RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/751249 / HA ZA 24-559
Vonnis in incident van 26 augustus 2026
in de zaak van
de rechtspersonen naar buitenlands recht
1. DOOYOO GMBH,
gevestigd te München (Duitsland),2. DOOYOO UK LIMITED,
gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk),
eisende partijen in de hoofdzaak,
verwerende partijen in het incident,
hierna samen (in enkelvoud) te noemen: Dooyoo c.s.,
advocaat: mr. H.M. Cornelissen,
tegen
1. GOOGLE NETHERLANDS B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
2. GOOGLE NETHERLANDS HOLDINGS B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
alsmede de rechtspersonen naar buitenlands recht3. GOOGLE LLC,
gevestigd te Californië (Verenigde Staten van Amerika),4. ALPHABET INC.,
gevestigd te Californië (Verenigde Staten van Amerika),5. GOOGLE UK LIMITED,
gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk),6. GOOGLE ITALY S.R.L.,
gevestigd te Milaan (Italië),7. GOOGLE SPAIN S.L.,
gevestigd te Madrid (Spanje),8. GOOGLE GERMANY GMBH,
gevestigd te Hamburg (Duitsland),9. GOOGLE FRANCE SARL,
gevestigd te Parijs (Frankrijk),
gedaagde partijen in de hoofdzaak,
eisende partijen in het incident,
hierna samen (in enkelvoud) te noemen: Google c.s.,
(gedaagden 1 tot en met 4 afzonderlijk aan te duiden als respectievelijk Google NL, Google NL Holdings, Google LLC en Alphabet; gedaagden 3 tot en met 9 samen ook aan te duiden als de buitenlandse gedaagden),
advocaat: mr. G.S.P. Vos.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in incident van 26 februari 2025 (hierna: het tussenvonnis in incident) en de daarin genoemde stukken,
- de akte houdende continuatieverzoek en uitlating over rechtsmacht na het Stroomkabelsarrest, met één productie, van 6 mei 2026 van Dooyoo c.s.,
- de akte internationale bevoegdheid en verzoek aanhouding toepasselijk recht van 3 juni 2026 van Google c.s.,
- het bericht van de rechtbank van 11 juni 2026 waarbij Dooyoo c.s. in de gelegenheid is gesteld bij akte te reageren op het door Google c.s. gedane verzoek om aanhouding van de hoofdzaak,
- de akte houdende bezwaar tegen nieuwe aanhouding van 1 juli 2026 van Dooyoo c.s.
Ten slotte is opnieuw vonnis in het incident bepaald.
2. Het tussenvonnis in incident en het arrest van 16 april 2026
Voor de feiten in het incident, het geschil in de hoofdzaak en het geschil in het incident verwijst de rechtbank naar het tussenvonnis in incident.
In het tussenvonnis in incident heeft de rechtbank de beslissing over haar (internationale) bevoegdheid aangehouden totdat het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het HvJ) de door het gerechtshof Amsterdam in de zaken Stroomkabels en Kartonverpakkingen gestelde prejudiciële vragen heeft beantwoord.
Het eerste deel van prejudiciële vraag 1a luidde als volgt:
“Bestaat een nauwe band in de zin van art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis tussen:
i. enerzijds een vordering tegen een hoofdverweerder (ook wel: ankergedaagde)
die geen geadresseerde is van een kartelbeschikking van de Commissie maar, als entiteit waarvan wordt gesteld dat zij behoort tot de onderneming in de zin van het Europese mededingingsrecht (hierna: de Onderneming), neerwaarts aansprakelijk wordt gehouden voor de vastgestelde inbreuk op het Unierechtelijk kartelverbod en
anderzijds een vordering tegen:
A) een medeverweerder die geadresseerde is van die beschikking, en/of
B) een medeverweerder die geen geadresseerde is van de beschikking ten aanzien van wie wordt gesteld dat deze als juridische entiteit behoort tot een Onderneming die in de beschikking publiekrechtelijk aansprakelijk is gehouden voor de inbreuk op het Unierechtelijk kartelverbod?”
