RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12143098 \ CV EXPL 26-3869
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 27 juli 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats 1] (Verenigd Koninkrijk),
eiser,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. M.J. Alberts,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. [gemachtigde] (Stichting Achmea Rechtsbijstand).
De zitting wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Amsterdam.
De zaak wordt behandeld door mr. M.V. Ulrici, kantonrechter, bijgestaan door mr. S.M.P. Mulder als griffier.
Aanwezig zijn:
- [eiser] , met H. Abdulla als tolk in de Engelse taal en de gemachtigde.
- [gedaagde] , met de gemachtigde.
De volgende stukken zijn op de zitting aan het procesdossier toegevoegd:
- spreekaantekeningen van de gemachtigde van [eiser] .
Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de kantonrechter op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan.
1. De beoordeling
[eiser] huurde van [gedaagde] de woonruimte aan [adres] (hierna: de woning). De huurovereenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd, ingaande op 5 juli 2021 tot en met 5 juni 2023, waarna de huurovereenkomst is voortgezet voor onbepaalde tijd. Bij aanvang van de huurovereenkomst heeft [eiser] [gedaagde] een waarborgsom van € 4.350,00 betaald. [eiser] heeft de huurovereenkomst opgezegd tegen 31 december 2024. De waarborgsom is door [gedaagde] niet terugbetaald.
In het weekend voor de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] alsnog een bedrag van € 1.573,00 aan “resterende waarborgsom” aan [eiser] voldaan. [gedaagde] heeft € 597,70 aan schoonmaakkosten in verband met beschimmelde wanden en balkonvloer, € 1.207,42 aan herstelkosten in verband met beschimmelde wanden en schade stopcontact en € 971,80 aan servicekosten verrekend c.q. op de waarborgsom ingehouden. De verschuldigdheid van de servicekosten is door [eiser] erkend, behoudens de post ‘schatting kosten periode 25-09-2024 – 19-12-2024’ van € 413,93.
De door [gedaagde] gestelde schoonmaak- en herstelkosten zijn door [eiser] gemotiveerd betwist. [eiser] stelt dat hij de woning schoon heeft gehouden en correct heeft opgeleverd. Door [gedaagde] is geen beschrijving van de staat van de woning bij aanvang van de huurovereenkomst overgelegd, zodat niet kan wordt vastgesteld wat toen de staat van de woning was. De door [gedaagde] gestelde oplevergebreken hebben er niet aan in de weg gestaan dat de woning per 1 april 2025 opnieuw door [gedaagde] is verhuurd. Niet is gebleken dat de herstelkosten betrekking hebben op oplevergebreken die aan [eiser] kunnen worden toegeschreven. De betreffende factuur dateert van maanden na het einde van de huurovereenkomst. De schatting van servicekosten is als onvoldoende onderbouwd evenmin toewijsbaar, zodat een bedrag van (€ 971,80 - € 413,93=) € 557,87 resteert.
Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde] van de door [eiser] gevorderde hoofdsom van € 4.234,00 een bedrag van (€ 4.234,00 - € 577,87 = ) € 3.676,13 aan [eiser] moet terugbetalen. Op dit bedrag moet nog de betaling van € 1.573,00 in mindering worden gebracht, waarna resteert € 2.100,13. De vordering van [eiser] zal tot dat bedrag worden toegewezen. De kantonrechter veronderstelt dat deze betaling door [eiser] is ontvangen op 25 juli 2026. De gevorderde wettelijke rente wordt vanaf
15 januari 2025 tot 25 juli 2026 toegewezen over een bedrag van € 3.676,13 en vanaf 25 juli 2026 over een bedrag van € 2.100,13.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 492,61 worden toegewezen.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- griffierecht
€
93,00
- salaris gemachtigde
€
576,00
(2 punten × € 288,00)
- nakosten
€
144,00
Totaal
€
813,00
2. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.100,13, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van
€ 3.676,13, vanaf 15 januari 2025 tot 25 juli 2026, en vanaf 25 juli 2026 over een bedrag van € 2.100,13, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 492,61 aan buitengerechtelijke incassokosten,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 813,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. M.V. Ulrici en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de kantonrechter.