ECLI:NL:RBAMS:2026:8642

ECLI:NL:RBAMS:2026:8642

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 24-06-2026
Datum publicatie 28-08-2026
Zaaknummer C/13/746914-EV
Rechtsgebied Civiel recht; Insolventierecht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Eindvonnis. Renvooiprocedure. In conventie worden de vorderingen afgewezen conform de overwegingen uit het tussenvonnis van 25 oktober 2025. In reconventie wordt de vordering van de curator tot betaling van het saldo van bij- en afschrijvingen tussen partijen over en weer, vastgesteld op € 326.600,-, toegewezen. Daarbij komt de rechtbank terug van enkele voorlopige oordelen in het tussenvonnis.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht

Zaaknummer: C/13/746914 / HA ZA 24-188

Vonnis van 24 juni 2026

in de zaak van

[eiser] ,

te [woonplaats] ,

eiser tot verificatie

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

hierna te noemen: [eiser] ,

advocaat: mr. I.A. Hoedemaeker,

tegen

mr. [curator] ,

in hoedanigheid van curator in het faillissement van wijlen [gedaagde] (hierna te noemen: [gedaagde] ),

te [woonplaats] ,

verweerder tot verificatie,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

hierna te noemen: de curator,

advocaat: mr. T.G.H. Coppens.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 15 oktober 2025 en de daarin genoemde processtukken,- de akte uitlating na tussenvonnis van 10 december 2025 van [eiser] ,- de akte uitlating tussenvonnis, tevens akte overlegging aanvullende producties van de curator van 10 december 2025, met producties 25 tot en met 27,- de antwoordakte op uitlating curator na tussenvonnis van 4 februari 2026 van [eiser] ,

- de antwoordakte uitlating tussenvonnis van 4 februari 2026 van de curator.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten in aanvulling op feiten uit het tussenvonnis van 15 oktober 2025

In aanvulling op de feiten genoemd in het tussenvonnis van 15 oktober 2025 (het tussenvonnis) stelt de rechtbank nog de volgende feiten vast.

Op 22 december 2020 zijn tussen [eiser] en [gedaagde] via Whatsapp berichten gewisseld als volgt:

‘(..)

12:59 [gedaagde] : Dan naar het station

Dus ben er pas later

Moet even wachten op hem

20:38 [gedaagde] : [geen tekst, maar een fotoafbeelding van een rekenmachine met

daarop een getal van 165.510, rechtbank]

[eiser] : Ja das zelfde als ik heb gedaan

[gedaagde] : En in die andere tas

[eiser] : Met 510+17000

Is hoeveel.?

20:39 [gedaagde] : Zijkant in je vakje

183020

20:47 [eiser] : Ja dan mis je 1980

Dat mis ik

Ik snap er niks van, ik weet zeker dat we goed hebben gedaan

20:48 [gedaagde] : Ik ook echt niet. Of ik heb echt niet op zitten te letten met

het uit de automaat halen van biljetten die zijn afgekeurd, maar dat is bijna onmogelijk

20:49 [eiser] : Nee dat kan niet

[gedaagde] : Maar goed. Maak anders maar een afspraak met [naam 1] om het te bespreken

En je hebt alle vakken nagekeken van je tas?

[eiser] : Maar vind dif wel kut want wil niet dat [naam 1] denkt dat we

het hebben gehouden

Ja

[gedaagde] : Helemaal binnenste buiten?

[eiser] : Ga zo auto checken

Jaja

22:15 [gedaagde] : En?’

Op 29 en 30 december 2020 heeft [eiser] bedragen van € 48.000,- en € 19.000,- overgemaakt naar de ABN Amro bankrekening van [gedaagde] met als omschrijving ‘Reservering d&w’.

Op 31 december 2020 heeft [gedaagde] vanaf zijn Rabobankrekening € 47.500,- overgemaakt aan Topkat met als omschrijving ‘Aankoop voorraad’.

3. De verdere beoordeling

in conventie

In het tussenvonnis heeft de rechtbank over de vorderingen in conventie al beslist dat deze zullen worden afgewezen. [eiser] heeft nog opmerkingen gemaakt, waarop hierna onder 3.17 zal worden ingegaan. Ook zal nog een beslissing worden genomen over de proceskosten.

in reconventie

In reconventie moet nog worden beoordeeld of de vorderingen van de curator al dan niet toewijsbaar zijn.

