnen twee weken na heden te ontruimen en ter beschikking van [eiser] te stellen, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het in artikel 555 e.v. jo. 444 Rv bepaalde;
veroordeelt [gedaagde] om te betalen aan [eiser] :
- € 16.050,84 tot betaling van een huurachterstand tot en met augustus 2026, vermeerderd met de wettelijke rente over € 7.030,60 vanaf 10 maart 2026 en over de daarna vervallen huurtermijnen vanaf de vervaldata van de betreffende huurtermijnen, tot aan de voldoening;
- € 13,20 aan vervallen rente tot de dagvaarding;
- € 1.834,98 per maand vanaf 1 september 2025 tot en met het eind van de maand waarin het gehuurde daadwerkelijk is ontruimd;
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op:exploot € 154,36salaris € 720,00griffierecht € 265,00totaal € 1.139,36voor zover van toepassing, inclusief btw;
veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 144,00 aan salaris gemachtigde, voor zover van toepassing inclusief btw;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.
De griffier De kantonrechter