RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 26/4499
uitspraak van de voorzieningenrechter van 31 augustus 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (het college),
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Inleiding
Deze uitspraak gaat over het verzoek om een voorlopige voorziening dat verzoeker heeft ingediend tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een Bbz-uitkering en bijstand voor bedrijfskapitaal (Bbz-krediet).
Het verzoekschrift is behandeld op de zitting van 17 augustus 2026. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verzoeker was, zonder bericht, niet aanwezig.
Beoordeling van het verzoek
1. Verzoeker exploiteert sinds december 2024 een [bedrijf] in [plaats 1] (en tussentijds in [plaats 2] ). Op 24 februari 2026 heeft verweerder een aanvraag van verzoeker om Bbz-krediet afgewezen, nadat FBA had geconcludeerd dat het bedrijf van verzoeker niet levensvatbaar is. Op 7 juli 2026 heeft verweerder het bezwaar van verzoeker tegen dit besluit ongegrond verklaard. Tegen die beslissing op bezwaar heeft verzoeker geen beroep ingesteld.
Verzoeker heeft op 14 mei 2026 een tweede aanvraag om een Bbzuitkering en Bbzkrediet ingediend, wegens gewijzigde omstandigheden. Verweerder heeft daarop twee keer een voorschot verstrekt, respectievelijk 813,77 en € 1.401,50, vanaf 14 mei 2026 tot en met 30 juni 2026, en heeft FBA om advies gevraagd.
FBA heeft onderzoek verricht en de bevindingen neergelegd in een rapport van 30 juni 2026. FBA concludeert dat de exploitatiemogelijkheden niet gunstig zijn en adviseert om de Bbz-aanvraag van verzoeker af te wijzen, omdat het bedrijf niet levensvatbaar is. Niet levensvatbaar betekent dat FBA niet verwacht dat verzoeker na bijstandsverlening een inkomen kan realiseren dat toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf en de voorziening in de kosten van het bestaan.
Op 6 juli 2026 heeft verweerder de tweede aanvraag om een Bbz-uitkering en een Bbz-krediet afgewezen (het bestreden besluit). Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt en tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
2. Volgens het bestreden besluit is het bedrijf van verzoeker naar verwachting niet levensvatbaar. Dit betekent dat hij in de toekomst onvoldoende inkomen heeft om al zijn zakelijke lasten te betalen en prive-uitgaven te doen. Verweerder heeft in dit besluit het advies van FBA meegewogen.
3. Verzoeker wil met zijn verzoek bereiken dat het bestreden besluit wordt herzien, zodat hij de periode tot aan de beslissing op zijn bezwaar of beroep kan overbruggen en zijn onderneming in stand kan houden. Op dit moment heeft verzoeker weinig tot geen voorraad, kan hij geen marketing voeren en blijven zowel zijn privé- als zakelijke schulden oplopen. Volgens verzoeker is het advies van FBA niet deugdelijk en niet zorgvuldig tot stand gekomen.
Spoedeisendheid
4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft. Gelet op de financiële positie van verzoeker, de grote schuldenlast en nood aan kapitaal om zijn bedrijf te kunnen voortzetten, acht de voorzieningenrechter spoedeisend belang bij een inhoudelijke beoordeling van het verzoek aanwezig.
Het bestreden besluit
5. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. In geschil is of verweerder de aanvraag om een Bbz-uitkering en Bbz-krediet terecht heeft afgewezen, omdat het bedrijf van verzoeker niet levensvatbaar is.
6. Aan de zelfstandige die gedurende een redelijke termijn als zodanig werkzaam is geweest kan algemene bijstand en bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal worden verleend. Het moet dan wel gaan om een levensvatbaar bedrijf.Omdat het hier om een aanvraag gaat, rust de bewijslast van levensvatbaarheid op verzoeker. Dit betekent dat verzoeker aannemelijk moet maken dat zijn bedrijf levensvatbaar is. Enkel en alleen eigen verwachtingen van de ondernemer over de te verwachten omzet en over de levensvatbaarheid zijn onvoldoende basis voor het toekennen van bijstand.
7. Volgens vaste rechtspraak is voor de beoordeling van de levensvatbaarheid van een bedrijf bepalend de situatie van het bedrijf ten tijde van het besluit op de aanvraag. In deze zaak is dat 6 juli 2026 (de peildatum). Met eventuele ontwikkelingen na dat tijdstip wordt geen rekening gehouden.
8. Een levensvatbaar bedrijf of zelfstandig beroep is volgens artikel 1, aanhef en onder c, van het Bbz 2004 het bedrijf of zelfstandig beroep waaruit de zelfstandige naar verwachting na bijstandsverlening een inkomen zal verwerven dat, samen met het overige inkomen, toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf of zelfstandig beroep en voor de voorziening in het bestaan. Dit betekent dat het inkomen toereikend dient te zijn om aan alle aflossingsverplichtingen te voldoen, daaronder begrepen de lening op grond van het Bbz 2004, dat voldoende middelen beschikbaar dienen te zijn om het bedrijf op peil te houden en dat voorts wordt voorzien in de kosten van het bestaan.
9. Het is vaste rechtspraak dat een bijstandverlenend orgaan in zaken als hier aan de orde gerechtigd is om zich bij zijn besluitvorming te baseren op concrete adviezen van deskundige instanties. FBA is zo’n instantie. Het college mag bij de besluitvorming daarom in beginsel uitgaan van het advies van FBA, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies of de juistheid ervan.
10. In het rapport van 30 juni 2026 beoordeelt FBA de marktomstandigheden als redelijk, maar de concurrentiepositie van verzoeker als matig. De concurrentie voor de lokale [bedrijf] neemt door marktverzadiging toe en zet marges onder druk. De concurrentie in (de regio) [plaats 1] is bovengemiddeld groot. Dit noodzaakt dat een bedrijf zich duidelijk positioneert om een kans van slagen te hebben. De bedrijfsvoering van verzoeker toont hierin geen duidelijke keuze. Verzoeker beschikt niet over toereikende ondernemerskwaliteiten. Hij volgde geen vakinhoudelijke opleiding voor het repareren van fietsen, zijn kwaliteit is met name de verkoop; voor onderhoud is hij voornemens personeel aan te stellen. Verzoeker beschikt heeft beperkt besef van de kosten van huur, aflosverplichtingen en marketing en de daarvoor benodigde inkomsten uit verkoop. FBA beoordeelt zijn financieel inzicht en bedrijfskundige kennis als onvoldoende. Verzoeker heeft een groot negatief eigen vermogen en heeft geen aflossingscapaciteit. Uit de exploitatieprognose voor 2026 tot en met 2028 blijken de begrote winsten vanaf 2026 onvoldoende voor de privé-uitgaven en de aflossingsverplichting van een Bbz-lening en overige leningen en schulden. FBA concludeert daarom na bedrijfseconomische analyse dat verstrekking van € 100.000 aan bedrijfskapitaal voor voorraadfinanciering niet leidt tot een levensvatbare bedrijfsopzet.
11. De voorzieningenrechter oordeelt dat verweerder met het rapport voldoende heeft gemotiveerd waarom het bedrijf van verzoeker niet levensvatbaar wordt geacht. Er zijn geen concrete aanknopingspunten aanwezig om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies van FBA of aan de inhoud daarvan. Op de door verzoeker geplaatste kanttekeningen bij het advies, heeft FBA gereageerd. In het rapport van 6 juli 2026 heeft verweerder dit advies overgenomen. De voorzieningenrechter volgt verweerder in dit standpunt. Verzoeker heeft geen objectieve gegevens - zoals een deskundig tegenadvies - ingebracht die zijn standpunt, dat sprake is van een levensvatbaar bedrijf, afdoende ondersteunen. Het ingebrachte tegenadvies heeft verzoeker zelf, vermoedelijk met behulp van artificiële intelligentie, opgesteld en kan om die reden al niet worden aangemerkt als een deskundig tegenadvies.
Conclusie en gevolgen
12. Op grond van het bovenstaande oordeelt de voorzieningenrechter dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. Dat betekent dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bedrijf van verzoeker op 6 juli 2026 niet levensvatbaar was.
13. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen daarom af.
14. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten. Verzoeker krijgt ook het door hem betaalde griffierecht niet terug.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Vriethoff, voorzieningenrechter,
in aanwezigheid van mr. R.M.N. van den Hazel, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2026.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.