ECLI:NL:RBAMS:2026:8603

ECLI:NL:RBAMS:2026:8603

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 28-08-2026
Datum publicatie 28-08-2026
Zaaknummer AMS 25/1964
Rechtsgebied Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Schrapping [functie] uit het BIG register terecht niet ongedaan gemaakt. Redelijke termijn van twee jaar niet overschreden. Beroep ongegrond. Geen overige schadevergoeding.

Uitspraak

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. A. Hashem Jawaheri),

en

de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: de minister),

(gemachtigde: mr. E.E. Schaake).

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om herregistratie als [functie] in het BIG-register. Eiseres is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiseres en haar gemachtigde waren, zonder bericht, niet aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiseres heeft op 23 februari 2024 een aanvraag ingediend tot herregistratie in het BIG-register als [functie]. Eiseres moet daarvoor aantonen dat zij in de vijf jaren voorafgaand aan de aanvraag tot herregistratie minstens 2.080 uur heeft gewerkt binnen het deskundigheidsgebied van de [functie]. De minister heeft de aanvraag op 2 augustus 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 10 februari 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

2. In het bestreden besluit heeft de minister de aanvraag om herregistratie afgewezen omdat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij voldoet aan de voorwaarden voor herregistratie door werkervaring. Aan de bewijsstukken die eiseres heeft verstrekt ontbreekt een juiste functieomschrijving, zodat de minister daaraan niet de waarde toekent die eiseres daar aan hecht. Bovendien betreft het slechts een klein deel van het aantal vereiste uren: 406 uren, inclusief de eerder aangetoonde uren werkervaring.

Standpunt eiseres

3. Eiseres stelt dat zij met de in haar eenmanszaak gewerkte uren al ruimschoots heeft voldaan aan het criterium van 2.080 uren. Zij heeft ook bewijs verstrekt van derden waar zij voor heeft gewerkt of mee heeft samengewerkt.

Eiseres stelt dat de aanvraag moet worden aangemerkt als een verzoek om daarbij de bij de eerste aanvraag verstrekte informatie te betrekken, waarbij de datum van de eerste aanvraag redelijkerwijs als uitgangspunt moet worden genomen.

Eiseres stelt dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen doordat de minister onvoldoende onderzoek heeft gedaan en dat onvoldoende is gemotiveerd waarom het aangeleverde bewijs als onvoldoende is beoordeeld.

Onduidelijk is waar het bewijs voor de gewerkte uren aan moet voldoen. Dit is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Eiseres is verteld dat zij alternatief bewijs mocht inbrengen, zoals contracten of verklaringen van derden. Dit bewijs buiten beschouwing laten is in strijd met het vertrouwensbeginsel.

Eiseres beroept zich op bijzondere omstandigheden om af te wijken van het urencriterium: een traumatisch verwerkingsproces na het overlijden van haar stiefvader, het verlies van haar woning en praktijkruimte en de COVID-19-pandemie. Eiseres stelt dat de minister dit ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten.

Eiseres beroept zich op bewijsonmacht, mede omdat zij door het verlies van haar praktijkruimte niet beschikt over een groot deel van haar administratie.

Tot slot stelt eiseres dat op grond van ziekte wegens psychische omstandigheden

een maximum van zesmaal het aantal uren dat zij (al dan niet in loondienst) gewoon was per week te werken, moet worden meegeteld bij het aantal gewerkte uren, vermeerderd met uren voor vakanties, algemeen erkende feestdagen en persoonlijke omstandigheden.

Wat vindt de rechtbank?

4. De rechtbank overweegt dat eiseres voor herregistratie moet aantonen dat zij in de vijf jaren voorafgaand aan de aanvraag tot herregistratie minstens 2.080 uur heeft gewerkt in het specifieke werkgebied van [functie]. De minister heeft het Beoordelingskader Herregistratie BIG-register (het Beoordelingskader) opgesteld om [functie] die zich willen herregistreren meer informatie te geven over de mogelijke bewijsstukken waarmee zij kunnen aantonen dat aan de eisen voor herregistratie op basis van werkervaring is voldaan.

5. Uit de Wet BIG en het Besluit volgt dwingend dat een zorgverlener zoals een [functie] in het BIG-register vermeld moet staan en dat diens registratie elke vijf jaar opnieuw beoordeeld wordt. De [functie] krijgt een half jaar voor het verstrijken van die registratieperiode van vijf jaar een bericht. Daarmee wordt de [functie] er op attent gemaakt dat hij een (tijdig) verzoek om herregistratie moet indienen. In het BIG-register staat de uiterste herregistratiedatum (UHD) vermeld.

6. De rechtbank oordeelt dat de minister in het bestreden besluit en aanvullend in het verweerschrift inzichtelijk en voldoende heeft toegelicht dat het Beoordelingskader en het BIG-register voldoende informatie geven over het doen van een aanvraag en de daarvoor benodigde bewijsstukken. Ook is eiseres daarover in de aanvraagfase uitgebreid nader geïnformeerd en in het besluit van 2 augustus 2024 en het bestreden besluit is duidelijk toegelicht waarom de verstrekte bewijsstukken niet voldoen.

7. De rechtbank oordeelt dat de minister in het bestreden besluit deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiseres niet heeft aangetoond dat zij voldoet aan de voorwaarden voor herregistratie. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Eiseres stond tot en met 5 januari 2023 ingeschreven in het BIG-register als

[functie]. Op 23 februari 2024 heeft eiseres de in deze procedure voorliggende aanvraag ingediend. Dit betekent dat de in de periode van 23 februari 2019 tot en met 5 januari 2023 gewerkte uren meetellen, mits deze uren voldoen aan de daaraan gestelde voorwaarden. De minister heeft ook de bij de vorige aanvraag verstrekte bewijsstukken in de beoordeling betrokken. Uitgangspunt is dat één dag per week werken (van acht uur) het minimum is om de kennis en vaardigheden te kunnen houden op het vereiste minimale professionele niveau.

Het is aan eiseres om (op verzoek) met stukken aan te tonen dat zij aan de vereisten van herregistratie voldoet. In dat kader mag van eiseres worden verwacht dat zij een zorgvuldige administratie voert en alle van belang zijnde bewijsstukken verstrekt. De

eigen administratie en een eigen verklaring van eiseres over verrichte werkzaamheden moeten worden ondersteund door objectief verifieerbaar bewijs. Een zelfstandig gevestigde zorgverlener kan bijvoorbeeld een eigen verklaring over de inhoud van zijn werkzaamheden en de daaraan bestede uren laten verifiëren door een erkende accountant, administrateur of opdrachtgever.

In het verweerschrift stelt de minister zich op het standpunt dat voor veel van de door eiseres gestelde verrichtte werkzaamheden op basis van de bewijsstukken niet is vast te stellen om hoeveel uren het gaat en of de werkzaamheden voldoen aan de volgende eisen:

1. zijn de uren uitgevoerd in de relevante registratieperiode;

2. op het gebied van de individuele gezondheidszorg,

3. binnen het deskundigheidsgebied van fysiotherapie; en

4. op hetzelfde niveau als het niveau van de opleiding.

Uitsluitend de werkervaring verricht bij [bedrijf 1] (19 uur - productie 9 en 10) en [bedrijf 2] (83,40 uur - productie 0.15) voldoet aan de eisen.

De overige door eiseres ingebrachte stukken voldoen niet aan de eisen:

- Huurovereenkomst voor een praktijk en overeenkomst tot gebruik van bedrijfsruimte (productie 0.15): uit deze bewijsstukken volgen geen gewerkte uren en functie.

- Arbeidsovereenkomst met [bedrijf 3] (productie 0.15): naast dat de overeenkomst niet is ondertekend door partijen, volgt hieruit niet het daadwerkelijk aantal uren aan beroepswerkzaamheden.

- Arbeidsovereenkomst met [bedrijf 4] en de jaaropgave 2022 (productie 0.15): naast dat de overeenkomst niet is ondertekend, volgt uit de overeenkomst en de jaaropgave niet het daadwerkelijk aantal uren aan beroepswerkzaamheden.

- Opdrachtovereenkomst met [bedrijf 5] (productie 0.15): naast dat de overeenkomst niet is ondertekend, volgt hieruit niet het daadwerkelijk aantal uren aan beroepswerkzaamheden.

- Eigen verklaringen van 12 december 2023 (inclusief Excel-bestand met overzicht werkzaamheden), 24 januari 2024 en 23 februari 2024 (productie 0.15, 0.21 en 1): de eigen verklaringen zijn niet ondersteund met een accountantsverklaring of ander objectief verifieerbaar bewijs.

- De verklaring van de heer [persoon] (namens [bedrijf 5] ) (productie 0.15 en productie 17): op basis van het register van de Kamer van Koophandel is niet vast te stellen of de heer [persoon] een geregistreerd accountant is. Enkel een verklaring van een geregistreerde accountant of administrateur wordt geaccepteerd, aldus de minister.

De rechtbank kan het standpunt van de minister goed volgen. De enkele stelling van eiseres dat zij in bewijsonmacht verkeert leidt niet tot een ander oordeel, alleen al omdat zij over de reden daarvoor (verlies van praktijk en woning) geen bewijs heeft geleverd.

Verlof, ziekte en zeer bijzondere persoonlijke omstandigheden

8. Uit het Beoordelingskader volgt dat voor een zelfstandig gevestigde zorgverlener geldt dat ziekte, verlofuren en uren voor deskundigheidsbevordering opgeteld mogen worden bij het aantal gewerkte uren. De berekening van het maximum aantal te tellen uren voor ziekte, verlof en deskundigheidsbevordering gaat op basis van het gemiddelde aantal uren per week per kalenderjaar.

9. In het verweerschrift stelt de minister zich op het standpunt dat eiseres niet met bewijsstukken heeft aangetoond dat zij vanwege ziekte, vakantie en/of verlof niet heeft gewerkt en dat in de aanvraag van 23 februari 2024 staat dat zij geen uren aan langdurig ziekteverzuim of verlof heeft opgenomen. Maar zelfs al had eiseres dit met bewijs aangetoond, dan voldoet zij alsnog niet aan de minimumnorm van 2.080 uur. In het verweerschrift is dit als volgt uiteengezet.

Het werkelijk aantal niet gewerkte uren vanwege ziekte en verlof mag meetellen voor zover dit niet meer is dan zes keer de gemiddelde arbeidsuur per week per jaar. Eiseres heeft op het aanvraagformulier 3.552 uren voor herregistratie vermeld. Dit betekent dat eiseres stelt dat zij 13,66 uren per week heeft gewerkt (naar boven afgerond 14 uur per week). In totaal zou eiseres daarmee 840 uren aan verlof en vakantie mee mogen laten tellen.

10. Ook dit standpunt kan de rechtbank goed volgen. Verder oordeelt de rechtbank dat de minister in het bestreden besluit en aanvullend in het verweerschrift inzichtelijk en voldoende heeft gemotiveerd dat niet is gebleken van zeer bijzondere persoonlijke omstandigheden.

Redelijke termijn

Eiseres verzoekt om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke

termijn.

De redelijke termijn is voor een procedure in twee instanties in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere duur te rechtvaardigen. Verder is in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.

Het bezwaarschrift is ingediend op 3 september 2024. Bij het doen van deze uitspraak is de redelijke termijn van twee jaar niet overschreden. Daarom heeft eiseres geen recht op een vergoeding. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister de schrapping van eiseres uit het BIGregister terecht niet ongedaan heeft gemaakt. Het verzoek om vergoeding van andere door eiseres gesteld geleden schade zal daarom eveneens worden afgewezen. Ook krijgt eiseres daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt tevens geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Delstra, rechter,

in aanwezigheid van mr. R.M.N. van den Hazel, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand