RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer / rekestnummer: 12198824 \ EA VERZ 26-478
Beschikking van 25 augustus 2026
in de zaak van
de publiekrechtelijke rechtspersoon
GEMEENTE AMSTERDAM,
gevestigd te Amsterdam,
verzoekende partij,
hierna te noemen: gemeente Amsterdam,
gemachtigde: mr. A.P. van den Broek-Darsan,
tegen
[verweerder] ,
wonende te [woonplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
procederend in persoon.
1. De procedure
Gemeente Amsterdam heeft op 21 april 2026 een verzoekschrift met producties ingediend strekkende tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. [verweerder] heeft geen verweerschrift ingediend.
Op 5 augustus 2026 is de mondelinge behandeling gehouden. Namens gemeente Amsterdam zijn verschenen [naam 1] , Senior HR adviseur Directie P&O, en [naam 2] , Teammanager Kredietbank Armoedebestrijding, bijgestaan door mr. Van den Broek-Darsan. [verweerder] is verschenen en stond zichzelf bij. Partijen hebben vragen van de kantonrechter beantwoord en hun standpunten toegelicht. Na verder debat is beschikking gevraagd en is de datum voor beschikking bepaald op vandaag.
2. De feiten
[verweerder] , geboren op [geboortedatum] 1975, is sinds 1 januari 2019 (de eerste vijf maanden via een uitzendbureau) werkzaam voor gemeente Amsterdam. Per 9 december 2019 is zij werkzaam op de afdeling Verkoop en Bureau Gevonden Voorwerpen (sinds 1 januari 2022 onderdeel van de afdeling Armoedebestrijding). Op grond van de toepasselijke Personele en Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Amsterdam geldt een periode van loondoorbetaling bij ziekte van 36 maanden.
Op 22 september 2022 heeft er een incident plaatsgevonden tussen [verweerder] en een collega tijdens een teambuildingsbijeenkomst. Volgens [verweerder] heeft die collega haar ongevraagd een tongzoen gegeven.
Op 4 oktober 2022 heeft [verweerder] hiervan melding gedaan bij Bureau Integriteit van gemeente Amsterdam en medio november 2022 aangifte bij de politie. Na onderzoek hebben zowel Bureau Integriteit als het Openbaar Ministerie geconcludeerd dat de beschikbare feiten onvoldoende aanknopingspunten bieden voor nader onderzoek dan wel vervolging.
Op 17 januari 2023 heeft [verweerder] zich volledig ziekgemeld.
Met ingang van 1 mei 2023 is [verweerder] binnen de afdeling Armoedebestrijding overgeplaatst naar team Voorzieningen.
Op 21 juni 2023 is [verweerder] gestart met re-integratie in aangepaste werkzaamheden voor twee uur per week. Per 21 juli 2023 is dit uitgebreid naar vier uur per week, waarbij [verweerder] vanuit huis re-integreerde.
Op 29 september 2023 heeft [verweerder] zich opnieuw volledig ziekgemeld.
Op 11 maart 2024 is [verweerder] opnieuw gestart met aangepaste werkzaamheden op haar eigen werkplek. Op 4 april 2024 heeft [verweerder] aan gemeente Amsterdam meegedeeld niet langer op haar werkplek te kunnen of willen werken en zich opnieuw ziekgemeld.
Op 16 april 2024 is [verweerder] gestart met een re-integratietraject bij BeauAvis met als doel een baan te vinden bij een andere werkgever (spoor 2).
In juni 2024 heeft de bedrijfsarts geoordeeld dat er benutbare mogelijkheden zijn voor re-integratie en dat gestart kon worden met geleidelijke opbouw van uren buiten de oorspronkelijke werkplek. Vervolgens is [verweerder] op 16 juli 2024 gestart met re-integratie bij de afdeling Veilig Thuis van de GGD Amsterdam. Op 12 augustus 2024 heeft [verweerder] zich opnieuw ziekgemeld.
Omdat [verweerder] meerdere afspraken over de re-integratie had afgezegd, heeft gemeente Amsterdam haar bij brief van 24 september 2024 erop gewezen dat het niet nakomen van re-integratieafspraken of het weigeren van passende werkzaamheden gevolgen kan hebben voor de loonbetaling.
Op 18 oktober 2024 is er een gesprek geweest tussen gemeente Amsterdam en [verweerder] , waarbij ook haar vertrouwenspersoon aanwezig was. In dit gesprek is onder meer afgesproken dat gekeken zal worden naar nieuwe re-integratieplekken bij gemeente Amsterdam (spoor) 1 en in spoor 2 en dat er periodiek voortgangsgesprekken zullen plaatsvinden.
In november 2024 is [verweerder] gestart met re-integratiewerkzaamheden bij de gemeentelijke begraafplaats en crematorium De Nieuwe Ooster.