De beslissingen van de rechtbank in het tussenvonnis

Tussen de rekeningen van [gedaagde] en [eiser] zijn veel bedragen over en weer gegaan, soms wel en soms niet met de omschrijving ‘lening’. Een deel van die bij- en afschrijvingen over en weer zijn ook terug te vinden in bijlagen bij twee geldleningovereenkomsten, waarvan in geschil is of die al dan niet vals zijn. Op basis daarvan zou de vordering van de curator € 209.760,- bedragen

Mede naar aanleiding van het door [eiser] ingenomen standpunt dat er in de start up fase van de onderneming een rekening-courantverhouding tussen partijen was (zie de conclusie van antwoord in reconventie onder nummer 10 en 17), heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld om (alleen aan de rechtbank) bankafschriften te overleggen, waaruit blijkt welke bedragen van en naar de privérekening van [gedaagde] zijn overgemaakt en dit samen te vatten in een (ook aan de wederpartij te zenden) exceloverzicht.

De curator heeft vervolgens geconcludeerd dat de rekening-courantverhouding zoals die uit de bankafschriften en het exceloverzicht naar voren kwam, voor hem aanleiding gaf om zijn eis te wijzigen/vermeerderen. Voor de (gewijzigde) vorderingen en standpunten van partijen wordt verwezen naar het tussenvonnis van 15 oktober 2025. [eiser] heeft tegen de eiswijziging/vermeerdering bezwaar gemaakt, maar de rechtbank heeft de deze in het tussenvonnis toelaatbaar geacht. Wel is geoordeeld dat [eiser] nog inhoudelijk op de eisvermeerdering- en wijziging mocht reageren.

De rechtbank heeft in het tussenvonnis het feitelijk saldo van de bij- en afschrijvingen vastgesteld op € 326.600,-. Op basis daarvan zou [gedaagde] dus € 326.600,- meer aan [eiser] hebben overgemaakt dan andersom. De rechtbank heeft genoemd saldo vastgesteld aan de hand van de bankafschriften en dit vergeleken met het exceloverzicht van de curator (zie 5.14 tot en met 5.16 van het tussenvonnis). De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat er – waarschijnlijk als gevolg van vergissingen – enkele verschillen waren. Hier mocht de curator nog op reageren.

Verder heeft de rechtbank in het tussenvonnis onder 5.10 geoordeeld dat de authenticiteit van de geldleningovereenkomsten in het midden kan blijven, evenals de eventuele omschrijving van de betalingen over en weer en dat het saldo van bij- en afschrijvingen (in beginsel) bepalend is voor de vraag of de curator al dan niet een vordering heeft op [eiser] .

Wel mochten partijen nog hun visie geven op de vraag of op dit saldo correcties nodig waren:

voor bedragen van in totaal € 299.570,- die zijn betaald aan [eiser] en meteen daarna zijn doorgestort aan derden, te weten HB Future B.V. (HB Future) en Veterinary Enterprises B.V (Veterinary Enterprises Europe);

voor een bedrag van € 85.000,- dat volgens [eiser] door hem contant aan [gedaagde] is betaald en vervolgens op de bankrekening van [gedaagde] is gestort.

in conventie en in reconventie

Het standpunt van [eiser]

[eiser] heeft in de akte uitlaten na tussenvonnis opnieuw bezwaar gemaakt tegen de eisvermeerdering van de curator. Volgens [eiser] is de eisvermeerdering ook een grondslagwijziging en wordt hij hierdoor in zijn verdediging geschaad, omdat het debat daarover niet meer kan worden gevoerd. Er wordt nu uitgegaan van de bankbetalingen over en weer en niet meer van de geldleningovereenkomsten die volgens [eiser] vals zijn. De over en weer gedane betalingen hadden volgens [eiser] in overwegende mate betrekking op de bedragen die partijen gezamenlijk investeerden in de business-activiteiten die zij aan het opzetten waren en waarin wijlen [gedaagde] ook als grootaandeelhouder fungeerde van de nog op te richten ondernemingen. De betalingen hadden alle het karakter van investeringen en zijn geen leningen aan [eiser] in privé.

Voor wat betreft de betalingen aan HB Future en Veterinary Enterprises Europe stelt [eiser] dat uit het eerder overgelegde proces-verbaal uit een andere procedure volgt dat die betalingen plaatsvonden in het kader van een zakelijke samenwerking, gericht op de exploitatie van winkels, en dat die betalingen niet als lening kwalificeren.

[eiser] stelt verder dat uit de stortingen van [gedaagde] op de bank, uit de verklaring van [naam 2] en uit de kwitantie volgt dat er geen twijfel over kan bestaan dat er op 22 december 2020 een bedrag van € 85.000,- in contanten door [eiser] is betaald aan [gedaagde] .

Ten slotte heeft [eiser] nog opmerkingen gemaakt over rechtsoverweging 3.19 van het tussenvonnis.

Het standpunt van de curator

De curator bevestigt dat de door de rechtbank voorgestelde correcties op het exceloverzicht van de curator van bij- en afschrijvingen juist zijn.

Voor wat betreft de betalingen door [gedaagde] aan [eiser] met de omschrijving lening en de daaropvolgende doorstortingen aan Veterinary Enterprises Europe en HB Future stelt de curator zich op het standpunt dat dit wel degelijk leningen zijn, ook al zijn de betalingen doorbetaald in het kader van een zakelijke samenwerking. Als dat niet de bedoeling zou zijn geweest, dan zou [gedaagde] de bedragen volgens hem wel rechtstreeks aan die partijen hebben overgemaakt. En voor zover al een deel van de betalingen aan die partijen voor rekening van [gedaagde] zou moeten komen, dan zou dat hooguit eenderde moeten zijn, overeenkomend met het belang van [gedaagde] in de onderneming.

Verder ontbreekt volgens de curator de grondslag voor de betalingen aan HB Future B.V. en aan Veterinary Enterprises Europe B.V. Ook daarom zijn de betaalde bedragen aan te merken als leningen van [gedaagde] aan [eiser] .

Verder wijst de curator erop dat omgekeerd [eiser] ook aan [gedaagde] bedragen heeft overgemaakt die door [gedaagde] zijn doorgestort aan Topkat. [eiser] heeft die doorgestorte bedragen in zijn overzicht van bij- en afschrijvingen opgenomen en ziet die dus kennelijk als leningen. Dan moet dat andersom ook, aldus de curator.

Ten slotte leidt de curator uit de hiervoor onder 2.2 opgenomen Whatsappconversatie af dat er op 22 december 2020 een afspraak is geweest met een persoon aangeduid als [naam 1] en dat het geld dat die dag op de rekening van [gedaagde] is gestort van hem afkomstig was en niet van [eiser] , zoals [eiser] eerder heeft gesteld. De betaling is mogelijk door [eiser] verricht maar niet namens [eiser] , zodat de rechtbank met die vermeende betaling/aflossing door [eiser] geen rekening moet houden, aldus de curator.

De opmerking van [eiser] over 3.19 blijft buiten beschouwing

Zoals hiervoor onder 3.12 genoemd, heeft [eiser] nog opmerkingen gemaakt over overweging 3.19 van het tussenvonnis. Die overweging ziet op enkele vastgestelde feiten die relevant zijn geweest voor het oordeel van de rechtbank in conventie.

In het tussenvonnis van 25 oktober 2025 is in rechtsoverweging 5.19 en 5.20 een voorlopig oordeel opgenomen en is in rechtsoverweging 5.21 overwogen dat partijen in de gelegenheid worden gesteld “op dit voorlopig oordeel te reageren”. In dat licht is evident dat bij vergissing in het dictum onder 6.2 is opgenomen dat partijen in de gelegenheid werden gesteld “…om te reageren op het onder 3.19 en 5.20 gegeven voorlopig oordeel”, dat dit een kennelijke verschrijving is geweest en dat de rechtbank heeft bedoeld dat partijen zich konden uitlaten over de voorlopig oordelen onder 5.19 en 5.20. Wat [eiser] over rechtsoverweging 3.19 heeft aangevoerd, zal dan ook buiten beschouwing blijven.

in conventie

De proceskosten in conventie

In het tussenvonnis is beslist dat de vorderingen in conventie zullen worden afgewezen. [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de curator worden begroot op:

- griffierecht

314,00

- salaris advocaat

2.580,00

(2 punten × € 1.290,00)

- nakosten

148,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

3.042,00

in reconventie

De reactie van [eiser] op de eiswijziging (vermeerdering) van de curator

[eiser] is in de gelegenheid gesteld om nader te reageren op de onder 2.10 van het tussenvonnis toegestane eiswijziging van de curator. In de antwoordakte na het tussenvonnis heeft [eiser] vooral procedurele bezwaren tegen de eiswijziging aangevoerd, maar die zijn niet meer relevant omdat reeds is beslist dat de eiswijziging is toegestaan. De rechtbank ziet geen aanleiding om van die beslissing terug te komen.

Op hetgeen [eiser] heeft gesteld over de kwalificatie van de betalingen over en weer wordt hierna onder 3.21 en volgende ingegaan.

Het feitelijk saldo op basis van de bankafschriften

Partijen hebben bankafschriften in het geding gebracht en exceloverzichten waaruit blijkt welke bedragen wanneer van en naar de privérekening van [gedaagde] zijn gegaan. Zoals in het tussenvonnis van 15 oktober 2025 is overwogen, heeft de rechtbank het exceloverzicht van de curator tot uitgangspunt genomen en vergeleken met de bankafschriften. Dit heeft geleid tot enkele correcties. De curator is in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. De curator heeft bevestigd dat de correcties van de rechtbank juist zijn. Dat betekent dat vaststaat dat het feitelijk saldo van bij- en afschrijvingen € 326.600,- bedraagt en de curator op basis daarvan een vordering op [eiser] zou hebben van € 326.600,-.

Het saldo van de betalingen over en weer leidt tot een toewijsbare vordering van de curator op [eiser]

Tussen de rekeningen van [gedaagde] en [eiser] zijn veel bedragen over en weer gegaan. Zoals hiervoor al vermeld, heeft de rechtbank in het tussenvonnis onder 5.10 geoordeeld dat de authenticiteit van de geldleningovereenkomsten in het midden kan blijven en dat het saldo van bij- en afschrijvingen (in beginsel) bepalend is voor de vraag of de curator al dan niet een vordering heeft op [eiser] . Dit oordeel vloeit voort uit het eigen standpunt van [eiser] dat de betalingen over en weer plaatsvonden in het kader van de zakelijke samenwerking en dat er tussen partijen een rekening-courantverhouding bestond. Overigens komen een groot deel van de betalingen zoals die blijken uit de bijlagen bij de geldleningovereenkomsten overeen met de bij- en afschrijvingen op de bank.

Wel mochten partijen nog hun visie geven op de vraag of op dit saldo correcties nodig waren, onder andere voor bedragen van in totaal € 299.570,- die zijn betaald aan [eiser] en meteen daarna zijn doorgestort aan HB Future en aan Veterinary Enterprises (zie 3.8).

Het standpunt van [eiser] komt er nu op neer dat alle (naar de rechtbank begrijpt: per saldo) aan [gedaagde] betaalde bedragen als investeringen moeten worden gezien. Dit standpunt wordt verworpen. Zoals hiervoor onder 3.4 overwogen, heeft [eiser] zelf eerder het standpunt ingenomen dat er in de start-up fase van de onderneming over en weer bedragen naar elkaar zijn overgemaakt in een rekening-courantverhouding, die op enig moment zou moeten worden afgerekend. [eiser] heeft echter niets concreets gesteld over daarover gemaakte afspraken. Daarom kan uit de stelling dat betalingen aan [gedaagde] als investeringen zouden moeten worden gezien niets worden afgeleid. Ook de stelling dat [gedaagde] grootaandeelhouder zou worden komt uit de lucht vallen en strookt niet met het eerder in conventie ingenomen standpunt dat [gedaagde] voor een derde aansprakelijk was voor een gezamenlijke geldlening en evenmin met het standpunt van de curator die uitgaat van een belang van [gedaagde] van een derde (zie 3.14).

De rechtbank blijft dus bij het standpunt dat het saldo van bij- en afschrijvingen in beginsel bepalend is voor de vraag of de curator al dan niet een vordering heeft op [eiser] . Wel is dan nog de vraag of dit ook onverkort heeft te gelden voor de bedragen die [gedaagde] heeft overgemaakt naar [eiser] en die [eiser] meteen heeft doorgestort naar Veterinary Enterprises B.V. en HB Future en die – mogelijk – buiten de hiervoor genoemde rekening-courantverhouding vallen, qua omvang ook zeer daarvan afwijken (en overigens ook niet allemaal voorkomen op de bijlagen bij de geldleningovereenkomsten).

Volgens de curator moeten alle bedragen die aan [eiser] zijn overgemaakt als lening kwalificeren, ook al zijn deze meteen doorgestort aan derden. Alle bedragen zijn over en weer betaald in het kader van de zakelijke samenwerking. Dat geldt volgens de curator dus ook voor deze betalingen. Volgens de curator zou het vreemd zijn deze betalingen anders te zien en ontbreekt bovendien een grondslag voor de doorstortingen. Bovendien wijst de curator erop dat ook het omgekeerde is gebeurd, namelijk dat [eiser] gelden aan [gedaagde] overboekte, die vervolgens werden doorgeboekt aan Topkat.

Als wordt uitgegaan van een zakelijke samenwerking en wordt aangenomen dat de door [gedaagde] betaalde en aan HB Future en Veterinary Enterprises doorgestorte bedragen uiteindelijk bestemd waren voor betalingen met een (specifiek) zakelijk doel in het kader van die samenwerking, is opvallend dat die betalingen via de rekening van [eiser] zijn gegaan en niet rechtstreeks van [gedaagde] naar Veterinary Enterprises B.V. en HB Future. De rechtbank komt terug van het in het tussenvonnis onder 5.19 gegeven voorlopig oordeel, omdat ook al betaalde [gedaagde] een bedrag aan [eiser] , die eenzelfde bedrag aan Veterinary Enterprises B.V. en HB Future betaalde, de betaling van [gedaagde] (aan [eiser] ) daarmee nog niet kan worden gezien als een betaling (van [gedaagde] ) aan Veterinary Enterprises B.V. en HB Future. Dat zou anders kunnen zijn als [gedaagde] tot die betaling verplicht zou zijn geweest op grond van tussen partijen gemaakte afspraken, maar daarvan is niet gebleken.

De rechtbank kan in het kader van deze procedure niet nagaan welke rechten en verplichtingen de drie samenwerkende partners in het kader van hun samenwerking inzake Pets and Brands met elkaar zijn aangegaan en wat zij mogelijk uit dien hoofde met elkaar te verrekenen hadden of hebben. De rechtbank zal zich daarom beperken tot wat per saldo door [gedaagde] aan [eiser] is betaald.

De contante betalingen

De rechtbank heeft in het tussenvonnis onder 5.20 als haar voorlopig oordeel gegeven dat [eiser] ten minste € 70.110 aan [gedaagde] in contanten heeft betaald op 22 december 2010. Uit het door de curator in het geding gebrachte Whatsappgesprek tussen [eiser] en [gedaagde] (zie onder 2.2) blijkt echter dat de door [eiser] gestorte contante bedragen afkomstig waren van [naam 1] en daarom niet kunnen gelden als betaling van [eiser] aan [gedaagde] . De rechtbank komt ook op dit punt dus terug van het genoemde voorlopig oordeel.

Het voorafgaande leidt tot het oordeel dat [eiser] aan de curator verschuldigd is een bedrag van € 326.600,-.

Rente

De gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen per 5 februari 2025, de datum van de akte houdende wijziging van eis tevens akte overlegging productie.

Buitengerechtelijke incassokosten

De curator vordert voorts buitengerechtelijke incassokosten conform de staffel, maar die vordering wordt afgewezen. De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten zal - mede gelet op de door deze rechtbank gevolgde aanbevelingen van het Rapport BGK-integraal - worden afgewezen. De curator heeft immers niet gesteld dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan de curator vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.

Proceskosten

[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de curator worden begroot op:

- salaris advocaat

4.327,50

(3 punten × factor 0,5 × € 2.885,00)

- nakosten

148,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

4.475,50

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4. De beslissing

De rechtbank

in conventie

wijst de vordering tot verificatie van de door de curator betwiste vordering van € 14.840,- af;

verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn andere vorderingen,

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 3.042,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

verklaart de onder 4.3 genoemde proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

veroordeelt [eiser] om aan de curator te betalen een bedrag van € 326.600,-, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 5 februari 2025, tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 4.475,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

verklaart de onder 4.5 en 4.6 genoemde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

in conventie en in reconventie

veroordeelt [eiser] tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

verklaart dit vonnis wat betreft de onder 4.8 en 4.9 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, bijgestaan door mr. K.E. Beerlage, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand