ECLI:NL:RBAMS:2026:8600

ECLI:NL:RBAMS:2026:8600

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 28-08-2026
Datum publicatie 28-08-2026
Zaaknummer AMS 26/3981 en AMS 26/3982
Rechtsgebied Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Beroep en voorlopige voorziening kortgesloten. Intrekking erkenning bedrijfsvoorraad en erkenning [erkenning]. Spoedeisend belang aangenomen. Toezichthouder van verweerder heeft ten onrechte de cautie niet gegeven. De verklaringen van verzoeker kunnen daarom niet worden gebruikt als bewijs voor de feiten die aan de sanctie ten grondslag zijn gelegd. Het terugdraaien van kilometerstanden wordt aangemerkt als fraude en is een overtreding. Verzoeker is verantwoordelijk voor zijn werknemers en fouten van deze werknemers komen voor zijn rekening en risico, ongeacht of verzoeker wist van de fraude of niet. Geen sprake van strijd met het evenredigheidsbeginsel. Beroep gegrond want in strijd met de cautieplicht. Rechtsgevolgen van het bestreden besluit blijven in stand want verweerder mocht de erkenning bedrijfsvoorraad en [erkenning] intrekken.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

[verzoeker] namens [bedrijf 1] , uit [woonplaats 1] , verzoeker

de directie van de Dienst Wegverkeer (RDW), verweerder

Samenvatting

Bestuursrecht

Zaaknummers: AMS 26/3981 (voorlopige voorziening) en AMS 26/3982 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 augustus 2026 op het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaken tussen

(gemachtigde: mr. H.J.G. Dudink),

en

(gemachtigde: mr. F. Thomas).

Deze uitspraak gaat over de intrekking van de erkenning bedrijfsvoorraad van verzoeker en de intrekking van zijn erkenning [erkenning]. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Hij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter de intrekking van de erkenning bedrijfsvoorraad en de erkenning [erkenning].

De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is maar laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Procesverloop

Verweerder heeft met het besluit van 23 april 2026 de erkenning bedrijfsvoorraad en de erkenning [erkenning] van verzoeker ingetrokken vanaf 7 mei 2026. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 op het bezwaar van verzoeker is verweerder bij dat besluit gebleven. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen inhoudende dat de intrekking van de erkenning bedrijfsvoorraad en de erkenning [erkenning] wordt geschorst tot zes weken nadat op het beroep is beslist.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 4 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van verweerder.

Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eiser daartegen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Spoedeisend belang

De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist.

Verzoeker voert aan dat hij niet alleen financieel schade zal lijden maar dat hij sinds 7 mei 2026 heeft ervaren dat hij onherstelbaar klanten verliest en de sanctie 100% van zijn bedrijfsvoering treft. Door de sanctie kan verzoeker een geruime tijd geen gebruik meer maken van zijn erkenningen terwijl de overige lopende verplichtingen en bedrijfsmatige gevolgen doorlopen. Verzoeker heeft dit niet onderbouwd met stukken maar heeft op de zitting toegelicht wat zijn vaste kosten zijn en dat hij op korte termijn in een financiële noodsituatie terechtkomt als zijn onderneming stil komt te liggen. Gelet op deze omstandigheden ziet de voorzieningenrechter aanleiding om verzoeker het voordeel van de twijfel te geven en het spoedeisend belang aan te nemen.

Cautie

Verweerder verwijt verzoeker onder andere dat de kilometerstanden van voertuigen zijn teruggedraaid terwijl de voertuigen in de bedrijfsvoorraad van verzoeker stonden. Deze overtreding is deels gebaseerd op verklaringen die door verzoeker zijn afgelegd tijdens bedrijfsbezoeken van de toezichthouder van 5 november 2025 en 9 januari 2026. Verzoeker voert aan dat de toezichthouder niet heeft verteld waar het doel van de ondervraging op zag en welke gevolgen daaraan konden worden verbonden. Ook is de cautie niet gegeven. De verklaringen van verzoeker kunnen dan ook niet worden meegenomen in het bewijs.

In artikel 5:10a van de Awb staat dat degene die wordt verhoord met het oog op het aan hem opleggen van een bestraffende sanctie, niet verplicht is ten behoeve daarvan verklaringen omtrent de overtreding af te leggen. Het zwijgrecht en de cautieplicht bestaat wanneer naar objectieve maatstaven door een redelijk waarnemer kan worden vastgesteld dat de betrokkene wordt verhoord met het oog op het aan hem opleggen van een bestraffende sanctie. Blijft in een zodanig geval de cautie ten onrechte achterwege, dan kan de verklaring van de betrokkene in de regel niet worden gebruikt als bewijs voor de feiten die aan de sanctie ten grondslag zijn gelegd. Het is niet in strijd met het nemo-teneturbeginsel om iemand in het kader van bestuursrechtelijk toezicht te verplichten tot het verstrekken van informatie.

Verweerder meent dat de aan verzoeker gestelde vragen gedurende de bedrijfsbezoeken van 5 november 2025 en 9 januari 2026 in het teken stonden van de vaststelling van de feiten en de gang van zaken met betrekking tot de kilometerstanden en dienen te worden aangemerkt als handelingen in het kader van toezicht en controle en verwijst naar een uitspraak van de Afdeling van 16 september 2015. De voorzieningenrechter volgt verweerder niet in dit standpunt. Anders dan in de uitspraak van de Afdeling waar verweerder naar verwijst, was er in dit geval bij verweerder, voorafgaand aan het bedrijfsbezoek aan verzoeker, al sprake van een verdenking van het terugdraaien van de kilometerstanden en dus verdenking van een overtreding. Uit de rapportage van het bedrijfsbezoek op 5 november 2025 blijkt namelijk dat het toezicht is verricht na een interne melding van de [bedrijf 2] waarin wordt aangegeven dat tijdens een analyse van een online advertentie van verzoeker is vastgesteld dat verzoeker voertuigen adverteert met een lagere kilometerstand dan de kilometerstand waarmee het voertuig oorspronkelijk is aangemeld in de bedrijfsvoorraad en dat deze afwijking in kilometerstanden kan wijzen op mogelijke tellerfraude. Tijdens het bedrijfsbezoek zijn door de toezichthouder eerst de kilometerstanden in de betreffende voertuigen gecontroleerd en geconstateerd dat die inderdaad afweken van de kilometerstanden zoals opgevoerd in de bedrijfsvoorraad. Daarna zijn daarover vragen gesteld aan verzoeker en is hij met de afwijkende tellerstanden geconfronteerd. Omdat reeds een vermoeden van een overtreding bestond, kunnen de vragen hierover aan verzoeker niet worden gekwalificeerd als het verstrekken van informatie in het kader van toezicht, maar vragen die zijn gesteld met het oog op het opleggen van een bestraffende sanctie. Dit geldt eveneens voor de vervolgvragen die hierover tijdens het bedrijfsbezoek van 9 januari 2026 aan verzoeker zijn gesteld. De toezichthouder heeft dan ook ten onrechte geen cautie gegeven. Voorgaande betekent dat de verklaringen van verzoeker dus niet kunnen worden gebruikt als bewijs voor de feiten die aan de sanctie ten grondslag zijn gelegd.

Nu de toezichthouder van verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter ten onrechte de cautie niet heeft gegeven aan verzoeker, slaagt het beroep van verzoeker en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. De voorzieningenrechter zal hierna in het kader van finale geschilbeslechting beoordelen of er aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

Overtreding

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Ondanks dat de verklaringen van verzoeker niet kunnen worden meegenomen als bewijs, blijkt uit het dossier voldoende dat er sprake is van een overtreding. Uit de rapportages van de toezichthouder volgt immers dat van vier voertuigen die verzoeker in de bedrijfsvoorraad heeft aangemeld, is gebleken dat de kilometerstanden die verzoeker bij aanmelding in de bedrijfsvoorraad heeft ingevoerd niet overeenstemmen met de kilometerstanden waarmee verzoeker de voertuigen heeft geadverteerd. Uit de rapportages blijkt verder dat de kilometertellers in de voertuigen naar dezelfde lagere kilometerstanden zijn gewijzigd als waarmee werd geadverteerd. Gelet hierop heeft verweerder terecht geconstateerd dat de kilometerstanden zijn teruggedraaid op een moment dat verzoeker verantwoordelijk was voor de voertuigen.

Het terugdraaien van kilometerstanden wordt aangemerkt als fraude en is op basis van artikel 3.1, zesde lid, van het Toezichtbeleid Erkenninghouders, Keurmeesters en Technici RDW (hierna: het Toezichtbeleid) een categorie IV overtreding. Op basis van het Stroomschema uit het Toezichtbeleid geldt voor een categorie IV overtreding een intrekking voor onbepaalde tijd. Dit wordt door verzoeker ook niet betwist. Verzoeker betwist echter wel dat hij fraude heeft gepleegd. Volgens verzoeker was zijn ex-werknemer namelijk verantwoordelijk voor het terugdraaien van de kilometerstanden en niet verzoeker zelf. Naar eigen zeggen is zijn fout geweest dat hij te weinig toezicht heeft gehouden op deze werknemer en hem een te grote verantwoordelijkheid in zijn bedrijf heeft gegeven. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter biedt dit argument verzoeker geen soelaas. Op grond van artikel 2.1, vierde lid, van het Toezichtbeleid is verzoeker namelijk verantwoordelijk voor zijn werknemers en komen fouten van deze werknemers voor zijn rekening en risico, ongeacht of verzoeker wist van de fraude of niet. Verweerder kon daarom de erkenning bedrijfsvoorraad en de erkenning [erkenning] voor onbepaalde tijd intrekken.

Evenredigheid

Verzoeker beroept zich op het evenredigheidsbeginsel. Volgens verzoeker kan zijn verminderde verwijtbaarheid aangemerkt worden als bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 4:84 van de Awb. Verzoeker had namelijk nimmer het voornemen om te frauderen met de kilometerstanden en wist hier ook niet van. Dit blijkt volgens verzoeker uit het feit dat hij de auto’s zelf met de correcte kilometerstand in zijn bedrijfsvoorraad heeft opgenomen.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Op grond van artikel 4:84 van de Awb moet worden beoordeeld of de gevolgen van de opgelegde sancties wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot het doel van de sanctie. De Afdeling heeft in de uitspraak van 11 maart 2015 geoordeeld dat het door verweerder gevoerde beleid, opgenomen in het Toezichtbeleid, een gedifferentieerd systeem behelst van in ernst en gewicht oplopende overtredingen met daaraan gekoppelde, in zwaarte oplopende maatregelen, waarin in algemene zin rekening is gehouden met de bedrijfseconomische belangen van erkenninghouders alsmede hun staat van dienst. De Afdeling acht dit beleid als zodanig niet onredelijk. Hoewel bij de totstandkoming van het toezichtbeleid dus al rekening is gehouden met het feit dat een erkenninghouder financiële schade kan lijden door een sanctie, moeten alle omstandigheden van het geval worden betrokken in de beoordeling en moet worden gekeken of deze op zichzelf dan wel samen met andere omstandigheden, moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb, die maken dat het handelen in overeenstemming met de beleidsregel gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

In het kader van artikel 4:84 van de Awb dient de vraag te worden behandeld of er sprake is van een verminderde verwijtbaarheid. Uit het Toezichtbeleid blijkt dat verzoeker als erkenninghouder verantwoordelijk is voor alles wat er binnen zijn bedrijf gebeurt. Ook als een medewerker zich niet aan de regels houdt of fraude pleegt. Verzoeker heeft op de zitting erkend dat hij de werkzaamheden met betrekking tot de verkoop van de voertuigen geheel aan zijn werknemer heeft overgelaten, zonder hierop toezicht te houden. Door het nalaten van dit toezicht op zijn werknemer is verzoeker tekortgeschoten in de verplichting die hij door het aanvragen van de erkenningen vrijwillig op zich heeft genomen. Naleving en handhaving van die verplichtingen is van essentieel belang en op verzoeker rust in dat verband een zware verantwoordelijkheid. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid kunnen oordelen dat van een verminderde verwijtbaarheid daarom geen sprake is. Daarnaast zijn de financiële gevolgen voor verzoeker inherent aan het opleggen van een sanctie en heeft verzoeker op zitting erkend dat zijn bedrijf niet helemaal stil komt te liggen, al is het minder winstgevend. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat het bestreden besluit niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.

Conclusie en gevolgen

Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met de cautieplicht. De voorzieningenrechter vernietigt daarom het bestreden besluit. De voorzieningenrechter laat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dit omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verweerder de erkenning bedrijfsvoorraad en de erkenning [erkenning] van verzoeker mocht intrekken. Omdat het beroep gegrond is en de rechtsgevolgen in stand worden gelaten, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan verzoeker vergoeden en krijgt verzoeker ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- omdat de gemachtigde van verzoeker een beroepschrift heeft ingediend, een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 397,- aan verzoeker moet vergoeden;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H.W. Franssen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C.M. Schilder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand