RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/773571 / HA ZA 25-1359
Vonnis van 26 augustus 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. M.S. Vos,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. N.C. Hau-Cheng.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 22 juli 2025, met producties
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van 15 oktober 2025, met producties,
- het antwoord in reconventie tevens voorwaardelijke eis in reconventie van 26 november 2025, met producties,
- het tussenvonnis van 14 januari 2026, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 12 juni 2026, met de daarin genoemde stukken,
- de twee aktes van [gedaagde] van 28 mei 2026, 4 juni 2026 en 8 juli 2026, met producties 3 tot en met 10,
- de akte van [eiser] van 12 juni 2026 en 8 juli 2026, met productie 7 tot en met 10.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
[eiser] en [gedaagde] zijn broers en tevens enig erfgenamen van hun vader, de heer [erflater] (hierna: erflater). Op 15 maart 2024 is erflater overleden.
[eiser] en [gedaagde] hebben een pleegzus, [naam 1] (hierna: [naam 1] ). [naam 1] is vanaf haar vijfde levensjaar onderdeel geweest van het gezin van [eiser] en [gedaagde] .
Erflater heeft een woning, gelegen aan de [adres 1] (hierna: de woning), en een saldo op de bankrekening (hierna: het banksaldo) op naam van ‘ [naam bankrekening] ’ met nummer [rekeningnummer] (hierna: de bankrekening) nagelaten. [eiser] en [gedaagde] hebben de nalatenschap op 10 juli 2024 zuiver aanvaard.
De woning is onderdeel van het in appartementen gesplitste pand aan de [straat] [huisnummer 1] tot en met [huisnummer 2] (hierna: het pand). Op dit moment woont de zoon van [eiser] in de woning.
[gedaagde] is de eigenaar van een woning aan het [adres 2] . De op die woning gevestigde hypotheek met nummer [nummer] is volledig afgelost.
[gedaagde] heeft een briefje aangetroffen dat is gericht aan zijn buren op de derde verdieping. Het briefje is afkomstig van andere buren. Het briefje luidt – voor zover hier relevant – als volgt:
“(…)
I hear everything when there are conversations in the room next to my bedroom, or on the balcony. It’s as if you were having a discussion right outside my window. This would be OK if it were occasional, but it’s very frequent, on weeknights, when I am trying to sleep. (…)”
Op 20 mei 2026 heeft [gedaagde] de aanslag erfbelasting ontvangen, waaruit volgt dat hij uiterlijk op 1 juli 2026 een bedrag van € 32.587,00 aan de Belastingdienst moet voldoen.
Op 23 juni 2026 heeft de heer [naam 2] , makelaar bij [makelaar] (hierna: de makelaar), een bezoek gebracht aan de woning van [gedaagde] . Naar aanleiding daarvan heeft de makelaar een verkoopofferte opgemaakt, waarbij er rekening mee is gehouden dat de woning [gedaagde] gerenoveerd moet worden. In de verkoopofferte staat – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:
“(…)
Verkoopadvies:
Op basis van de huidige situatie schat ik de marktwaarde van de woning in op circa € 350.000,- euro.
(…)
Ik verwacht de woning binnen maximaal 2 maanden te hebben verkocht.
(…)”
3. Het geschil
In conventie
[eiser] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
Primair:
I. de wijze van verdeling van de nalatenschap van erflater gelast/vaststelt en daarbij:
- de woning aan [eiser] toedeelt voor € 532.000,00, waarbij [eiser] zich er eerst over mag uitlaten of hij toedeling voor dat bedrag wenst;
- bepaalt dat het banksaldo binnen twee maanden na toedeling/verkoop van de woning bij helfte over partijen wordt verdeeld, de bankrekening daarna wordt opgeheven, [gedaagde] hieraan zijn medewerking verleent en als die medewerking uitblijft, bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van die medewerking;
II. [gedaagde] veroordeelt om binnen twee maanden na dit vonnis medewerking te verlenen aan de in dit vonnis bepaalde verdeling van de nalatenschap van erflater, waaronder het meewerken aan alle (notariële) (rechts)handelingen die nodig zijn voor toedeling van de woning aan [eiser] .
