RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-151053-26
Datum uitspraak: 27 augustus 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 5 juni 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 7 mei 2026 door het Parket van de procureur des Konings Antwerpen, België, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren op [geboortedag] 2003 in [geboorteplaats],
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres],
nu gedetineerd in [detentieadres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
Zitting van 15 juli 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 15 juli 2026, in aanwezigheid van mr. N. Lemmers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. J. Zaim, advocaat in Utrecht.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
Tussenuitspraak van 29 juli 2026
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank het onderzoek heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de onder 4 vermelde vragen omtrent de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon zoals bedoeld in artikel 12 OLW aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen.
Zitting van 20 augustus 2026
Op deze zitting heeft de rechtbank - met instemming van partijen - de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon heeft op 20 augustus 2026 afstand gedaan van het recht om bij de behandeling op zitting aanwezig te zijn. Hij is vertegenwoordigd door een gemachtigd advocaat, mr. J. Zaim.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft.
3. Tussenuitspraak
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB (onder 3), de strafbaarheid van de feiten (onder 5), de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW (onder 6) en de Belgische detentieomstandigheden in het kader van artikel 11 OLW (onder 7). Hetgeen de rechtbank hierover heeft overwogen, moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
4. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Inleiding
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 4 van de tussenuitspraak. De overwegingen uit de tussenuitspraak dienen als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
Het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) heeft op 29 juli 2026 de door de rechtbank in de tussenuitspraak geformuleerde vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit gesteld.
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft op 31 juli 2026 hierop de volgende antwoorden gegeven:
“De dagvaarding werd op 29 april 2025 door de gerechtsdeurwaarder per aangetekend schrijven verstuurd aan betrokkene op zijn gekend adres in Nederland.Er is geen bewijs voorhanden dat betrokkene deze persoonlijk heeft ontvangen. Op de inleidende zitting van 24 juni 2025 werd betrokkene vertegenwoordigd door advocaat M. Vosters, die om een uitstel verzocht.Op 1 september 2025 liet de advocaat per mail aan de rechtbank weten dat zij niet langer optrad voor betrokkene. Op latere zittingen is niemand meer verschenen en betrokkene werd op 1 oktober 2025 bij verstek veroordeeld. Het verstekvonnis werd door de gerechtsdeurwaarder op 19 november 2025 per aangetekend schrijven verstuurd aan betrokkene op zijn adres in Nederland.Er is geen bewijs voorhanden dat betrokkene dit persoonlijk heeft ontvangen.
Betrokkene heeft het recht om verzet aan te tekenen tegen het verstekvonnis en het is aan de rechter om te oordelen of dit verzet ontvankelijk is.”
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd. Uit de aanvullende informatie van 31 juli 2026 blijkt dat geen bewijs voorhanden is dat de opgeëiste persoon de dagvaarding persoonlijk heeft ontvangen. Verder blijkt niet op welke wijze de opgeëiste persoon is opgeroepen of anderszins in kennis is gesteld van de vervolgzitting(en). Het is dan ook onduidelijk of de opgeëiste persoon wist dat zijn strafzaak (verder) werd behandeld en dat hij daarbij aanwezig kon zijn. Daarnaast blijkt uit de aanvullende informatie dat geen bewijs voorhanden is dat de opgeëiste persoon het verstekvonnis persoonlijk heeft ontvangen. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft geen antwoord gegeven op de vraag of het aannemelijk is dat het verzet ontvankelijk zal worden verklaard. Bovendien wordt onvoldoende gewaarborgd dat de opgeëiste persoon na overlevering daadwerkelijk een nieuwe inhoudelijke behandeling van zijn zaak kan krijgen als bedoeld in artikel 12, onder d, OLW. Dat de opgeëiste persoon formeel verzet kan instellen en dat de Belgische rechter dit mogelijk ontvankelijk zal verklaren, is daartoe onvoldoende.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich - onder verwijzing naar jurisprudentie van deze rechtbank - op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet aan overlevering in de weg staat. Uit de aanvullende informatie van 31 juli 2026 blijkt dat de uitvaardigende justitiële autoriteit geen bewijs voorhanden heeft dat de opgeëiste persoon de dagvaarding dan wel het verstekvonnis persoonlijk heeft ontvangen. Het Belgische Openbaar Ministerie kan dan ook niet aantonen dat de opgeëiste persoon op de hoogte is geraakt van de strafzaak, de behandeling daarvan en het verstekvonnis. Daarmee beschikt het Belgische Openbaar Ministerie niet over de gegevens - namelijk dat de opgeëiste persoon wél wist van de dagvaarding of het verstekvonnis - die het zal moeten verstrekken aan de Belgische rechter zodat het verzet niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Bovendien kan het Belgische Openbaar Ministerie geen uitspraak doen over de ontvankelijkheid van het verzet, aangezien dit door de Belgische rechter zal moeten worden beoordeeld. Aan de hand van het voorgaande kan echter worden geconcludeerd dat het niet aannemelijk is dat het verzet niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
Oordeel van de rechtbank
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit omdat uit onderdeel d) van het EAB blijkt dat het verstekvonnis overeenkomstig Belgisch recht op 19 november 2025 rechtsgeldig is betekend aan het adres van de opgeëiste persoon in Nederland en de rechtbank om die reden niet kon uitsluiten dat de opgeëiste persoon op enig moment op de hoogte is geraakt van het Belgische vonnis, in het bijzonder of de betekening van het vonnis op 19 november 2025 aan hem in persoon is gedaan. Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 31 juli 2026 blijkt echter dat geen bewijs voorhanden is dat de opgeëiste persoon het verstekvonnis persoonlijk heeft ontvangen. Aangezien het verstekvonnis niet aan de opgeëiste persoon in persoon is betekend, kan hij blijkens onderdeel d) van het EAB op grond van artikel 187, paragraaf 1, van het Belgische Wetboek van Strafvordering in verzet komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop hij van de betekening kennis heeft gekregen. Uit onderdeel d) van het EAB volgt verder dat het verstekvonnis na de overlevering onverwijld persoonlijk aan de opgeëiste persoon zal worden betekend. De opgeëiste persoon zal na de betekening van het verstekvonnis uitdrukkelijk worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarbij de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing. Bovendien zal de opgeëiste persoon worden geïnformeerd over de termijn waarover hij beschikt om verzet (namelijk vijftien dagen) of hoger beroep (namelijk 30 dagen) aan te tekenen. Dit betekent dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering en vanaf het moment dat het verstekvonnis aan hem in persoon is betekend een termijn van vijftien dagen heeft om verzet aan te tekenen (of 30 dagen om hoger beroep in te stellen). Dat een Belgische rechter de ontvankelijkheid van het verzet of hoger beroep zal toetsen, betekent niet dat aan het recht op verzet of hoger beroep andere voorwaarden zijn gesteld dan de voorwaarden met betrekking tot het tijdig instellen van het rechtsmiddel. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de in het EAB vermelde verzetgarantie.
Naar het oordeel van de rechtbank voldoet de informatie in onderdeel d) van het EAB en de aanvullende informatie van 31 juli 2026 dan ook aan de eisen van artikel 12, onder d, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is dus niet van toepassing.
5. Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en dat er een garantie is gegeven als bedoeld in artikel 12, onder d, OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe.
6. Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5 en 7 OLW.
7. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Parket van de procureur des Konings Antwerpen (België) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.R.P.J. Davids, voorzitter,
mrs. W.A.J.P. van den Reek en E.M. de Bie, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 27 augustus 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.