beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Team Insolventie – meervoudige kamer
afwijzing verzoek afkoelingsperiode
rekestnummer: C/13/791049 FT RK 26-302
uitspraakdatum: 28 augustus 2026
beschikking op het ingekomen verzoekschrift ex artikel 376 Faillissementswet (Fw) in de besloten akkoordprocedure van:
de besloten vennootschap
[verzoeker] B.V.,
statutair gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
ingeschreven in de Kamer van Koophandel onder nummer [nummer] ,
kantoorhoudende te [vestigingsadres] ,
advocaat: mr. Chr. Giljam,
- hierna te noemen: [verzoeker] .
1. De procedure
[verzoeker] heeft op 9 juli 2026 een verklaring als bedoeld in artikel 370 lid 3 Fw ter griffie gedeponeerd. [verzoeker] heeft gekozen voor een besloten akkoordprocedure buiten faillissement.
[verzoeker] heeft op 16 juli 2026 ter griffie een verzoekschrift met bijlagen ingediend strekkende tot het afkondigen van een afkoelingsperiode ex artikel 376 Fw voor een periode van 4 maanden.
Voorafgaand aan het verzoekschrift ontving de rechtbank op 9 juli 2026 al een verweerschrift met bijlagen van de belangrijkste schuldeiser van [verzoeker] , Smartkas B.V. (hierna: Smartkas). Na ontvangst van het verzoekschrift diende Smartkas nog een aangevuld verweerschrift in op 16 juli 2026, en een zienswijze op 18 augustus 2026.
De rechtbank heeft de behandeling van het verzoek bepaald op 20 augustus 2026 om 14:00 uur. Ter zitting zijn, via een online Teams-verbinding, de volgende personen verschenen:
namens [verzoeker]
mr. Chr. Giljam, advocaat
de heer [naam 1] , [functie 1]
de heer [naam 2] , [functie 2]
namens Smartkas
mr. G. Ruardij, advocaat
de heer [naam 3] , [functie 3]
de heer [naam 4] , [functie 4]
Tijdens de mondelinge behandeling hebben mrs. Giljam en Ruardij spreekaantekeningen voorgedragen die zij ter zitting hebben overgelegd.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
2. De feiten
[verzoeker] is opgericht in 2014. Aandeelhouder en bestuurder van [verzoeker] is [bedrijf 1] B.V.. Aandeelhouder van Holding is [bedrijf 2] B.V., waarvan [naam 1] [functie 1] is.
[verzoeker] verkoopt en installeert, mede onder de naam [bedrijf 3] , teelt- en belichtingssystemen voor met name de glastuinbouw en indoor farming-projecten.
Smartkas heeft in 2022 twee systemen voor aardbeienteelt bij [verzoeker] afgenomen. Smartkas heeft in 2023 laten weten dat er gebreken kleefden aan beide teeltsystemen, die het voor Smartkas onmogelijk maakten om daar aardbeien mee te telen. Smartkas heeft de betaling van de slotfactuur ad $ 682.000 opgeschort, en is door [verzoeker] in rechte betrokken. Bij vonnis van 24 juni 2026 – uitvoerbaar bij voorraad – is de vordering van [verzoeker] afgewezen en is zij in reconventie veroordeeld tot (terug)betaling van bedragen van € 832.730,07 en $ 2.092.503,53. Smartkas heeft het vonnis, dat uitvoerbaar bij voorraad is, doen betekenen en heeft executie aangezegd. [verzoeker] is in hoger beroep gegaan van het vonnis en heeft op 28 juli 2026 bij het hof een incidentele vordering tot zekerheidsstelling ex artikel 235 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ingesteld.
3. Het verzoek
[verzoeker] doet een verzoek tot het afkondigen van een afkoelingsperiode ex artikel 376 Fw voor de duur van 4 maanden. Zij voert daartoe - samengevat weergegeven - het volgende aan.
[verzoeker] verkeert als gevolg van het onder 2.3. genoemde geschil en vonnis in een toestand waarin het redelijkerwijs aannemelijk is dat zij met het betalen van haar schulden niet zal kunnen voortgaan. Zonder het geschil zou [verzoeker] nog steeds een gezonde onderneming zijn, aldus [verzoeker] .
[verzoeker] wil haar faillissement en het waardeverlies dat daarvan voor alle betrokkenen het gevolg zal zijn, voorkomen. [verzoeker] bereidt daartoe een akkoord als bedoeld in artikel 370 lid 1 Fw voor. De afkoelingsperiode is nodig om nieuwe (derden)beslagen te voorkomen. [verzoeker] heeft de overtuiging dat het akkoord in het belang is van de gezamenlijke crediteuren. In faillissement zal de verkoopopbrengst van de activa van [verzoeker] geheel of grotendeels moeten worden aangewend ter voldoening van de boedelkosten en de vordering van Rabobank die een pandrecht heeft op roerende zaken en debiteuren. Voor de overige crediteuren komt er alleen waarde vrij als [verzoeker] haar activiteiten kan voortzetten. [naam 1] heeft voldoende financiële middelen om het op dit moment nog geschatte akkoordbedrag ineens te kunnen voldoen en is daartoe bereid.
4. De zienswijze van Smartkas
Smartkas heeft zich uitgebreid tegen het verzoek verweerd. Kort gezegd stelt Smartkas dat [verzoeker] het middel van de WHOA-afkoeling misbruikt om onder de gevolgen van een voor haar negatief vonnis uit te komen.
Smartkas geeft de voorkeur aan het faillissement van [verzoeker] , dat zonder WHOA-akkoord in het verschiet ligt. In die situatie zal een curator mogelijk meer actief kunnen realiseren dan enkel de liquidatiewaarde van de onderneming, die nu door [verzoeker] aan een akkoordbedrag ten grondslag lijkt te zullen worden gelegd. Met name verwacht Smartkas dat dividenden die aan [naam 1] zijn uitgekeerd, kunnen worden teruggevorderd, en mogelijk is er een claim op de Zuid-Koreaanse vennootschap ( [bedrijf 4] ) die de falende systemen aan [verzoeker] heeft geleverd.
Smartkas stelt dat er geen noodzaak is tot het afkondigen van een afkoelingsperiode. Desgevraagd heeft zij ter zitting niet willen bevestigen dat zij zal afzien van verdere invorderingsmaatregelen of het aanvragen van het faillissement van [verzoeker] gedurende de WHOA-periode. Op de stellingen van Smartkas zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan.
5. Rechtsmacht en bevoegdheid
De rechtbank stelt vast dat het verzoek een afkoelingsperiode af te kondigen het eerste verzoek is in deze procedure. Dit betekent dat de rechtbank dient vast te stellen voor welk soort procedure, zoals bedoeld in artikel 369 lid 6 Fw, is gekozen bij de voorbereiding van het akkoord. Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of aan haar rechtsmacht en relatieve bevoegdheid toekomen om van het verzoek kennis te nemen.
[verzoeker] heeft blijkens de startverklaring gekozen voor een besloten akkoordprocedure. [verzoeker] is statutair gevestigd in [vestigingsplaats 2] . Gezien het bepaalde in artikel 369 lid 7 aanhef en onder b Fw juncto artikel 3 Rv heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om het verzoek in behandeling te nemen. Uit artikel 262 Rv volgt verder dat deze rechtbank bevoegd is van het verzoek kennis te nemen.
6. Ontvankelijkheid
Op grond van artikel 376 Fw kan, nadat een verklaring als bedoeld in artikel 370 lid 3 Fw is gedeponeerd, door de schuldenaar of (zo die is aangewezen) door de herstructureringsdeskundige aan de rechtbank het verzoek worden gedaan om een afkoelingsperiode af te kondigen. Indien (nog) geen herstructureringsdeskundige is aangewezen en het verzoek door de schuldenaar is gedaan, dient het akkoord reeds te zijn aangeboden of dient de schuldenaar toe te zeggen dat binnen ten hoogste twee maanden een akkoord zal worden aangeboden.
[verzoeker] heeft in haar verzoekschrift toegezegd dat zij binnen twee maanden een akkoord zal aanbieden, zodat [verzoeker] kan worden ontvangen in haar verzoek.
7. Beoordeling
Op grond van artikel 376 lid 4 Fw wordt het verzoek tot het afkondigen van een afkoelingsperiode toegewezen indien summierlijk blijkt dat aan drie vereisten wordt voldaan, namelijk (1) dat dit noodzakelijk is om de door de schuldenaar gedreven onderneming tijdens de voorbereiding van en de onderhandelingen over een akkoord te kunnen blijven voortzetten of om de door schuldenaar gedreven onderneming door middel van een akkoord gecontroleerd af te kunnen wikkelen, (2) dat de belangen van de gezamenlijke schuldeisers hierbij gediend zijn en (3) dat de door de afkoelingsperiode getroffen derden niet wezenlijk in hun belangen worden geschaad.
Bij de behandeling van het verzoek is summierlijk gebleken dat een afkoelingsperiode noodzakelijk is om de door de [verzoeker] gedreven onderneming tijdens de voorbereiding van, en de onderhandelingen over een akkoord, te kunnen blijven voortzetten. Zonder een afkoelingsperiode is aannemelijk dat Smartkas verdere invorderingsmaatregelen zal nemen ter executie van het vonnis van 24 juni 2026. In ieder geval heeft Smartkas niet willen bevestigen daarvan af te zien. Onbetwist is, dat [verzoeker] de aan Smartkas verschuldigde bedragen niet kan voldoen, zodat zij zonder afkoelingsperiode waarschijnlijk in staat van faillissement zal komen te verkeren.
Vervolgens is de vraag of summierlijk is gebleken dat de belangen van de gezamenlijke schuldeisers bij een afkoelingsperiode zijn gediend. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en licht dat als volgt toe.
De financiële problemen van [verzoeker] houden enkel verband met het geschil met Smartkas en het daaruit voortvloeiende vonnis van de rechtbank Amsterdam van 24 juni 2026. Er is geen sprake van een bredere financiële noodsituatie of een onhoudbare schuldenpositie jegens meerdere schuldeisers. Er zijn geen achterstanden in de betalingen aan de crediteuren, anders dan aan Smartkas. [verzoeker] stelt dat de vordering van Smartkas in hoger beroep geen stand zal houden, maar onderbouwt dit onvoldoende. Dat [verzoeker] , zoals zij stelt, aan andere afnemers wel goed werkende vergelijkbare systemen heeft geleverd, betekent niet dat de aan Smartkas geleverde systemen ook goed werkten. Van de vordering van [verzoeker] , zoals die blijkt uit het vonnis, zal de rechtbank dan ook uit gaan.. Een aan te bieden akkoord zal er in feite op neerkomen dat met name, zo niet enkel, de vordering van Smartkas wordt geherstructureerd. Volgens [verzoeker] is haar schuldenlast op dit moment als volgt opgebouwd: de belastingdienst heeft een vordering van € 11.734,-, Rabobank heeft een vordering van € 51.234,- (die geheel door zekerheden is gedekt), en een reeks kleinere MKB-crediteuren hebben tezamen € 23.799,- te vorderen. De vordering van Smartkas bedraagt € 2.663.730,-. Smartkas vertegenwoordigt met haar vordering van ruim € 2,6 miljoen aldus 96,8 % van de totale schuldenlast van [verzoeker] . Gelet hierop zal in dit specifieke geval aan het belang van Smartkas in de belangenafweging een groot gewicht moeten worden toegekend. [verzoeker] zal op zijn minst summierlijk aannemelijk moeten maken dat Smartkas beter af is bij een akkoord dan in faillissement. Daarin is [verzoeker] niet geslaagd.
[verzoeker] stelt dat er voor de concurrente schuldeisers, waaronder Smartkas, in een faillissementssituatie geen uitkering zal zijn. De door [verzoeker] gepresenteerde cijfers en de daarop gegeven toelichting ter zitting geven echter een ander beeld. Volgens het verzoekschrift van [verzoeker] is de boekwaarde van haar voorraden per 1 juni 2026 € 157.183,00. Uit de overgelegde pro forma balans tot en met 31 mei 2026 volgt dat de boekwaarde van de inventaris – na een afschrijving van € 63.666,72 –
€ 17.776,93 bedraagt. Kort voor de zitting heeft [verzoeker] een taxatierapport in het geding gebracht, waarin wordt uitgegaan van een liquidatiewaarde van de bodemzaken en voorraad van [verzoeker] van € 8.500,00. [verzoeker] stelt verder dat per 31 mei 2026 de debiteuren nominaal € 110.000,00 bedragen. Uit de door [verzoeker] opgestelde liquiditeitsprognose blijkt dat zij verwacht tot en met december 2026 een bedrag van € 401.380,73 aan debiteuren te kunnen innen. Ter zitting heeft zij verklaard dat circa de helft van dat bedrag debiteuren betreft waaraan de levering al is geschied en waarvan de kosten ook al zijn gemaakt. Daarom kan worden uitgegaan van een bedrag van circa € 200.000,- aan (ook door een curator) direct te innen debiteuren. Dit impliceert dat, zelfs als de rechtbank uitgaat van de (veel lagere) getaxeerde waarde van de bodemzaken en voorraad, naar verwachting in een faillissementssituatie Rabobank en de Belastingdienst geheel kunnen worden voldaan. Zij zijn volledig in the money. Ook kan er redelijkerwijs van worden uitgegaan dat een uitkering kan worden gedaan aan de concurrente crediteuren, welke uitkering vrijwel geheel aan Smartkas zal toekomen. De belangen van de gezamenlijke schuldeisers die bij de beoordeling van dit afkoelingsverzoek moeten worden gewogen, betreffen dan ook bijna alleen het belang van Smartkas.
Smartkas heeft te kennen gegeven een faillissement van [verzoeker] te prefereren, omdat zij meent dat er meer actief te behalen zal zijn dan enkel de liquidatiewaarde van de onderneming. Smartkas meent dat er mogelijk vorderingen zijn op respectievelijk [bedrijf 4] en [naam 1] zelf. Voor wat betreft [bedrijf 4] heeft [verzoeker] dat onvoldoende gemotiveerd weersproken.
Anders dan [verzoeker] stelt, kan er dus niet van worden uitgegaan dat er voor Smartkas geen uitkering in faillissement zal zijn. Dan zal summierlijk moeten blijken dat een akkoord voor Smartkas beter uit zal pakken. [verzoeker] stelt in haar verzoek dat [naam 1] voldoende financiële middelen heeft om het op dit moment geschatte akkoordbedrag ineens te kunnen voldoen en daartoe bereid is. [verzoeker] heeft er echter desgevraagd van afgezien om ter zitting enige indicatie te geven van het aan te bieden akkoordbedrag. [naam 1] heeft ook niet willen verklaren dat een door hem te fourneren akkoordbedrag betekenisvol méér zal behelzen dan de liquidatiewaarde die zij heeft overgelegd. De rechtbank kan dan ook niet summierlijk oordelen of Smartkas onder een akkoord beter af zal zijn dan in faillissement. Daarmee is niet summierlijk gebleken dat de verzochte afkoelingsperiode in het belang van de schuldeisers is.
Een en ander betekent, dat het verzoek zal worden afgewezen.
8. De beslissing
De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. V.G.T. van Emstede, voorzitter, mr. S.J.O. de Vries, en mr. S.C.E.F. Moulen Janssen, rechters, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2026.