III. Indien [gedaagde] de onder I. en II. bedoelde medewerking niet verleent, bepaalt dat dit vonnis daarvoor in de plaats treedt althans in de plaats van de wilsverklaring van [gedaagde] voor de verdeling en de goederenrechtelijke effectuering daarvan (waaronder de wilsverklaring van [gedaagde] in de notariële akte van verdeling en levering aan [eiser] ), dan wel bepaalt dat [gedaagde] de onder I. en II. bedoelde medewerking moet verlenen op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag.
Subsidiair
IV. de wijze van verdeling van de nalatenschap van erflater gelast/vaststelt en daarbij:
De woning
- bepaalt dat de woning wordt verkocht en de opbrengst daarvan bij helfte wordt gedeeld;
- [gedaagde] veroordeelt om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis een overeenkomst te tekenen waarbij aan mevrouw [naam 3] van Unique Real Estate of aan een andere regionale makelaar de opdracht wordt verleend om de woning te verkopen en bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de wilsverklaring van [gedaagde] als hij weigert de overeenkomst van opdracht te ondertekenen;
- bepaalt dat die makelaar de vraag- en laatprijs en de verkoopactiviteiten van de woning bepaalt, tenzij partijen daar overeenstemming over bereiken;
- bepaalt dat partijen de kosten voor de verkoop van de woning bij helfte delen;
- [gedaagde] veroordeelt om binnen zeven dagen nadat er een bod voor (meer dan) de laatprijs [de rechtbank leest: vraagprijs] van de woning is gedaan over te gaan tot ondertekening van de koopovereenkomst en bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de medewerking ofwel wilsverklaring van [gedaagde] als hij weigert de overeenkomst te ondertekenen;
- bepaalt dat [gedaagde] medewerking verleent aan het verlijden van een notariële akte voor de levering van de woning, althans dat dit vonnis daarvoor in de plaats treedt als [gedaagde] weigert zijn medewerking te verlenen;
De bankrekening
- bepaalt dat het banksaldo binnen twee maanden na verkoop van de woning bij helfte wordt verdeeld, de bankrekening daarna wordt opgeheven, [gedaagde] hieraan zijn medewerking verleent op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag en als die medewerking uitblijft, bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van die medewerking;
Primair en subsidiair
V. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten.
Ter onderbouwing van zijn vorderingen voert [eiser] aan dat het niet van hem kan worden verlangd dat hij en [gedaagde] gezamenlijk eigenaar blijven van de woning en vordert de verdeling van een gemeenschappelijk goed in de zin van artikel 3:178 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Omdat partijen niet tot overeenstemming kunnen komen, verzoekt [eiser] de rechter de wijze van verdeling te gelasten ofwel de verdeling zelf vast te stellen (artikel 3:185 BW). [eiser] wenst daarbij dat hij de woning voor de huidige marktwaarde (ter hoogte van € 532.000,00) toebedeeld krijgt, zodat zijn zoon daar tijdens zijn studie in kan wonen en daarna mogelijk hijzelf met zijn vrouw. Daarnaast komt ook de helft van het banksaldo op de bankrekening van erflater aan [eiser] toe.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] en de proceskosten te compenseren.
[gedaagde] voert daar kortgezegd toe aan dat de woning aan hem moet worden toebedeeld omdat hij daarbij meer belang heeft en dat het banksaldo zo snel mogelijk moet worden verdeeld, zoals hij ook in reconventie heeft gesteld (zie verder 3.7).