Het HvJ heeft op 16 april 2026 arrest gewezen in de (gevoegde) zaken Stroomkabels en Kartonverpakkingen. Daarin heeft het HvJ in antwoord op de prejudiciële vraag 1a voor recht verklaard dat artikel 8, punt 1, van Verordening Brussel I bis aldus moet worden uitgelegd:
“dat er een „zo nauwe band” in de zin van deze bepaling kan bestaan tussen, enerzijds, een vordering tegen een verweerder die fungeert als ankergedaagde om de bevoegdheid van de aangezochte rechter vast te stellen en die niet aansprakelijk is gesteld voor een door de Europese Commissie of een nationale mededingingsautoriteit vastgestelde inbreuk op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992 en, anderzijds, vorderingen tegen vennootschappen ten aanzien waarvan er ernstige aanwijzingen bestaan dat zij toebehoren aan ondernemingen in de zin van het mededingingsrecht van de Unie waaraan deze inbreuk is toegerekend.”
Daarnaast is in het HvJ-arrest van 16 april 2026 onder meer voor recht verklaard, voor zover hier van belang, dat artikel 8, punt 1, Brussel I bis aldus moet worden uitgelegd:
“dat bij de beoordeling of er een „zo nauwe band ” in de zin van deze bepaling tussen vorderingen tegen meerdere verweerders bestaat, de voorzienbaarheid voor de medeverweerder om voor het gerecht van de verweerder te worden opgeroepen, die fungeert als ankergedaagde om de bevoegdheid van de aangezochte rechter vast te stellen, geen zelfstandig criterium is, maar als algemeen beginsel in aanmerking moet worden genomen bij de toepassing van de bijzondere bevoegdheidsregel van die bepaling.”
en
“dat bij de beoordeling of er een „zo nauwe band ” in de zin van deze bepaling tussen vorderingen tegen meerdere verweerders bestaat, geen rekening hoeft te worden gehouden met de toewijsbaarheid van de vordering jegens de verweerder die fungeert als ankergedaagde om de bevoegdheid van de aangezochte rechter vast te stellen. Er kan niettemin rekening mee worden gehouden als aanwijzing dat de verzoeker de voorwaarden voor de toepassing van deze bepaling niet kunstmatig heeft gecreëerd.”
3. De nadere standpunten van partijen
Partijen hebben zich uitgelaten over de betekenis van het HvJ-arrest van 16 april 2026 in relatie tot de vraag naar de internationale bevoegdheid van deze rechtbank in de onderhavige zaak.
Dooyoo c.s. handhaaft haar standpunt dat de rechtbank ook voor alle buitenlandse gedaagden (internationaal) bevoegdheid is. Zij voert daartoe, samengevat, het volgende aan. Uit het HvJ-arrest volgt dat de Sumal-vereisten als maatstaf kunnen dienen voor het bestaan van de nauwe band in de zin van artikel 8, punt 1, Brussel I bis. Alle Google-gedaagden behoren tot dezelfde onderneming (in de zin van het ondernemingsrecht) waaraan de inbreuk is toegerekend. Ten aanzien van de Nederlandse en de Europese Google-gedaagden is voldaan aan de Sumal-criteria voor hoofdelijke aansprakelijkheid. Voor de beoordeling in het kader van de rechtsmacht geldt overigens een lichtere toets. In elk geval is niet uitgesloten dat gedaagden deel uitmaken van dezelfde onderneming. Er bestaat een concreet verband tussen de economische activiteiten van de Nederlandse Google-entiteiten en het voorwerp van de inbreuk waarvoor de Amerikaanse Google-entiteiten zijn beboet. Google NL had niet slechts een ondersteunende maar een actieve rol bij de verkoop van Google Shopping Ads. Ook verstrekte Google NL advies over strategie en de concurrentiepositie ten opzichte van andere vergelijkingsdiensten. Google NL Holdings speelde een onmisbare rol als financieel middelpunt van de Europese Google-tak en als licentiegever van de technologie waarmee Google Shopping via Google Search kon worden uitgebaat in de EER. Zowel voor Google NL als Google NL Holdings was dus sprake van directe betrokkenheid bij het voorwerp van de inbreuk. De andere Europese Google-entiteiten en Google UK voerden lokaal dezelfde economsche activiteiten uit als Google NL, waardoor om dezelfde redenen een concreet verband bestaat tussen de economische activiteiten van hen en het voorwerp van de inbreuk. Er bestaat dus een nauwe band tussen de vorderingen tegen de Nederlandse Google-entiteiten enerzijds en de buitenlandse Google-entiteiten anderzijds.
Google c.s. handhaaft haar standpunt dat de rechtbank geen bevoegdheid kan aannemen voor de buitenlandse gedaagden. Zij betoogt daartoe, samengevat, als volgt.
Er bestaat geen nauwe band tussen de vorderingen tegen de Nederlandse gedaagden, de Amerikaanse gedaagden en de overige buitenlandse gedaagden. Het HvJ heeft in het arrest van 16 april 2026 een restrictieve maatstaf meegegeven. In geval van neerwaartse aansprakelijkheid kan de mogelijkheid om een dochtervennootschap aan te spreken niet automatisch worden ingeroepen tegen elke dochtervennootschap. Er moet een concreet verband bestaan tussen de economische activiteit van de dochteronderneming en het voorwerp van de inbreuk waarvoor de moederonderneming aansprakelijk is gesteld. Het HvJ overweegt over dit vereiste dat dit met name het geval is wanneer de mededingings-verstorende overeenkomst van de moeder- of grootmoedermaatschappij dezelfde producten betreft als die welke de dochter- of kleindochteronderneming verkoopt, of wanneer deze dochter- of kleindochteronderneming zorgt voor de productie, de verkoop, de levering of de distributie van deze gekartelliseerde producten en voor de levering van de gekartelliseerde diensten. Met de bewoording “met name” hanteert het HvJ een restrictieve maatstaf.
Dooyoo c.s. heeft niet aangetoond dat aan het tweede Sumal-vereiste is voldaan. Er is geen concreet verband tussen de activiteiten van de Nederlandse gedaagden, van de andere Europese gedaagden en het voorwerp van de inbreuk. De Nederlandse gedaagden zijn niet betrokken bij het voorwerp van de inbreuk en konden daar geen enkele invloed op uitoefenen. Zij zijn ook niet betrokken bij het aanbieden en rangschikken van Shopping Ads en het ontwerpen en ontwikkelen van Google Shopping en Google Search. Ook verkochten zij geen (Google Shopping) advertenties en waren zij niet de contractspartij voor adverteerders. Google NL en Google NL Holdings produceren, verkopen, leveren en/of distribueren dus geen inbreukmakende dienst. De hoofdactiviteit van Google NL bestond uit het verlenen van marketing- en verkoopondersteuning, onder meer het adviseren en bijstaan van adverteerders in Nederland met betrekking tot de advertentiediensten van Google en het adverteren op Google-platforms. Google NL verricht die diensten aan klanten van Google Ireland Limited, die de contractspartij was voor adverteerders. Google NL Holdings is enkel een financiële holding zonder werknemers en zonder economische activiteit. Een puur financieel verband tussen Google NL Holdings en twee Ierse Google-entiteiten is niet een voldoende concreet verband als bedoeld in het Sumal-arrest. Voor de gedaagden 5 tot en 9 geldt dat zij geen geadresseerden zijn van het EC-besluit. Betwist wordt dat zij dezelfde economische activiteiten verrichten als Google NL. Een concreet verband tussen hun activiteiten en het voorwerp van de inbreuk is dus evenmin aangetoond.
4. De verdere beoordeling in het incident
Google NL en Google NL Holdings zijn gevestigd in Amsterdam. Op grond van de hoofdregel van artikel 4 Brussel I bis (woonplaats van de verweerder) is de Nederlandse rechter internationaal bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen die Dooyoo c.s. heeft ingesteld tegen Google NL en Google NL Holdings. De relatieve bevoegdheid van de rechtbank Amsterdam volgt uit artikel 99 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
Voor de (internationale) bevoegdheid van de andere, niet in Nederland gevestigde gedaagden beroept Dooyoo c.s. zich primair erop dat een nauwe band bestaat tussen enerzijds de vorderingen tegen Google NL en Google NL Holdings en anderzijds de vorderingen tegen de buitenlandse gedaagden.
De vraag of Google NL en Google NL Holdings als zogeheten ankergedaagden kunnen fungeren voor de andere gedaagden moet voor wat betreft de in de Europese Unie gevestigde buitenlandse gedaagden worden beantwoord aan de hand van artikel 8, aanhef en punt 1, Brussel I bis en voor de in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten gevestigde gedaagden aan de hand van artikel 7 lid 1 Rv. Voor beide bepalingen komt het toetsingskader, voor zover voor deze zaak van belang, op hetzelfde neer.
Toetsingskader artikel 8, punt 1, Brussel I bis en artikel 7 lid 1 Rv
Artikel 8, aanhef en punt 1, Brussel I bis bepaalt dat, indien er meer dan één verweerder is, een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat ook kan worden opgeroepen voor het gerecht van de woonplaats van een hunner, op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven.
Artikel 7 lid 1 Rv bepaalt dat, indien in zaken die bij dagvaarding moeten worden ingeleid de Nederlandse rechter ten aanzien van een van de gedaagden rechtsmacht heeft, hem deze ook toekomt ten aanzien van in hetzelfde geding betrokken andere gedaagden, mits tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden een zodanige samenhang bestaat dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen.
De bevoegdheidsregel van artikel 7 lid 1 Rv is ontleend aan en vergelijkbaar met die van artikel 8, punt 1, Brussel I bis. Bij de invoering en latere wijzigingen van de artikelen 1 tot en met 14 Rv heeft de Nederlandse wetgever aansluiting gezocht bij, onder meer, de voorlopers van Brussel I bis. Bij de uitleg van de regels in Rv voor rechtsmacht in internationale zaken moet daarom in beginsel aansluiting worden gezocht bij de rechtspraak van het HvJEU over (de voorlopers van) Brussel I bis. Dit is alleen anders indien aannemelijk is dat de Nederlandse wetgever heeft beoogd om bij de inrichting van een commune regel af te wijken van de Unierechtelijke instrumenten of de uitleg daarvan door het HvJ.
De bepalingen van Brussel I bis moeten autonoom worden uitgelegd in het licht van de ontstaansgeschiedenis, de doelstellingen en het systeem van de verordening en de rechtspraak van het HvJ over Brussel I bis en de voorlopers daarvan. Uit vaste rechtspraak van het HvJ over de toepassing van de bijzondere bevoegdheidsregels van Brussel I bis blijkt onder meer het volgende.
De bijzondere bevoegdheidsregels die een uitzondering vormen op de algemene regel, moeten als zodanig strikt worden uitgelegd. Die uitleg mag zich enkel uitstrekken tot de in de Brussel I bis uitdrukkelijk bedoelde gevallen.
De rechter die onderzoekt of hem rechtsmacht toekomt, moet zich bij dit onderzoek niet beperken tot de stellingen van de eiser, maar moet ook acht slaan op alle hem ter beschikking staande gegevens over de werkelijk tussen partijen bestaande rechtsverhouding en, in voorkomend geval, op de stellingen van de verweerder. Het onderzoek naar de rechtsmacht mag dus niet plaatsvinden op basis van enkel de door de eisende partij gekozen grondslag van haar vordering. De rechtszekerheid verlangt dat de nationale rechter zich gemakkelijk over zijn eigen bevoegdheid kan uitspreken, zonder dat hij de zaak ten gronde hoeft te onderzoeken. Indien de verweerder de stellingen van de eiser betwist, hoeft de rechter in het kader van de bepaling van zijn bevoegdheid geen gelegenheid te geven voor bewijslevering met betrekking tot de zowel voor de bevoegdheid als voor de gegrondheid relevante feiten, omdat daarmee op het onderzoek naar de gegrondheid van de vorderingen vooruit zou worden gelopen. Hieruit volgt dat de rechter zich bij beantwoording van deze vraag beperkt tot een oordeel op het eerste gezicht (prima facie-oordeel).
Het is aan de nationale rechter om, rekening houdend met alle noodzakelijke elementen van het dossier, te beoordelen of de verschillende bij hem ingestelde vorderingen samenhangend zijn (en dus of er in geval van afzonderlijke berechting gevaar voor onverenigbare beslissingen bestaat). Het gevaar op onverenigbare beslissingen moet worden begrepen als het gevaar op tegenstrijdige beslissingen. Daarbij kan van belang zijn of de gedaagden onafhankelijk van elkaar hebben gehandeld. Ook de rechtsgrondslag van de vorderingen zal de rechter in zijn beschouwing moeten betrekken, waarbij geldt dat niet is vereist dat de vorderingen dezelfde rechtsgrondslag hebben. Overeenstemming van de rechtsgrondslag vormt echter wel een relevante factor bij de beoordeling of de verschillende vorderingen samenhangend zijn. Verder geldt dat beslissingen niet reeds tegenstrijdig kunnen worden geacht in de zin van artikel 8, aanhef en punt 1, Brussel I bis-Verordening op grond van enkele divergentie in de beslechting van het geschil; vereist is dat deze divergentie zich voordoet in het kader van eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens.