Bij beslissing van 5 februari 2025 is de door [verweerder] aangevraagde WIA-uitkering afgewezen. Uit die beslissing volgt dat zij voor 20,72% arbeidsongeschikt is.
De bedrijfsarts heeft op 11 februari 2025 geoordeeld dat er meer een conflict speelt tussen partijen dan een medisch probleem bij [verweerder] . De bedrijfsarts heeft partijen geadviseerd hun conflict op te lossen met behulp van mediation.
Op of omstreeks 17 februari 2025 heeft [verweerder] zich ziekgemeld bij De Nieuwe Ooster. In een e-mail van 10 maart 2025 van een medewerker van de Nieuwe Ooster aan onder meer de leidinggevende van [verweerder] staat het volgende:
“Ik heb [ [verweerder] , ktr] afgelopen vrijdag eindelijk te pakken gekregen na een paar keer gebeld te hebben, we hadden geen idee hoe het met haar ging. Ze had zich 3 weken geleden ziekgemeld met naar wij dachten griep.
[ [verweerder] , ktr] gaf vrijdag aan dat het niet goed gaat, ze ziet het allemaal niet meer zitten. Het komt erop neer dat ze niet meer kan komen re-integreren bij ons gaf ze aan.
Dit ter info voor jullie, ik beschouw haar inzet bij ons als afgelopen.”.
Op 7 maart 2025 heeft de re-integratie-/loopbaanadviseur van gemeente Amsterdam gesproken met [verweerder] over een mogelijke functie als receptiemedewerker bij het Carrièrecentrum Amsterdam. [verweerder] heeft daarop meegedeeld dat die functie haar niet aanspreekt, zij niet in staat is om te werken en het mediationtraject wil afwachten.
Naar aanleiding van het advies van de bedrijfsarts (zie 2.15.) heeft gemeente Amsterdam een mediator ingeschakeld. Partijen hebben een voorgesprek gehad met de mediator. Bij e-mail van 15 april 2025 heeft de mediator geschreven dat zij het mediationtraject sluit, omdat een impasse is ontstaan die maakt dat mediation niet kan worden opgestart, die eruit bestond dat gemeente Amsterdam de leidinggevende van [verweerder] had aangewezen om deel te nemen aan de mediation, terwijl [verweerder] wilde dat de gemeentesecretaris namens gemeente Amsterdam aan de mediation zou deelnemen.
Begin mei 2025 heeft het Buurtteam Amsterdam aan gemeente Amsterdam meegedeeld dat zij ervoor openstaat dat [verweerder] bij haar komt re-integreren (spoor 2). [verweerder] is niet verschenen op gesprekken die noodzakelijk waren om deze re-integratieplek tot stand te brengen, waardoor die re-integratie niet is doorgegaan.
Bij e-mail van 7 mei 2025 heeft gemeente Amsterdam [verweerder] uitgenodigd voor een gesprek op 19 mei 2025 over de herstart van haar re-integratieactiviteiten. Bij e-mail van 16 mei 2025 heeft [verweerder] het volgende geschreven aan [naam 1] (HR-adviseur):
“(…) Ik ben maandag 19 mei niet aanwezig omdat ik zo ziek ben geworden van deze situatie kan ik niet meer rationeel communiceren. Ik heb doorgegeven dat ik advies heb gevraagd en wacht op een terugkoppeling. Verder ga ik niets meer doen. Ik kan uit de brief halen dat jullie voldoende hebben verzameld om de arbeidsovereenkomst te beëindigen of sancties op te leggen. Doe maar, zou ik zeggen, ik lig daar niet meer wakker van. Het is jullie beslissing geweest dat het zo is gegaan.”.
Bij brief van 27 mei 2025 heeft gemeente Amsterdam [verweerder] uitgenodigd voor een gesprek op 11 juni 2025. Verder heeft gemeente Amsterdam [verweerder] in die brief gewezen op haar re-integratieverplichtingen en een loonstop aangekondigd als zij zonder reden niet op het gesprek verschijnt.
Omdat [verweerder] niet is verschenen op het gesprek van 11 juni 2025 heeft gemeente Amsterdam haar bij brief van 17 juni 2025 geïnformeerd dat haar loon per 11 juni 2025 is stopgezet. In die brief is [verweerder] uitgenodigd voor een gesprek op 7 juli 2025.
Bij e-mail van 4 juli 2025 heeft [verweerder] aan gemeente Amsterdam een brief gestuurd. Daarin staat, voor zover van belang, het volgende:
“(…) Zowel fysiek als mentaal ben ik op dit moment onvoldoende belastbaar om deel te nemen aan gesprekken over re-integratieactiviteiten. (…)
Zoals eerder gemeld is mijn uitval het gevolg van een conflict, die bij mij heeft geleid tot psychisch trauma. Sindsdien ervaar ik een continue staat van stress, angst en overbelasting. De wijze waarop mijn melding van grensoverschrijdend gedrag is behandeld, heeft mijn gevoel van veiligheid ernstig aangetast.
In de afgelopen periode heb ik me meerdere malen ingezet om te re-integreren. Helaas heb ik hierbij tegenwerking ervaren. Tijdens deze pogingen werd ik genegeerd, langdurig zonder taken gelaten en voelde ik mij geïsoleerd. Deze omstandigheden hebben mijn klachten verergerd en maakten een duurzame opbouw van werkuren onmogelijk. (…)
In maart 2024 had ik een afspraak op de locatie [locatie] voor een verslag met Elabo. Er werd mij gevraagd of ik de volgende dag kon starten weer op de afdeling Voorzieningen, mijn formele werkplek en hiermee ben ik akkoord gegaan. Helaas is er een onveilige situatie voor mij gecreëerd doordat een ontmoeting plaatsvond met de persoon die zich aan mij heeft vergrepen. Ik heb dit direct gemeld. Dit heeft een behoorlijke impact om mij gehad. Kort daarna is mij mondeling door mevrouw [naam 3] medegedeeld dat ik niet meer op de afdeling welkom ben. Mijn verzoek om hiervan schriftelijke bevestiging te ontvangen, is tot op heden onbeantwoord gebleven.
(…)”.
Gemeente Amsterdam heeft vervolgens een afspraak voor [verweerder] gemaakt bij de bedrijfsarts op 18 juli 2025. [verweerder] is daar niet verschenen.
Bij brief van 30 juli 2025 heeft gemeente Amsterdam [verweerder] gewezen op haar re-integratieverplichtingen en haar geïnformeerd dat de eerder opgelegde loonstop van kracht blijft zolang zij niet meewerkt aan haar re-integratie.
Bij e-mail van 24 september 2025 heeft [verweerder] aan [naam 1] geschreven dat zij geestelijke schade heeft opgelopen waardoor zij niet meer kan werken Verder schrijft zij dat zij door de loonstop haar rekeningen niet meer kan betalen en binnenkort haar telefoon wordt afgesloten. Bij e-mail van 17 oktober 2025 heeft gemeente Amsterdam [verweerder] uitgenodigd voor een gesprek op 27 oktober 2026. [verweerder] heeft vervolgens laten weten niet op dit gesprek te zullen verschijnen.
Op 7 november 2025 heeft de bedrijfsarts opnieuw geoordeeld dat sprake is van een arbeidsconflict en niet primair van een medisch probleem. Gemeente Amsterdam heeft [verweerder] daarop vervolgens uitgenodigd voor een gesprek op 26 november 2025. [verweerder] is zonder bericht niet verschenen.
Bij brief van 9 december 2025 heeft gemeente Amsterdam aan [verweerder] voorgesteld om in overleg en met wederzijds goedvinden tot beëindiging van het dienstverband te komen. In een telefoongesprek op 11 december 2025 heeft [verweerder] meegedeeld dat een gesprek hierover voor haar op korte termijn niet haalbaar was en dat zij eerst ondersteuning wilde zoeken bij het begeleiden van de situatie.
Bij brief van 14 januari 2026 heeft gemeente Amsterdam [verweerder] opnieuw uitgenodigd voor een gesprek over het beëindigen van het dienstverband en daarbij twee data voorgesteld. Van [verweerder] is sindsdien geen reactie meer ontvangen.
3. Het verzoek
Gemeente Amsterdam verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] op de kortst mogelijke termijn te ontbinden zonder rekening te houden met de opzegtermijn, primair vanwege verwijtbaar handelen (e-grond), subsidiair vanwege een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond) en meer subsidiair vanwege een combinatie van voormelde gronden (i-grond) en daarbij te bepalen dat [verweerder] geen recht heeft op een transitievergoeding, met veroordeling van [verweerder] in de proces- en nakosten.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, ingegaan.
4. De beoordeling
Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.
Gemeente Amsterdam verzoekt primair ontbinding op de e-grond. Daaronder wordt verstaan het verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer, zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Als hiervan sprake is, heeft de werkgever geen herplaatsingsplicht. Achtergrond hiervan is dat een ontslag op deze grond een sanctie is op ontoelaatbaar gedrag van de werknemer.
Verwijtbaar handelen kan onder meer bestaan uit het niet nakomen van re-integratieverplichtingen. Voor ontbinding wegens verwijtbaar handelen omdat de werknemer de re-integratieverplichtingen niet nakomt is vereist dat de werkgever de werknemer eerst schriftelijk heeft gemaand tot nakoming en een loonsanctie heeft opgelegd en bij het verzoek een deskundigenoordeel van het UWV in het geding brengt (artikel 7:671b lid 5 Burgerlijk Wetboek (BW)).
Gemeente Amsterdam heeft geen deskundigenoordeel overgelegd waaruit blijkt dat [verweerder] onvoldoende heeft meegewerkt aan haar re-integratie. Daarom wordt aangenomen dat gemeente Amsterdam geen deskundigenoordeel bij het UWV heeft aangevraagd. Daarnaast heeft zij geen omstandigheden gesteld, noch zijn die gebleken, op grond waarvan het overleggen van een deskundigenoordeel in redelijkheid niet van haar kan worden gevergd. Omdat gemeente Amsterdam geen deskundigenoordeel heeft overgelegd, zal het verzoek tot ontbinding wegens het niet nakomen van re-integratieverplichtingen door [verweerder] worden afgewezen.
Gemeente Amsterdam heeft aan haar verzoek tot ontbinding op de g-grond (verstoorde arbeidsverhouding) dezelfde feiten ten grondslag gelegd als aan haar verzoek op de e-grond, namelijk het niet nakomen van re-integratieverplichtingen door [verweerder] . Toewijzing van het ontbindingsverzoek op de g-grond vanwege het niet nakomen van re-integratieverplichtingen zou een ontoelaatbare doorkruising opleveren van het bepaalde in artikel 7:671b lid 5 BW en de waarborg van een deskundigenoordeel teniet doen. De arbeidsovereenkomst zal dus niet worden ontbonden omdat [verweerder] niet aan haar re-integratie zou hebben meegewerkt.
Wel is ter zitting duidelijk geworden dat de arbeidsverhouding tussen gemeente Amsterdam en [verweerder] (ook) om een andere reden ernstig en duurzaam verstoord is geraakt. De aanleiding hiervoor is de afhandeling van de klacht van [verweerder] over een voorval tijdens een teambuildingsbijeenkomst. Volgens [verweerder] heeft een collega haar tijdens die bijeenkomst ongevraagd een tongzoen gegeven. Bureau Integriteit van gemeente Amsterdam en het Openbaar Ministerie hebben geconcludeerd dat de beschikbare feiten onvoldoende aanknopingspunten bieden voor nader onderzoek dan wel vervolging. Wat daar ook van zij [verweerder] heeft zich hierover niet gehoord en gesteund gevoeld door gemeente Amsterdam en duidelijk is dat beide partijen absoluut niet meer met elkaar door willen en dat een vruchtbare samenwerking niet meer denkbaar is. Herplaatsing ligt dan ook niet in de rede.
Omdat [verweerder] al meer dan twee jaar ziek is, is het opzegverbod tijdens ziekte komen te vervallen. De (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid van [verweerder] staat dus niet aan de ontbinding in de weg. Maar ook als het opzegverbod wel zou gelden, zou de arbeidsovereenkomst zijn ontbonden, omdat sprake is van omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst in het belang van [verweerder] behoort te eindigen (artikel 7:671b lid 6 BW).
Bovenstaande betekent dat de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden.
Gemeente Amsterdam heeft gesteld dat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en dat daarom de arbeidsovereenkomst op de kortst mogelijke termijn en zonder toekenning van een transitievergoeding moet worden ontbonden. Volgens gemeente Amsterdam heeft [verweerder] ernstig verwijtbaarheid gehandeld, omdat zij niet heeft meegewerkt aan haar re-integratie. Zoals hierboven geoordeeld, wordt de arbeidsovereenkomst niet om die reden ontbonden. Daar komt bij dat, hoewel vast is komen te staan dat [verweerder] herhaaldelijk geen gevolg heeft gegeven aan redelijke instructies van gemeente Amsterdam, de kantonrechter niet kan vaststellen dat [verweerder] structureel haar re-integratieverplichtingen in de zin van artikel 7:660a BW heeft veronachtzaamd. Een deskundigenoordeel van het UWV dienaangaande ontbreekt immers. Daarbij is ook van belang dat [verweerder] heeft aangevoerd dat zij het niet kon opbrengen om naar de afspraken te gaan omdat zij ziek werd van de houding van gemeente Amsterdam. Dat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld bij het ontstaan van de verstoorde arbeidsverhouding vanwege de afhandeling van haar klacht is gesteld noch gebleken.
Het einde van de arbeidsovereenkomst zal worden bepaald op 1 oktober 2026. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure.
Bovenstaande betekent dat het verzoek van gemeente Amsterdam om te bepalen dat [verweerder] geen recht heeft op een transitievergoeding, zal worden afgewezen.
De proceskosten zullen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5. De beslissing
De kantonrechter
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 oktober 2026,
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt,
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.F. Kuiken, kantonrechter, bijgestaan door mr. M.F. van Grootheest, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2026.
57170