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
In reconventie
[gedaagde] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
De verdeling van de nalatenschap van erflater gelast, in die zin dat:
- het banksaldo binnen 14 dagen na dit vonnis wordt gedeeld en uitbetaald, waarna de bankrekening wordt opgeheven;
- de woning aan [gedaagde] wordt toebedeeld onder de verplichting om aan [eiser] een bedrag van € 266.000,00 te voldoen, waarbij de levering van de woning binnen drie maanden na dit vonnis plaatsvindt en ieder van partijen de helft van de notariskosten betaalt;
- indien [eiser] weigert aan het voorgaande mee te werken, bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van die medewerking (artikel 3:299 BW/3:300 BW)
[gedaagde] voert daartoe aan dat de woning niet aan [eiser] , maar aan hem moet worden toebedeeld omdat hij, vanwege ernstige geluidsoverlast van de buren in zijn huidige woning aan het [adres 2] , zelf behoefte heeft aan vervangende woonruimte. Zijn belang bij overname van de woning weegt zwaarder dan het belang van de zoon van [eiser] om tijdens zijn studie in de woning te kunnen wonen. [gedaagde] voert verder aan dat hij [eiser] voor een bedrag van € 266.000,00 kan uitkopen, met de opbrengst van zijn huidige woning. Ook is er volgens [gedaagde] geen reden om te wachten met de verdeling van het saldo op de bankrekening (van ongeveer € 95.000,00) tot na de levering van de woning. Dit aangezien [gedaagde] zijn aanslag erfbelasting daarvan wil betalen.
[eiser] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] , met veroordeling van de proceskosten en voor het geval dat de woning aan [gedaagde] wordt toebedeeld en binnen drie maanden na dit vonnis aan hem moet worden geleverd, vordert [eiser] dat de notariskosten voor rekening van [gedaagde] komen en dat als levering niet lukt binnen drie maanden, dat de woning dan voor dezelfde prijs aan [eiser] wordt toebedeeld.
[eiser] voert daartoe aan dat [gedaagde] in de afgelopen vijftien jaar nauwelijks contact heeft gehad met erflater. Daarnaast heeft [gedaagde] altijd aangegeven de woning niet te willen bewonen, maar dat hij de woning wilde opknappen om de woning vervolgens voor de hoogste prijs te verkopen. Daarmee is niet aannemelijk dat [gedaagde] de woning duurzaam gaat bewonen, terwijl de zoon van [eiser] er in ieder geval gedurende zijn studie zal verblijven. Na zijn pensioen wil [eiser] er zelf gaan wonen. Op die manier kan de woning in de familie blijven. Daarnaast heeft [eiser] de woning in de periode na het overlijden onderhouden en het contact met de Vereniging van Eigenaars (hierna: de VvE) op zich genomen. [gedaagde] heeft daarin geen verantwoordelijkheid genomen. [eiser] voert verder aan dat het niet aannemelijk is dat [gedaagde] zijn woning binnen een redelijke termijn en voor het door hem gestelde bedrag kan verkopen. De stukken die [gedaagde] heeft overgelegd zijn namelijk niet gebaseerd op huidige staat van zijn woning. De communicatie met [gedaagde] verloopt immers erg moeizaam. Daarnaast heeft de woning van [gedaagde] gebroken ramen, heeft hij problemen met de VvE en met de buren en daarnaast laat [gedaagde] al 25 jaar niemand meer toe in zijn woning. Verder is onduidelijk wat de financiële mogelijkheden van [gedaagde] zijn. Ten aanzien de bankrekening voert [eiser] aan dat de bankrekening tot na toedeling van de woning in stand moet worden gehouden, nu er nog verschillende noodzakelijke lasten voldaan moeten worden (zoals de kosten voor de kozijnen, het schilderwerk en de erfbelasting). Daarnaast zijn partijen overeengekomen dat [naam 1] zal meedelen in de verdeling van het banksaldo op de bankrekening. Gezien de onbereikbaarheid van [gedaagde] heeft [eiser] er geen vertrouwen in dat dit zal worden opgelost als de bankrekening is opgeheven.
4. De beoordeling
In conventie en in reconventie
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en die in reconventie, worden deze vorderingen gezamenlijk behandeld.
Vaststaat dat partijen erfgenamen en daarmee deelgenoten zijn in de nog niet verdeelde gemeenschap (van een nalatenschap) in de zin van artikel 3:166 lid 1 BW. Tot deze gemeenschap behoren onder andere de woning en het banksaldo. Uitgangspunt is dat niemand kan worden verplicht om in een onverdeelde gemeenschap te blijven. Op grond van artikel 3:178 lid 1 BW kan een deelgenoot in beginsel te allen tijde verdeling van een gemeenschappelijk goed vorderen, wat [gedaagde] en [eiser] in deze zaak allebei hebben gedaan ten aanzien van de woning en het banksaldo. Wat partijen hier verdeeld houdt, is onder welke voorwaarden de verdeling moet plaatsvinden en aan wie de woning toekomt. In dat kader wordt het volgende overwogen.
De woning
De vraag aan wie de woning moet worden toebedeeld, dient te worden beantwoord aan de hand van een belangenafweging. Naar het oordeel van de rechtbank is het belang van [gedaagde] bij toedeling van de woning groter dan dat van [eiser] . Daartoe is het volgende redengevend.
[gedaagde] stelt dat de woning aan hem moet worden toebedeeld omdat hij, vanwege overlast van zijn huidige buren, zelf in de woning wil gaan wonen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] verklaard dat die overlast zodanig ernstig is, dat hij op dit moment in een tuinhuisje verblijft. Dat komt de rechtbank geloofwaardig voor, nu [gedaagde] onweersproken heeft verklaard dat hij de maandag voor de mondelinge behandelding door de politie werd gebeld omdat zijn buren hem al langere tijd niet meer hadden gezien. Daar komt bij dat [gedaagde] een briefje in het geding heeft gebracht waaruit volgt dat ook andere buren overlast ervaren van de buren op de derde verdieping. Daartegenover staat het belang van [eiser] , die naar voren heeft gebracht dat hij de woning na zijn pensionering zelf wil gaan bewonen, zodat de woning in de familie kan blijven. Gelet op het voorgaande heeft [gedaagde] de woning naar het oordeel van de rechtbank dringender nodig dan [eiser] . Het feit dat de zoon van [eiser] op dit moment vanwege zijn studie in Amsterdam in de woning woont, maakt dat niet anders. De zoon van [eiser] is immers zelf geen deelgenoot in de nalatenschap van erflater.
Verder heeft [eiser] nog aangevoerd dat hij zich sinds het overlijden van erflater actief heeft bezig gehouden met het contact met de VvE en dat hij er zorg voor heeft gedragen dat het benodigde onderhoud aan de woning kon worden uitgevoerd. Hoewel het [eiser] valt te prijzen dat hij die verantwoordelijkheid op zich heeft genomen, legt dit naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gewicht in de schaal om de belangenafweging in zijn voordeel te doen uitvallen. Daar komt bij dat [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat ook hij zijn steentje heeft bijgedragen bij het opruimen en verkopen van inboedel en aan het in goede staat houden van de woning, bijvoorbeeld voor wat betreft het onderhoud aan de tuin.
Voorts is van belang of de ene partij in staat is de andere partij uit te kopen. [gedaagde] en [eiser] zijn het erover eens dat de woning een waarde heeft van € 532.000,00, zodat het uitkoopbedrag neerkomt op € 266.000,00. [eiser] heeft betwist dat [gedaagde] dit bedrag kan betalen. Naar aanleiding van de mondelinge behandeling en de opdracht daartoe van de rechtbank, heeft [gedaagde] een makelaar bij hem thuis uitgenodigd. De makelaar heeft de marktwaarde van de woning van [gedaagde] geschat op € 350.000,00. Nu [gedaagde] de hypotheek op zijn huidige woning volledig heeft afgelost, gaat de rechtbank ervanuit dat hij, met de verkoop van zijn huidige woning, over voldoende financiële middelen beschikt om [eiser] voor een bedrag van € 266.000,00 uit te kopen.
Dit alles in acht nemende, is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] een zwaarder wegend belang heeft dan [eiser] . Dat betekent dat de woning aan [gedaagde] zal worden toebedeeld onder de verplichting om aan [eiser] een bedrag van € 266.000,00 te voldoen en dat de levering van de woning aan [gedaagde] binnen drie maanden na dit vonnis moet plaatsvinden. Daarbij wordt wel de kanttekening gemaakt dat, in het geval levering van de woning niet binnen die termijn kan plaatsvinden, de woning alsnog aan [eiser] zal worden toebedeeld. Dat betekent dus ook dat [gedaagde] maximaal drie maanden vanaf de datum van dit vonnis de tijd heeft om zijn huidige woning te verkopen, zodat hij voornoemd bedrag aan [eiser] kan voldoen. Aangezien de makelaar heeft verklaard dat hij “verwacht de woning binnen maximaal 2 maanden te hebben verkocht”, komt een termijn van drie maanden de rechtbank haalbaar voor. Omdat de woning aan [gedaagde] wordt toebedeeld, is het naar het oordeel van de rechtbank redelijk dat hij ook de notariskosten die gepaard gaan met het verkrijgen van [eiser] eigendomsaandeel in de woning en het op zijn naam laten zetten voor zijn rekening neemt.
Ten overvloede overweegt de rechtbank nog dat de vrees van [eiser] dat [gedaagde] de woning na toebedeling zal opknappen en vervolgens voor een zo hoog mogelijk bedrag zal verkopen, niet tot een ander oordeel leidt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] toegelicht dat hij dat in eerste instantie inderdaad van plan was, maar dat hij op dat moment nog niet wist dat de verkoop van zijn huidige woning voldoende zou opleveren om [eiser] te kunnen uitkopen. Daar komt bij dat het in het kader van deze procedure niet mogelijk is om aan de toedeling van de woning aan [gedaagde] een voorwaarde te verbinden die een eventuele toekomstige verkoop aan derden verhindert. Wel is de rechtbank van oordeel dat de uitdrukkelijke wens van [gedaagde] om de woning toebedeeld te krijgen, moet meebrengen dat hij in ieder geval vijf jaar in de woning zal blijven wonen. Daarbij zij opgemerkt dat als de situatie van [gedaagde] wijzigt en hij de woning op enig moment toch te koop aanbiedt, het in de rede ligt dat hij de woning dan (tegen een nieuwe taxatiewaarde) eerst aan [eiser] aanbiedt. Op deze manier kan de uitdrukkelijke wens van [eiser] dat de woning in de familie blijft ook recht worden gedaan.
De bankrekening
Partijen hebben ook om de verdeling van het banksaldo verzocht. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] toegelicht dat het banksaldo op dat moment € 84.000,00 bedroeg. Ter discussie staat niet of het banksaldo bij helfte moet worden gedeeld, maar op welk moment dat moet gebeuren. Zoals hiervoor onder 4.2 overwogen, is het uitgangspunt dat ieder van de deelgenoten te allen tijde de verdeling van een gemeenschappelijk goed kan vorderen. In afwijking van die hoofdregel, stelt [eiser] zich op het standpunt dat de verdeling van het banksaldo moet worden uitgesteld tot vlak nadat de woning aan een van partijen is toegedeeld, omdat er nog kosten moeten worden gemaakt die ten laste van de nalatenschap komen. In de periode tot aan de verdeling van de woning geldt het volgende.
[eiser] heeft er naar eigen zeggen geen vertrouwen in dat partijen het betalen van nadere kosten samen kunnen afwikkelen als het banksaldo daarvoor al is verdeeld, omdat het moeilijk is om contact met [gedaagde] te krijgen,. [gedaagde] heeft op zijn beurt aangevoerd dat hij er belang bij heeft dat de verdeling van het banksaldo wél onmiddellijk plaatsvindt, omdat hij zijn deel van het banksaldo nodig heeft om de aanslag erfbelasting ter hoogte van € 32.587,00 te kunnen betalen.
Het is duidelijk dat [eiser] en [gedaagde] allebei een belang hebben bij verdeling respectievelijk het voorlopig onverdeeld laten van het banksaldo. De rechtbank is het met [gedaagde] eens dat hij de aanslag erfbelasting zo spoedig mogelijk moet kunnen voldoen, maar ziet ook dat het contact tussen partijen de afgelopen periode erg stroef is verlopen. Voor een efficiënte afwikkeling van de nalatenschap acht de rechtbank het daarom van belang dat de kosten die nog ten laste van de nalatenschap moeten komen van het banksaldo kunnen worden voldaan. [eiser] heeft aangevoerd dat er nog kosten moeten worden gemaakt voor het schilderwerk van het pand en voor het vervangen van een kozijn. Die kosten komen naar het oordeel van de rechtbank ten laste van de nalatenschap, tenzij er ten aanzien daarvan nog geen betalingsverplichting bestaat op het moment dat de ene partij zijn eigendomsaandeel in de woning aan de ander overdraagt. Vanaf het moment van overdracht komen dergelijke kosten namelijk alleen voor rekening van de partij die dan eigenaar is van de woning. Hoewel [eiser] niet heeft onderbouwd hoe hoog de kosten zijn die met het schilderwerk en het vervangen van het kozijn gepaard gaan, schat de rechtbank deze kosten in op een bedrag van € 10.000. Dat maakt dat niet noodzakelijk is dat het gehele banksaldo onverdeeld blijft. Het gedeelte van het banksaldo dat niet nodig is om de kosten die nog ten laste van de nalatenschap komen te kunnen voldoen, kan wél onmiddellijk bij helfte worden verdeeld en uitbetaald. Op die manier kunnen de belangen van beide partijen worden gediend.
Het voorgaande leidt dan ook tot de conclusie dat de rechtbank zal bepalen dat het banksaldo bij helfte wordt verdeeld en uitbetaald, met uitzondering van een bedrag van € 10.000,00, dat pas verdeeld en uitbetaald hoeft te worden op het moment dat een van partijen zijn eigendomsaandeel in de woning aan de ander overdraagt.
Proceskosten
Gelet op de familierechtelijke relatie tussen partijen zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5. De beslissing
De rechtbank
In conventie en in reconventie
stelt de wijze van verdeling van de woning als volgt vast:
bepaalt dat de woning wordt toebedeeld aan [gedaagde] , onder de verplichting om aan [eiser] te voldoen een bedrag van € 266.000,00, waarbij de levering van de woning binnen drie maanden na dagtekening van dit vonnis plaatsvindt en [gedaagde] de daarmee gepaard gaande notariskosten betaalt;
bepaalt dat wanneer na afloop van de hiervoor genoemde drie maanden blijkt dat [gedaagde] niet in staat is de onder 5.1.1 genoemde verplichtingen na te komen, de woning wordt toebedeeld aan [eiser] , onder de verplichting om aan [gedaagde] te voldoen een bedrag van € 266.000,00, waarbij de levering van de woning binnen drie maanden daarna plaatsvindt en [eiser] de daarmee gepaard gaande notariskosten betaalt.
stelt de wijze van verdeling van het banksaldo voor alsnog als volgt vast:
bepaalt dat van het banksaldo op de bankrekening op naam van [naam bankrekening] met bankrekeningnummer [rekeningnummer] een bedrag van € 10.000,00 onverdeeld blijft totdat een van partijen zijn eigendomsaandeel in de woning aan de ander heeft overgedragen en dat het resterende gedeelte van het banksaldo binnen veertien dagen na dit vonnis bij helfte tussen partijen wordt verdeeld en uitbetaald,
bepaalt dat het resterende bedrag op de bankrekening uiterlijk binnen 14 dagen nadat een van partijen zijn eigendomsaandeel in de woning aan de ander heeft overgedragen bij helfte tussen partijen wordt verdeeld en uitbetaald, waarna de bankrekening wordt opgeheven.
bepaalt dat in geval [eiser] weigert zijn medewerking te verlenen, dit vonnis op grond van artikel 3:300 BW in de plaats treedt van (rechts)handelingen die [eiser] moet verrichten om tot overdracht van zijn aandeel in de woning en het resterende banksaldo aan [gedaagde] te komen,
bepaalt dat in het geval de situatie als opgenomen onder 5.1.2 zich voordoet en [gedaagde] weigert zijn medewerking te verlenen, dit vonnis op grond van artikel 3:300 BW in de plaats treedt van de (rechts)handelingen die [gedaagde] moet verrichten om tot overdracht van zijn aandeel in de woning en het resterende banksaldo aan [eiser] te komen,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. de Koning, rechter, bijgestaan door mr. M.A. van Eerde, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026.