Een verzoeker kan niet op grond van artikel 8 punt 1 Brussel I bis een vordering tegen meerdere verweerders instellen met het enkele doel om een van die verweerders te onttrekken aan de gerechten van de staat waar hij zijn woonplaats heeft en aldus de in die bepaling vastgelegde bevoegdheidsregel omzeilen door de voorwaarden voor toepassing van die bepaling op kunstmatige wijze te creëren of te handhaven.
Het HvJ-arrest van 16 april 2026
Met het arrest van het HvJ van 16 april 2026 is duidelijk dat in zaken over een mededingingsrechtelijke inbreuk een nauwe band in de zin van artikel 8, aanhef en punt 1, Brussel I bis kan bestaan tussen enerzijds een vordering tegen een ankergedaagde die geen geadresseerde is van een door de Europese Commissie (EC) vastgestelde inbreuk en anderzijds vorderingen tegen een vennootschap die als geadresseerde van een EC-inbreuk is aangemerkt of vennootschappen waarvan ernstige aanwijzingen bestaan dat zij toebehoren aan ondernemingen (in de zin van het Unierechtelijk mededingingsrecht) waaraan deze inbreuk is toegerekend.
Nauwe band tussen vordering op Google NL en vorderingen op Google LLC en Alphabet
Google LLC en Alphabet zijn geadresseerden van het EC-besluit van 27 juni 2017 waarin een inbreuk op het Unierechtelijk mededingingsrecht, namelijk misbruik van machtspositie als bedoeld in artikel 102 VWEU, is vastgesteld. Met het EC-besluit staat de aansprakelijkheid van Google LLC en Alphabet vast voor de schade als gevolg van het misbruik van machtspositie.
Google NL en Google NL Holdings zijn (klein)dochtervennootschappen van Google LLC en Alphabet. Zij kunnen als (klein)dochtervennootschap mede aansprakelijk zijn voor de inbreuk door hun (groot)moeder, indien zij deel uitmaken van de economische eenheid die de inbreukmakende onderneming vormt. Dit laatste moet in het kader van de rechtsmacht prima facie worden beoordeeld aan de hand van de criteria uit het Sumal-arrest. Deze criteria zijn dat (i) de dochteronderneming en haar moedermaatschappij economisch, organisatorisch en juridisch zijn verbonden en dat (ii) een concreet verband bestaat tussen de economische activiteit van de dochteronderneming en het voorwerp van de inbreuk waarvoor de moedermaatschappij aansprakelijk is gesteld.
Anders dan Google c.s. heeft betoogd, hoeft Dooyoo c.s. in het kader van dit bevoegdheidsincident niet aan te tonen dat aan de Sumal-criteria is voldaan. In het kader van de beoordeling van de rechtsmacht is sprake van een prima facie-beoordeling en hoeft nog niet vooruit te worden gelopen op een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen in de hoofdzaak. Voor de beoordeling van de rechtsmacht is voldoende dat niet uitgesloten is dat de ankergedaagden deel uitmaken van dezelfde onderneming (zie het HvJ-arrest van 16 april 2026, punt 100). Dooyoo c.s. kan er dan ook mee volstaan aannemelijk te maken dat aan de Sumal-criteria is voldaan. Als dat het geval is, kunnen Google NL en Google NL Holdings als ankergedaagden fungeren.
Google c.s. heeft niet betwist dat Google NL en Google NL Holdings economisch, organisatorisch en juridisch zijn verbonden met Google LLC en Alphabet. Wel betwist Google c.s. het bestaan van een concreet verband tussen de economische activiteit van Google NL en Google NL Holdings en het voorwerp van de inbreuk waarvoor Google LLC en Alphabet aansprakelijk zijn gesteld. Google c.s. voert hiertoe aan, kort gezegd, dat Google NL en Google NL Holdings niet (direct) waren betrokken bij de inbreuk, daar geen invloed op konden uitoefenen en geen advertenties verkochten.
Met haar betoog gaat Google c.s. uit van een te beperkte uitleg van het tweede Sumal-criterium. Beslissend is niet of de ankergedaagde zelf (mede) de inbreuk heeft gepleegd, daarbij betrokken was of daar invloed op heeft kunnen uitoefenen, maar of er een concreet verband bestaat tussen de economische activiteit van de ankergedaagde en het voorwerp van de inbreuk (het door Google bevoordelen van haar eigen vergelijkingsdienst, Google Shopping). In het HvJ-arrest zijn als voorbeelden van voornoemde economische activiteit genoemd het produceren, verkopen, leveren en/of distribueren van (dezelfde) gekartelliseerde producten. Die voorbeelden zijn niet limitatief. Een concreet verband in vorenbedoelde zin kan ook in andere situaties aanwezig zijn. Vast staat dat Google NL in elk geval marketing- en verkoopondersteunende diensten heeft verleend aan de adverteerders op de Google-platforms. Die ondersteunende diensten vonden (mede) plaats in het kader van de verkoop van betaalde zoekresultaten (advertenties/Shopping Ads) op de eigen vergelijkingsdienst van Google. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank een concreet verband tussen de economische activiteit van Google NL en het voorwerp van de inbreuk aannemelijk. Dat Google NL de advertenties niet zelf verkocht, is daarbij niet doorslaggevend.
Dit betekent dat een nauwe band bestaat tussen enerzijds de vorderingen op Google NL en anderzijds de vorderingen op Google LLC en Alphabet. Voor die twee Amerikaanse Google-entiteiten kan Google NL dus als ankergedaagde fungeren.
Alphabet: de periode vóór 2 oktober 2015
In het bijzonder voor Alphabet en de periode vóór 2 oktober 2015 heeft Google c.s. nog aangevoerd dat de vereiste samenhang ontbreekt, omdat Alphabet pas op 2 oktober 2015 is opgericht en in het EC-besluit is geoordeeld dat Alphabet pas vanaf die datum schuldig was aan de inbreuk. Er kan daarom volgens Google c.s. geen vordering op Google NL zijn voor de periode vóór 2 oktober 2015 die samenhangt met een vordering op Alphabet.
Dooyoo c.s. betoogt dat Alphabet ook aansprakelijk is voor het misbruik en de schade in de periode vóór 2 oktober 2015 op grond van het arrest-Skanska.
De rechtbank overweegt dat in de hoofdzaak zal moeten worden beoordeeld of Alphabet ook aansprakelijk is voor de inbreuk in de periode vóór 2 oktober 2015. Dat de juridische grondslag voor die mogelijke aansprakelijkheid deels een andere is dan de aansprakelijkheid op grond van het EC-besluit neemt niet weg dat voldoende samenhang bestaat tussen de (eventuele) vorderingen op Google NL en Alphabet voor wat betreft de periode vóór 2 oktober 2015. Ook voor die periode geldt immers dat de gestelde aansprakelijkheid uiteindelijk is gebaseerd op hetzelfde feitelijke inbreukmakende handelen (van Google LLC) zoals dat in het EC-besluit is vastgesteld.
Nauwe band tussen vordering op Google NL en vorderingen op andere buitenlandse gedaagden
Google NL kan eveneens als ankergedaagde fungeren voor de andere buitenlandse gedaagden. Niet ter discussie staat dat die andere buitenlandse gedaagden economisch, organisatorisch en juridisch zijn verbonden met Google LLC en Alphabet. Volgens Dooyoo c.s. voerden die andere buitenlandse gedaagden lokaal dezelfde activiteiten uit als Google NL. Daarbij heeft Dooyoo c.s. verwezen naar informatie uit de buitenlandse handelsregisters, statuten, jaarrekeningen en andere financiële documentatie. Google c.s. heeft hiertegenover niet kunnen volstaan met de kale stelling dat de feitelijke activiteiten van de andere buitenlandse gedaagden niet hetzelfde zijn als de (ruime) doelen in de statuten of de KvK-registraties. Bij gebrek aan onderbouwing van de betwisting door Google c.s. is aannemelijk dat de andere buitenlandse gedaagden, net als Google NL, marketing- en verkoopondersteunende diensten verleenden in het kader van de verkoop van advertenties. Daarmee is een concreet verband tussen de economische activiteit van de andere buitenlandse gedaagden en het voorwerp van de inbreuk aannemelijk. Dit brengt mee dat aannemelijk is dat Google NL en de andere buitenlandse gedaagden deel uitmaakten van de economische eenheid die de inbreukmakende onderneming vormt. Daarmee bestaat een nauwe band tussen die respectievelijke vorderingen.
Periode na 28 september 2017
Google c.s. heeft verder aangevoerd dat er geen bevoegdheid is voor de vorderingen op de buitenlandse Google-entiteiten voor zover Dooyoo c.s. daaraan ten grondslag legt dat ook nog sprake is geweest van misbruik van machtspositie in de periode nadat de inbreuk had moeten zijn beëindigd. Dit is de periode ná 28 september 2017. De vorderingen over die periode kwalificeren als stand-alone vorderingen en daarvoor kan Dooyoo c.s. niet verwijzen naar het EC-besluit, maar moet zij zelfstandige feiten ter onderbouwing van het gestelde misbruik van machtspositie stellen. Dat heeft Dooyoo c.s. niet gedaan, zodat niet aan de stelplicht is voldaan en sprake is van evident kansloze vorderingen, aldus Google c.s.
Dooyoo c.s. stelt zich op het standpunt dat haar (schade)vordering uitsluitend een follow-on vordering is. De schade die is geleden na 28 september 2017 betreft volgens Dooyoo c.s. na-ijleffecten van de in het EC-besluit vastgestelde inbreuk. De grondslag van de schadevordering is gelegen in de normschending zoals vastgesteld in het EC-besluit, aldus Dooyoo c.s.
Gelet op het standpunt van Dooyoo c.s. moet haar vordering uitsluitend worden begrepen als een follow-on vordering. Een afzonderlijke beoordeling van de rechtsmacht voor wat betreft een stand-alone periode is dus niet aan de orde. De inhoudelijke vraag of ook na 28 september 2017 schade is geleden als gevolg van de door de EC vastgestelde inbreuk kan in de hoofdzaak of de schadestaat aan de orde komen.
Afsluitende overwegingen
Google c.s. verweer dat de vorderingen van Dooyoo c.s. kunstmatig zijn ingestoken, stuit af op het hiervoor gegeven oordeel dat een nauwe band bestaat tussen de vorderingen op de afzonderlijke gedaagden. Van kennelijk ongegronde vorderingen is geen sprake.
Aangezien Google NL als ankergedaagde kan fungeren voor alle buitenlandse gedaagden kan in het midden blijven of ook Google NL Holdings als ankergedaagde kan gelden.
Nu deze rechtbank internationaal bevoegd is ten aanzien van alle buitenlandse gedaagden op grond van het bestaan van een voldoende nauwe band tussen de vorderingen op de buitenlandse gedaagden en de vorderingen op Google NL, behoeft geen bespreking meer of rechtsmacht kan worden ontleend aan de plaats van het schadebrengende feit.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft Google c.s. haar eerdere beroep op litispendentie en connexiteit niet langer gehandhaafd. Ook dit behoeft daarom geen bespreking.
Proceskosten
Google c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk in de proceskosten (inclusief nakosten) in het bevoegdheidsincident worden veroordeeld. De proceskosten van Dooyoo c.s. worden begroot op:
- salaris advocaat € 1.632,50 (2,5 punt x tarief II)
- nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
€ 1.810,50
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen op de wijze zoals hier na te melden.
5. Het verzoek van Google c.s. om aanhouding van de hoofdzaak
Google c.s. verzoekt om de inhoudelijke behandeling van de hoofdzaak – nadat een beslissing is genomen in het bevoegdheidsincident – aan te houden tot het HvJ de prejudiciële vragen heeft beantwoord die de Hoge Raad op 20 juni 2025 heeft gesteld in de Trucks-zaak. Google c.s. licht dat verzoek als volgt toe. De prejudiciële vragen zien op het vaststellen van het toepasselijk recht op schadevorderingen naar aanleiding van een inbreuk op het mededingingsrecht. Die vragen zijn direct relevant voor deze procedure. Zonder het antwoord van het HvJ kan niet worden bepaald welk(e) rechtsstelsel(s) van toepassing is (of zijn) op de vorderingen van Dooyoo c.s. De civielrechtelijke consequenties van een inbreuk op het EU-mededingingsrecht zijn vooral een kwestie van nationaal recht. Het toepasselijk recht bepaalt onder andere de voorwaarden voor aansprakelijkheid, de bewijslastverdeling en bewijsvermoedens, de schadebegroting, de overdraagbaarheid van vorderingen en de wettelijke rente. Vanwege de huidige onduidelijkheid over hoe het toepasselijk recht moet worden bepaald en welk recht van toepassing is op de vorderingen van Dooyoo c.s., is het niet efficiënt om door te procederen over de inhoud van de zaak.
Dooyoo c.s. verzet zich tegen aanhouding van de hoofdzaak. Zij licht dat standpunt als volgt toe. De gestelde prejudiciële vragen zijn niet relevant voor de beoordeling van de vorderingen van Dooyoo c.s.. Die vorderingen strekken tot een hoofdelijke veroordeling tot vergoeding van schade, nader op te maken bij staat, en die vorderingen kunnen worden beoordeeld op grond van het Unierecht in combinatie met Nederlands formeel procesrecht dat op grond van artikel 10:3 BW toepasselijk is ongeacht het (materiële) recht dat van toepassing is op de onderliggende rechtsverhouding. De onderwerpen die Google c.s. in haar akte noemt, kunnen worden beoordeeld aan de hand van het Unierecht of zijn in deze procedure niet aan de orde. Zelfs indien de uitkomst van de prejudiciële vragen relevant zou zijn voor de inhoudelijke beoordeling van de hoofdzaak, is aanhouding geen geëigend instrument. In haar dagvaarding heeft Dooyoo c.s. geanticipeerd op het distributief van toepassing zijn van verschillende rechtsstelsels. Het is aan Google c.s. om hierop inhoudelijk verweer te voeren. Overigens zijn verschillende nationale rechtsstelsels die van belang kunnen zijn voor de uitoefening van het recht op schadevergoeding inmiddels geharmoniseerd door de rechtspraak van het HvJ en/of de implementatie van de Schaderichtlijn. Daarbij komt dat deze zaak al anderhalf jaar heeft stilgelegen wegens de aanhouding in het bevoegdheidsincident, zijn er alternatieve manieren om voort te procederen en moet worden gewaakt tegen onredelijke en onnodige vertraging.
Op grond van artikel 20 Rv moet de rechtbank waken tegen onredelijke vertraging van de procedure. Hierbij moeten enerzijds de belangen van partijen bij een spoedige uitspraak en anderzijds de belangen van een zorgvuldig onderzoek en de goede procesorde tegen elkaar worden afgewogen. De rechtbank ziet onvoldoende reden voor de door Google c.s. verzochte aanhouding. De belangen van een zorgvuldig onderzoek en de goede procesorde verzetten zich in dit geval niet tegen voortzetting van de procedure. De aansprakelijkheid van Google LLC en Alphabet is met het EC-Besluit (voor een belangrijk deel) reeds gegeven, terwijl de aansprakelijkheid van de andere buitenlandse gedaagden en van Google NL en Google NL Holdings moet worden beoordeeld aan de hand van het Unierecht, te weten de Sumal-criteria. In dit opzicht is er ook een verschil met de Truck-zaak (waarin geen misbruik van machtspositie maar een kartel-inbreuk aan de orde is en waarin aansprakelijkheid op grond van het Sumal-arrest niet aan de orde is). In dit opzicht behoeft de beantwoording van de prejudiciële vragen in de Truck-zaak dus niet te worden afgewacht. Verder is in de Truck-zaak in het vonnis van de rechtbank van 13 september 2023 overwogen dat vaststelling van het toepasselijk recht in die zaak van belang is voor de beoordeling van diverse vraagstukken, waaronder verjaring, de overdraagbaarheid van de vorderingen (de rechtsgeldigheid van de cessies) en het doorberekeningsverweer (‘passing-on’). Dergelijke vraagstukken spelen bij de beoordeling van de vorderingen van Dooyoo c.s. (vooralsnog) niet. Ten slotte geldt dat, voor zover voor enig beslispunt sprake zou zijn van relevante verschillen tussen mogelijk toepasselijke rechtsstelsels, Google c.s. die verschillen kan betrekken bij haar verweer.
Het voorgaande betekent dat zal worden voortgeprocedeerd in de hoofdzaak. Daartoe wordt de zaak verwezen naar de rol van 7 oktober 2026 voor conclusie van antwoord.
6. De beslissing
De rechtbank
in het incident
wijst het gevorderde af,
veroordeelt Google c.s. hoofdelijk in de proceskosten van Dooyoo c.s., begroot op € 1.810,50, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na de datum van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als Google c.s. niet tijdig aan deze proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
verwijst de zaak naar de rol van 7 oktober 2026 voor conclusie van antwoord,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.T. Kruis en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026.