ECLI:NL:RBAMS:2026:8680

ECLI:NL:RBAMS:2026:8680

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 14-08-2026
Datum publicatie 31-08-2026
Zaaknummer C/13/781910
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Wijziging zorgregeling en wijziging alimentatie. Beperktere zorgregeling dan verzocht door de vader vanwege middelpunt van het leven van de minderjarige in [woonplaats 2].

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/785999 / FA RK 26-2786 (provisionele voorziening)

C/13/781910 / FA RK 26-364 (bodemprocedure)

Beschikking van 14 augustus 2026 betreffende geschil gezamenlijke gezagsuitoefening als bedoeld in artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek en wijziging alimentatie

in de zaak van:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

hierna te noemen de vader,

advocaat mr. R.A. Vlielander-Jongerius te Utrecht,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

hierna te noemen de moeder,

advocaat mr. C.C.A. Ouwens te Amsterdam.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,regio Amsterdam,locatie [locatie] ,hierna te noemen: de Raad.

1. De procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

het verzoek van de vader, ingekomen op 16 januari 2026;

het verweerschrift van de moeder, tevens houdende zelfstandig verzoeken en een verzoek voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv, ingekomen op 8 april 2026;

het verweerschrift van de vader op de zelfstandige verzoeken van de moeder, ingekomen op 9 juni 2026;

de brief van 12 juni 2026 van de moeder met bijlagen;

de brief van 16 juni 2026 van de vader met bijlagen.

De mondelinge behandeling achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 juni 2026.

Verschenen zijn:

de vader en zijn advocaat;

de moeder en haar advocaat, ook bijgestaan door mr. B.L.A. Stet;

[naam] namens de Raad.

Na de mondelinge behandeling zijn, zoals afgesproken, nog aanvullende producties van de vader ontvangen.

De minderjarige [minderjarige 1] is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld om haar mening kenbaar te maken. Op 19 juni 2026 heeft zij een gesprek gevoerd met de rechter.

2. De feiten

Partijen zijn gehuwd op [huwelijksdatum] 2014 te [huwelijksplaats] . Hun huwelijk is op 16 januari 2020 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van 18 december 2019 in de registers van de burgerlijke stand.

Uit het huwelijk is geboren:

[minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 2015.

Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit.

Partijen zijn bij convenant tevens ouderschapsplan het volgende – voor zover hierna relevant – overeengekomen:

Artikel 2 Partneralimentatie

De behoefte van de moeder na echtscheiding bedraagt € 2.952 netto per maand. De moeder geniet thans een inkomen ad € 1.000 netto per maand. Partijen komen overeen dat de vader, met ingang van 1 februari 2020, zal bijdragen in het levensonderhoud van de moeder met een bedrag van € 1.709

bruto per maand, welk bedrag bij vooruitbetaling aan haar zal worden voldaan.

De moeder is zich bewust van haar inspanningsverplichting. Zij zal zich

(aantoonbaar) inspannen om in haar eigen levensonderhoud te voorzien.

De vader is de in artikel 2.1 bepaalde alimentatie aan de moeder verschuldigd voor een periode van acht jaren, te rekenen vanaf januari 2020 (per 1 februari 2020).

[…]

Partijen zullen zich op 2 januari 2023 tot een vFAS scheidingsmediator wenden om zich te laten adviseren over de vraag of de partneralimentatie reeds dan kan worden herzien, en zo ja, welke partneralimentatie dan redelijk is (waaronder de vraag of de partneralimentatie mogelijk op nihil kan worden gesteld). Indien en nadat deze mediation niet tot resultaat zal hebben geleid, zullen partijen zich elk tot een eigen advocaat wenden, die het geschilpunt eventueel aan de rechter kan

voorleggen.

De indexering van de partneralimentatie vindt voor het eerst plaats per 1 januari 2021.

[…]

Artikel 4 Zorg en contactregeling

Beide ouders realiseren zich dat de onderstaande zorgregeling een gezamenlijke verantwoordelijkheid is en dat zowel moeder als vader de plicht heeft om het contact met de andere ouder te stimuleren en na te komen.

De ouders zijn de navolgende (basis)zorgregeling overeengekomen, beginnende bij

de even weken:

Maandag

Dinsdag

Woensdag

Donderdag

Vrijdag

Zaterdag

Zondag

Moeder

Moeder

Moeder

Moeder naar school,

Vader uit school/BSO

Vader

Vader

Vader

Vader naar school,

Moeder uit school/BSO

Moeder

Moeder naar school,

Vader uit school om 12:15 uur

Vader

Vader naar school,

Moeder uit school/BSO

Moeder

Moeder

[…]

De ouders zijn voor de vakanties en feestdagen een regeling overeengekomen, zoals omschreven in de aan dit ouderschapsplan gehechte bijlage.

[…]

De ouder bij wie het kind het laatst verbleef, brengt het kind naar de (woon- c.q. verblijfplaats van de) andere ouder, de school of buitenschoolse opvang wanneer er gewisseld moet worden.

[…]

Artikel 6 De verdeling van de kosten van het kind

[…]

Tot 1 februari 2020 betaalt de vader aan de moeder een alimentatie voor het kind van € 596 netto per maand en voldoet hij de kinderopvangkosten voor twee dagen per week, Met ingang van 1 februari 2020 (over te maken voor 1 februari 2020), betaalt de vader aan de moeder een alimentatie voor het kind van € 726 netto per maand bij vooruitbetaling en voldoet de moeder de kinderopvangkosten. Moeder en vader zullen de kinderopvangverzorger gezamenlijk benaderen met het verzoek om de wijziging met betrekking tot de betaling van de opvangkosten door moeder (in plaats van vader) voor (in gezamenlijk overleg te bepalen) ten minste twee dagen per week , in te laten gaan met ingang van 1 februari 2020.

Op grond van de wettelijke indexeringsregeling zoals bepaald in artikel 1:402a BW zal de alimentatie jaarlijks worden geïndexeerd, voor het eerst met ingang van 1 januari 2021, Publicatie van het percentage van de indexering vindt jaarlijks eind december plaats in de landelijke dagbladen en op www.verder-online.nl.

3. Het verzoek, het verweer en het zelfstandig verzoek

C/13/781910 / FA RK 26-364 (bodemprocedure)

De vader verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. het tussen partijen op 11 respectievelijk 12 november 2019 overeengekomen ouderschapsplan en de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 18 december 2019 waar het ouderschapsplan integraal onderdeel van uitmaakt, voor wat betreft de daarin overeengekomen verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te wijzigen en te bepalen dat [minderjarige 1] met ingang van de datum van de in dezen af te geven beschikking conform navolgend schema bij de vader respectievelijk de moeder is:

- [minderjarige 1] is bij de vader in de even weken van maandag na school tot woensdag naar school;

- [minderjarige 1] is bij de moeder in de even weken van woensdag na school tot vrijdag naar school;

- [minderjarige 1] is bij de vader in de even weken van vrijdag na school tot in de oneven week woensdag naar school;

- [minderjarige 1] is bij de moeder in de oneven weken van woensdag na school tot in de even weken maandag naar school;

II. het tussen partijen op 11 respectievelijk 12 november 2019 overeengekomen ouderschapsplan en de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 18 december 2019 waar het ouderschapsplan integraal onderdeel van uitmaakt, voor wat betreft de daarin overeengekomen verdeling van vakanties te wijzigen en te bepalen:

- [minderjarige 1] met ingang van de datum van de in dezen af te geven beschikking conform navolgend schema bij de vader respectievelijk de moeder is, waarbij de vakantie start aan het einde van de laatste schooldag direct voorafgaande aan de relevante vakantie en eindigt direct voorafgaande aan het begin van de eerste schooldag na de relevante vakantie:

- herfstvakantie: volledig bij de moeder;

- kerstvakantie:

- even jaren: bij de moeder;

- oneven jaren: bij de vader;

- krokusvakantie: volledig bij de moeder;

- meivakantie: volledig bij de vader;

- zomervakantie: de eerste drie weken bij de moeder en de tweede drie weken bij de vader waarbij op de zondag voorafgaande aan de vierde week van de zomervakantie de moeder [minderjarige 1] om 10:00 uur bij de vader brengt;

- met uitzondering van de volgende feestdagen, dat er geen aparte feestdagenregeling geldt en dat derhalve wordt aangesloten bij de gewone zorgregeling en vakantieregeling voor de verdeling van de feestdagen:

- verjaardag van de moeder: [minderjarige 1] bij de moeder;

- verjaardag toekomstige kinderen van de moeder: [minderjarige 1] bij de moeder;

- Moederdag: [minderjarige 1] bij de moeder;

- verjaardag vader: [minderjarige 1] bij de vader;

- verjaardag [minderjarige 2] en toekomstige kinderen vader: [minderjarige 1] bij de vader

- Vaderdag: [minderjarige 1] bij de vader

- dat indien [minderjarige 1] op een feestdag bij de andere ouder verblijft, deze ouder haar op die dag om 10:00 uur naar de andere ouder of haalt de andere ouder haar op uit school en de volgende dag brengt de andere ouder haar om 10:00 uur terug naar de andere ouder of naar school.

III. de moeder te veroordelen om, na betekening van de in dezen af te geven beschikking, aan de vader een dwangsom te betalen van € 1.000,- per keer dat zij niet aan de onder I uitgesproken of de door de rechtbank bepaalde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voldoet, tot een maximum van € 50.000,-;

IV. het tussen partijen op 11 respectievelijk 12 november 2019 overeengekomen ouderschapsplan en de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 18 december 2019 waar het ouderschapsplan integraal onderdeel van uitmaakt, voor wat betreft de daarin overeengekomen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] te wijzigen in die zin dat de vader met ingang van 25 september 2025, althans per de datum van indiening van dit verzoekschrift dan wel met ingang van een door uw rechtbank in redelijkheid vast te stellen ingangsdatum een bijdrage van € 527,- per maand verschuldigd is in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] , althans een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht;

V. de moeder te veroordelen tot terugbetaling aan de vader van de aan haar door de vader teveel betaalde kosten in de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] (i) ad € 3.530 + P.M. sinds september 2024 als gevolg van de eenzijdige opzegging door haar van de BSO te vermeerderen met de wettelijke rente en (ii) ad € 2.130 (na aftrek pro rata bedrag onder (i) voor de periode vanaf 25 september 2025 ter voorkoming van dubbeltellingen) +P.M. te vermeerderen met de wettelijke rente sinds 25 september 2025, derhalve in totaal € 5.660 +P.M. te vermeerderen met de wettelijke rente;

VI. het tussen partijen op 11 respectievelijk 12 november 2019 overeengekomen echtscheidingsconvenant en de beschikking van de Rechtbank Amsterdam van 18 december 2019 waar het echtscheidingsconvenant integraal onderdeel van uitmaakt, voor wat betreft de daarin overeengekomen bijdrage in het levensonderhoud van de moeder te wijzigen in die zin dat de vader met ingang van 25 september 2025, althans per de datum van indiening van dit verzoekschrift dan wel met ingang van een door de echtbank in redelijkheid vast te stellen ingangsdatum een bijdrage van € 1.287,- bruto per maand verschuldigd is in de kosten van het levensonderhoud van de moeder, althans een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht;

VII. de moeder te veroordelen tot terugbetaling aan de vader van de aan haar door de vader teveel betaalde bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de moeder ad € 7.875 +P.M. te vermeerderen met de wettelijke rente sinds 25 september 2025.

De moeder verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vader niet ontvankelijk te verklaren, althans zijn verzoeken af te wijzen. De moeder verzoekt verder, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. te bepalen dat een zorgregeling wordt vastgelegd waarbij de vader [minderjarige 1] eenmaal per twee weken op vrijdag uit school ophaalt en haar op maandag naar school toe brengt en [minderjarige 1] de overige tijd bij de moeder verblijft;

II. de volgende regeling voor de verdeling van vakanties te bepalen, waarbij de vakanties starten op vrijdag uit school (of donderdag in het geval van een studiedag op vrijdag) en eindigen op maandag naar school:

- zomervakantie:

- oneven jaren: bij de vader de eerste drie weken en bij de moeder de laatste drie weken;

- even jaren: bij de moeder de eerste drie weken en bij de vader de laatste drie weken;

- wisselmoment: maandagochtend 10:00 uur waarbij de ouder bij wie [minderjarige 1] is verbleven haar brengt naar de ouder waar zij zal verblijven;

- herfstvakantie:

- oneven jaren: bij de vader;

- even jaren: bij de moeder;

- kerstvakantie:

- oneven jaren: bij de moeder de eerste week (Kerst bij de moeder) en bij de vader de tweede week (oud en nieuw bij de vader);

- even jaren: bij de vader de eerste week (Kerst bij de vader) en bij de moeder de tweede week (oud en nieuw bij de moeder);

- wisselmoment: maandagochtend 10:00 uur waarbij de ouder bij wie [minderjarige 1] is verbleven haar brengt naar de ouder waar zij zal verblijven;

- krokusvakantie:

- oneven jaren: bij de moeder;

- even jaren: bij de vader;

- meivakantie:

- oneven jaren: bij de moeder de eerste week en bij de vader de tweede week;

- even jaren: bij de vader de eerste week en bij de moeder de tweede week;

- wisselmoment: maandagochtend 10:00 uur waarbij de ouder bij wie [minderjarige 1] is verbleven haar brengt naar de ouder waar zij zal verblijven;

III. ten aanzien van de feest- en bijzondere dagen te bepalen dat de reguliere zorgregeling (dan wel vakantieverdeling) wordt gehanteerd en geen afwijkende verdeling geldt;

IV. te bepalen dat de vader € 1.000,- per keer dient te voldoen dat hij zich niet aan de door de moeder verzochte, dan wel door de rechtbank te bepalen, zorgregeling voldoet, met daarbij een maximum van € 50.000,-, dan wel een bedrag door de rechtbank in goede justitie te bepalen;

V. te bepalen dat de vader de verplichting wordt opgelegd om [minderjarige 1] te brengen/halen van/naar de hockeytrainingen, wedstrijden en sociale activiteiten van haar team in dan wel buiten [plaats] op de dagen dat [minderjarige 1] bij hem verblijft;

VI. te bepalen dat de vader met terugwerkende kracht kinderalimentatie aan de moeder dient te voldoen ter hoogte van € 1.145,- per maand voor de periode september 2024 tot januari 2025, dan wel een bedrag door de rechtbank in goede justitie te bepalen;

VII. te bepalen dat de vader met terugwerkende kracht een bedrag aan kinderalimentatie aan de moeder dient te voldoen ter hoogte van € 1.333,- per maand voor de periode januari 2025 tot juni 2025, dan wel een bedrag door de rechtbank in goede justitie te bepalen;

VIII. te bepalen dat de vader met terugwerkende kracht een bedrag aan kinderalimentatie aan de moeder dient te voldoen ter hoogte van € 1.149,- per maand voor de periode juni 2025 tot januari 2026, dan wel een bedrag door de rechtbank in goede justitie te bepalen;

IX. te bepalen dat de vader bedrag aan kinderalimentatie aan de moeder dient te voldoen ter hoogte van € 1.196,- per maand vanaf 1 januari 2026, hetgeen de vader bij vooruitbetaling dient te voldoen, dan wel een bedrag door de rechtbank in goede justitie te bepalen;

X. te bepalen dat, indien de vader nalaat om de door uw rechtbank vast te stellen kinderalimentatie iedere maand bij vooruitbetaling te voldoen, de vader een dwangsom ter hoogte van € 1.000,- per dag dient te voldoen tot de dag waarop hij de verplichte alimentatie aan de moeder overmaakt, met een maximum van € 50.000,-, dan wel een bedrag (en maximum) door de rechtbank in goede justitie te bepalen;

XI. te bepalen dat de vader dient bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de moeder met een bijdrage ad € 3.563,- bruto per maand, dan wel een bedrag door de rechtbank in goede justitie te bepalen, met ingang van 1 januari 2026, dan wel een eventueel nog andere ingangsdatum, waarbij de vader dit bij vooruitbetaling dient te voldoen;

XII. te bepalen dat, indien de vader nalaat om de door de rechtbank vast te stellen partneralimentatie iedere maand bij vooruitbetaling te voldoen, de vader een dwangsom ter hoogte van € 1.000,- per dag dient te voldoen tot de dag waarop hij de verplichte alimentatie aan de moeder overmaakt, met een maximum van € 50.000,-, dan wel een bedrag (en maximum) door de rechtbank in goede justitie te bepalen;

XIII. te bepalen dat de vader binnen 5 werkdagen na het geven van de beschikking het benodigde formulier voor verlenging van het paspoort van [minderjarige 1] dient in te vullen en te ondertekenen bij een notaris, waarvoor de moeder € 85,- voldoet en de vader het meerdere, waarna dit - met een kopie van een geldig legitimatiebewijs van de vader - aan de moeder wordt verstrekt en hier een dwangsom aan te verbinden ter hoogte van € 1.000,- voor iedere dag dat de vader zijn medewerking hier niet aan verleent, met een maximum van € 50.000,-, alsmede te bepalen dat de toestemming van de rechtbank in de plaats treedt voor de toestemming van de vader;

XIV. te bepalen dat de vader wordt veroordeeld tot het voldoen van de werkelijke proceskosten aan de moeder (nader in het geding te brengen), te vermeerderen met de kosten die de moeder in de onderhavige procedure nog dient te voldoen, waaronder kosten in verband met de mondelinge behandeling.

C/13/785999 / FA RK 26-2786 (provisionele voorziening)

De moeder verzoekt bij wege van voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv te bepalen dat de vader de verplichting wordt opgelegd om [minderjarige 1] te brengen/halen van/naar de hockeytrainingen, wedstrijden en sociale activiteiten van haar team in dan wel buiten [plaats] op de dagen dat [minderjarige 1] bij hem verblijft.

4. De beoordeling

C/13/781910 / FA RK 26-364 (bodemprocedure)

Verdeling van zorg- en opvoedtaken

Wettelijk kader

Op grond van artikel 1:377e van het Burgerlijk Wetboek (BW) gelezen in samenhang met artikel 1:253a BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een door de ouders onderling getroffen verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wijzigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden, [minderjarige 1] heeft een zusje gekregen en de vader is verhuisd van [woonplaats 2] naar [woonplaats 1] . Bovendien wordt er geen uitvoering meer gegeven aan de oorspronkelijke regeling zoals overeengekomen in het ouderschapsplan. Dit maakt dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden die een herbeoordeling van de omgangsregeling rechtvaardigt.

Inhoudelijke beoordeling

De vader stelt het volgende. Partijen zijn in november 2019 een ouderschapsplan overeengekomen waarin zij een zorgregeling hebben opgenomen. Deze zorgregeling is nadien in maart 2020 in onderling overleg gewijzigd, naar een co-ouderschapsregeling (week-op-week-af).

Op een gegeven moment is het contact tussen de vader en de moeder verslechterd. Volgens de vader schond de moeder de afspraken uit het ouderschapsplan, wijzigde de moeder op eigen initiatief de zorgmomenten, onthield de moeder de vader informatie, werd de communicatie tussen de vader en [minderjarige 1] belemmerd en werd de partner van de vader negatief neergezet door de moeder. Daarnaast heeft de moeder de buitenschoolse opvang (BSO) zonder overleg met de vader gewijzigd en werden sport- en hobbyactiviteiten zonder overleg me de vader door de moeder opgezegd of gefrustreerd. De onregelmatigheden bij de uitvoering van de zorgregeling hebben zich lange tijd voortgezet. Als gevolg van deze vele onregelmatigheden bij de uitvoering van de zorgregeling, het feit dat dit door de opzegging van een dag BSO door de moeder niet meer uitvoerbaar was i.c.m. het werk van de vader en de destijds geldende week-op-week-af regeling, heeft de vader zich eind 2024 genoodzaakt gevoeld ter vermindering van de druk op zijn gezin een weekendregeling voor te stellen. In januari 2025 liepen de spanningen tussen partijen hoog op. Als gevolg van het inschakelen door de moeder van het LBIO. Ook in deze periode zette de aanhoudende onregelmatigheden bij de uitvoer van de zorgregeling zich voort. De bedoeling van de vader was destijds de zorgregeling in het belang van [minderjarige 1] kortdurend on hold te zetten, om haar te beschermen tegen conflictdruk. Op 27 februari 2025 is door de vader voorgesteld de zorgregeling te hervatten per 21 maart 2025. Op dit voorstel is pas een reactie gekomen op 13 juni 2025. Door het handelen van de moeder is er meer dan 7 maanden geen contact tussen de vader en [minderjarige 1] geweest. Er heeft nadien slechts één ontmoeting plaatsgevonden en [minderjarige 1] is tien dagen van de zomervakantie in augustus bij de vader verbleven. In de periode vanaf 21 maart 2025 hebben zich ook weer verschillende incidenten voorgedaan. In augustus 2025 zijn partijen een weekendregeling overeengekomen. [minderjarige 1] verblijft om het weekend vanaf vrijdag uit school tot maandag naar school bij de vader. De vakanties en feestdagen zijn 50/50 verdeeld. In oktober 2025 heeft de vader een 2-2-5-5 regeling voorgesteld. Ondanks de duidelijke zorgregeling blijven de incidenten voortduren. De vader ervaart dat de moeder de vaderrol tot een minimum beperkt door het contact te belemmeren en hem niet te betrekken bij zaken waarin hij als gezaghebbend ouder betrokken dient te worden. De moeder belemmert het contact tussen de vader en [minderjarige 1] en creëert en onderhoudt een negatief beeld van de vader in de directe leefomgeving van [minderjarige 1] .

Uitgangspunt is dat [minderjarige 1] recht heeft op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door

haar ouders. De vader verzoekt de rechtbank de zorgregeling te wijzigen en uit te breiden

naar een co-ouderschap conform een zogenaamde 2-2-5-5 regeling met een 50/50 verdeling van de vakanties. Deze regeling is praktisch goed uitvoerbaar en voor de moeder biedt dit gelegenheid om fulltime te gaan werken. Deze wijziging is in het belang van [minderjarige 1] , omdat [minderjarige 1] op dit moment niet in staat wordt gesteld om een band op te bouwen met de vader, haar stiefmoeder en haar zusje. Als de vader evenveel zorgtaken krijgt, zal [minderjarige 1] ook minder belast worden door de moeder. [minderjarige 1] komt bij de vader terecht in een prettige woonomgeving waar zij reeds geworteld is. De regeling heeft geen negatieve impact op school, sport of sociale omgeving. Tot slot is het niet langer noodzakelijk dat

[minderjarige 1] naar de BSO gaat op de dinsdagen aangezien de vader dan de zorg heeft voor haar.

De BSO kan derhalve komen te vervallen.

De vader voelt zich genoodzaakt om een dwangsom te verbinden aan de nakoming van de zorgregeling, omdat de praktijk heeft uitgewezen dat de moeder zich regelmatig niet aan de overeengekomen zorgregeling houdt.

De moeder voert aan dat er geen sprake is van een situatie waarbij de moeder het ouderschapsplan schendt, zorgmomenten onrechtmatig wijzigt, informatie onthoudt of hem zou misleiden, de communicatie belemmert of zich negatief uitlaat over de nieuwe partner van de vader. Het is juist de vader die zich onmogelijk opstelt. Hij heeft vanaf september 2024 de zorgregeling meerdere keren eenzijdig gewijzigd, waarbij hij in januari 2025 na ontvangst van een brief van het LBIO, heeft aangegeven dat [minderjarige 1] voor onbepaalde tijd niet meer welkom was bij hem. Dit heeft tot gevolg gehad dat [minderjarige 1] haar vader langere tijd niet heeft gezien en de situatie onder nog meer spanning is komen te staan.

De vader is zonder enig overleg vanuit [woonplaats 2] naar [woonplaats 1] verhuisd met alle gevolgen van dien. De vader weigert [minderjarige 1] mee te laten doen aan hockey en heeft dit tot aan het bestuur geëscaleerd. Ook bij de BSO heeft hij klachten ingediend. Deze houding van de vader en de verzochte zorgregeling zijn niet in het belang van [minderjarige 1] . De door de vader verzochte regeling is gelet op de zeer gespannen situatie geheel niet in het belang van [minderjarige 1] , maar ook gelet op de afstand ( [woonplaats 1] en [woonplaats 2] ) en het drukke werkleven van de vader totaal niet uitvoerbaar. De vader presenteert zichzelf als het slachtoffer. Hij is zichzelf volledig verloren in de strijd en heeft geen enkel realiteitsbesef met betrekking tot de belangen van [minderjarige 1] . De moeder maakt zich hier erg veel zorgen over. [minderjarige 1] heeft last van de verwarring en onzekerheid ten gevolge van de gedragingen van de vader. Ze heeft behoefte aan rust en stabiliteit.

De onderlinge verstandhouding tussen de partijen is ernstig verstoord. Dit vormt geen basis voor de uitvoering van een 50/50 zorgregeling, waarbij het gevaar dreigt dat [minderjarige 1] tussen de ouders in komt te staan. De moeder wil dit te allen tijde voor [minderjarige 1] voorkomen. De vader belast [minderjarige 1] veelal met zaken waar zij zich niet mee bezig moet houden waardoor [minderjarige 1] met vragen en beloftes achterblijft. Ook de overdracht verloopt gespannen. De moeder is de hoofdverzorgende ouder van [minderjarige 1] en zorgt voor een rustige, veilige en stabiele thuisbasis voor [minderjarige 1] . Juist dat is wat [minderjarige 1] nodig heeft, zeker na een periode met veel onrust en onzekerheid over het contact met de vader. Daarnaast impliceert een gelijkwaardige verzorging en opvoeding niet per definitie een 50/50 regeling. Bij de huidige weekendregeling kan de vader alle vrije tijd met [minderjarige 1] doorbrengen, blijft de vader betrokken bij de school van [minderjarige 1] aangezien hij haar om de week op vrijdag ophaalt en op maandag terugbrengt en kan hij betrokken bij de sportactiviteiten van [minderjarige 1] op de hockeyclub (als hij haar deelname mogelijk zou maken in deze weekenden). Ook kan [minderjarige 1] in deze weekenden kwalitatieve tijd besteden met het gezin van de vader, zonder dat zij gedurende deze tijd naar school moet. Daarbij is de afstand tussen het hoofdverblijf van [minderjarige 1] , haar school en hockeyvereniging te groot, zeker gelet op de zeer beperkte beschikbaarheid van de vader, om de door de vader voorgestelde regeling adequaat te kunnen uitvoeren, zonder dat allerhande kunstgrepen moeten worden aangewend. De moeder is beschikbaar, en de afgelopen anderhalf jaar is gebleken dat een weekendregeling rust en regelmaat biedt, iets waar [minderjarige 1] grote behoefte aan heeft.

Ten aanzien van de dwangsom voert de moeder aan dat het juist de vader is die eenzijdig besluit om de zorgregeling te wijzigen. Zij acht het om die reden van groot belang dat bij het bepalen van een zorgregeling aan de zijde van de vader een dwangsom wordt gekoppeld.

De Raad heeft tijdens de mondelinge behandeling geadviseerd om, gelet op de leeftijd van [minderjarige 1] , geen grote veranderingen door te voeren in haar leven. Ze heeft op dit moment te maken met grote ontwikkeltaken op emotioneel gebied, zelfstandigheid, vriendschappen, seksualiteit en waarde vorming. [minderjarige 1] gaat steeds meer haar eigen leven leiden. Ze heeft daarvoor een veilige basis, voorspelbaarheid en ruimte nodig.

Als de Raad kijkt naar de beslissingen die de vader neemt, lijkt hij zijn eigen wensen boven die van [minderjarige 1] te plaatsen. Door eenzijdig de zorgregeling stop te zetten, zonder uitleg aan [minderjarige 1] te geven, kan dit bij [minderjarige 1] voor een gevoel van onveiligheid en afwijzing zorgen. Dat baart de Raad zorgen. De Raad is er niet van overtuigd dat de vader voldoende instaat is [minderjarige 1] te begeleiden bij haar grote ontwikkeltaken. De Raad vindt een 50/50 regeling in dit geval niet passend bij de leeftijdsfase van [minderjarige 1] . De Raad adviseert om naast de weekendregeling te bepalen dat [minderjarige 1] door de weeks iets leuks gaat doen met de vader. Desgevraagd heeft de Raad aangegeven geen bezwaar te zien tegen het uitbreiden van de weekendregeling met een dag. De Raad ziet evenwel niet in hoe het drastisch wijzigen van haar leven, in haar belang is.

De rechtbank heeft een vrolijk meisje gezien dat veel van haar beide ouders houdt. Zij geeft haar leven op dit moment een negen. Gelet op hetgeen zich in de afgelopen jaren in het leven van [minderjarige 1] heeft afgespeeld, acht de rechtbank het bewonderenswaardig hoe positief [minderjarige 1] in het leven staat. De rechtbank acht het van groot belang dat het ook goed blijft gaan met [minderjarige 1] .

Een 50/50 regeling, zoals verzocht door de vader, zou een grote verandering zijn ten opzichte van de huidige weekendregeling. Het leven van [minderjarige 1] speelt zich op dit moment voornamelijk af in [woonplaats 2] . [minderjarige 1] gaat in [woonplaats 2] naar school, hockeyt in [plaats] en de meeste vriendinnetjes van haar wonen in [woonplaats 2] . In de door de vader voorgestelde zorgregeling zou [minderjarige 1] doordeweeks, als zij bij de vader in [woonplaats 1] is, gebracht moeten worden naar school en ook weer met de auto moeten worden opgehaald. Hierdoor kan [minderjarige 1] niet zelfstandig naar school en is de reistijd naar school (in de file) lang. Los van het feit dat dit belastend voor [minderjarige 1] lijkt te zijn, lijkt dit ook niet in lijn te zijn met de ontwikkeltaken waar [minderjarige 1] zich op dit moment mee bezig dient te houden. Zij dient haar weg naar zelfstandigheid te vinden.

Daarnaast is de vader ook niet volledig beschikbaar voor [minderjarige 1] tijdens de door hem gewenste zorgmomenten. De vader werkt vijf dagen in de week in [woonplaats 2] . De rechtbank vraagt zich af hoe de vader de uitvoering van de door hem voorgestelde zorgreling voor zich ziet. De vader heeft desgevraagd aangegeven als [minderjarige 1] klaar is met school, zij naar zijn kantoor kan komen om daar huiswerk te maken. Ook kan hij [minderjarige 1] mee naar [woonplaats 1] nemen of naar de hockey brengen en daar verder werken achter zijn laptop. De rechtbank vraagt zich af of de tijd die [minderjarige 1] in dat geval zal doorbrengen met de vader zal bijdragen aan een positieve ontwikkeling van de band tussen de vader en [minderjarige 1] .

Hoewel de rechtbank de wens van de vader om meer tijd met zijn dochter en zijn gezin door te brengen goed kan begrijpen, vraagt de rechtbank zich af of de vader hier de belangen van [minderjarige 1] wel voldoende voor ogen heeft. Het is de keuze van de vader geweest om naar [woonplaats 1] te verhuizen. Naar het oordeel van de rechtbank dienen de consequenties van deze keuze niet op [minderjarige 1] te worden afgewenteld. De rechtbank acht de antwoorden van de vader op de vraag op welke wijze hij de doordeweekse zorg voor [minderjarige 1] op zich wenst te nemen onvoldoende. De rechtbank acht het niet passend om een meisje van elf jaar oud in een groot kantoorgebouw op te vangen. Ook ziet de rechtbank niet in op welke wijze het in het belang van [minderjarige 1] is dat zij door de vader door de weeks in de middag mee naar [woonplaats 1] wordt genomen terwijl haar zusje op de kinderopvang verblijft en de vader en zijn partner aan het werk zijn.

De rechtbank heeft evenwel ook oog voor het feit dat de vader en [minderjarige 1] elkaar op dit moment slechts om het weekend zien en beide aangeven meer tijd met elkaar door te willen brengen. Een uitbreiding van de zorgregeling zou in zoverre passend zijn. De door de vader voorgestane uitbreiding acht de rechtbank evenwel niet in het belang van [minderjarige 1] . De rechtbank ziet wel ruimte om de huidige regeling uit breiden met een dag, zodat [minderjarige 1] en de vader samen kunnen ervaren hoe deze tijd samen bevalt en met elkaar te gaan onderzoeken hoe invulling kan worden geven aan deze doordeweekse zorgtijd van de vader. De rechtbank gaat er hierbij vanuit dat de vader [minderjarige 1] in dat geval naar hockeytraining zal brengen op maandag, zoals toegezegd tijdens de mondelinge behandeling. Voor [minderjarige 1] is deze hockeytraining heel belangrijk. Het is dan ook aan de vader om te laten zien dat hij inderdaad in staat is om op een passende invulling te geven aan deze zorgtijd. De rechtbank zal daarom bepalen dat [minderjarige 1] om de week van vrijdag uit school tot dinsdag naar school bij de vader verblijft. De rechtbank gaat er vanuit dat zo lang [minderjarige 1] nog naar de basisschool gaat, de vader [minderjarige 1] ophaalt van school en [minderjarige 1] niet alleen naar zijn kantoor hoeft te komen. Zodra [minderjarige 1] naar de middelbare school gaat zullen hier in onderling overleg afspraken over gemaakt moeten worden. Als deze regeling in de praktijk goed verloopt, is een uitbreiding van de zorgregeling op termijn mogelijk. Als de regeling niet goed verloopt, is het aan de vader om hier eerlijk over te zijn en samen met de moeder te kijken wat wel werkbaar zou zijn.

Ten aanzien van het verzoek van de moeder om te bepalen dat de vader de verplichting wordt opgelegd om [minderjarige 1] te brengen dan wel te halen van en naar de hockeytrainingen, wedstrijden en sociale activiteiten van haar team op de dagen dat [minderjarige 1] bij hem verblijft, merkt de rechtbank op dat door de vader is toegezegd tijdens de mondelinge behandeling dat als de training op een maandag zal vallen, hij [minderjarige 1] naar de hockey zal brengen. De rechtbank gaat ervan uit dat de vader zijn toezegging na zal komen. Voor de overige activiteiten in de weekenden is het aan de vader zelf om zijn tijd met [minderjarige 1] in te delen. De rechtbank wijst daarom het verzoek van de moeder af.

Ten slotte overweegt de rechtbank ten aanzien van de vakantie- en feestdagenregeling het volgende. De vader verzoekt een regeling waarbij rekening wordt gehouden met het werk van zijn partner – zij moet tijdens de herfst- en krokusvakantie werken waardoor het gezin niet op vakantie kan – en er zo min mogelijk wisselingen zijn. Hij verzoekt ook te bepalen dat geen aparte feestdagenregeling geldt met uitzondering van de verjaardagen en Moeder- en Vaderdag. De moeder voert verweer en verzoekt ook een verdeling van vakanties en feestdagen. De moeder wil met [minderjarige 1] op vakantie kunnen in de meivakantie en wil de helft van de kerstvakantie met [minderjarige 1] doorbrengen. Het werk van de partner van de vader kan hier niet aan in de weg staan. Ook wenst de moeder dat er geen een uitzondering wordt gemaakt voor de verjaardagen en Moeder- en Vaderdag. Feestjes kunnen ook op een andere dag gevierd worden. Dit is passend gezien de leeftijd van [minderjarige 1] en de rust die zij nodig heeft.

De rechtbank wijst het verzoek van de vader ten aanzien van de vakanties en feestdagen toe. Gelet op de reguliere zorgregeling, is het van belang dat [minderjarige 1] voldoende tijd met de vader doorbrengt tijdens de vakanties en feestdagen en dat er ook de mogelijkheid bestaat om op vakantie te gaan. Daarnaast is het in het belang van [minderjarige 1] als er zo min mogelijk overdrachtsmomenten plaatsvinden, gelet op de verstandhouding tussen partijen.

De rechtbank ziet geen aanleiding tot het opleggen van een dwangsom en wijst de verzoeken van partijen hiertoe af. Partijen hebben over en weer aangevoerd dat de ander zich niet heeft gehouden aan de zorgregeling. Nu de rechtbank een nieuwe zorgregeling zal bepalen en er voldoende duidelijkheid is over wanneer [minderjarige 1] bij welke ouder is, gaat de rechtbank er vanuit dat partijen zich hieraan zullen houden.

Kinderalimentatie

Ontvankelijkheid

De rechtbank kan de kinderalimentatie opnieuw berekenen als de omstandigheden zijn gewijzigd. Nu beide partijen aan hun verzoeken ten grondslag hebben gelegd dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden, zijn zij ontvankelijk in hun verzoeken.

De rechtbank legt hieronder haar beslissing uit. De berekeningen die de rechtbank heeft gemaakt, zijn als bijlagen aan deze beschikking toegevoegd. Bij de berekeningen rondt de rechtbank af op hele euro’s.

Ingangsdatum

Voordat de rechtbank kan gaan rekenen, moet zij weten welke gegevens en belastingtarieven zij moet gebruiken bij die berekening. Daarom moet de rechtbank eerst beslissen vanaf welk moment de nieuwe kinderalimentatie gaat gelden.

De wet geeft de rechtbank grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de nieuwe alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn gewijzigd, de datum van het verzoekschrift en de datum waarop de rechtbank beslist. De rechtbank kan dus een bijdrage vaststellen of wijzigen over een periode in het verleden, maar moet daar terughoudend mee omgaan omdat dit grote gevolgen voor de ouders kan hebben.

De rechtbank hanteert als ingangsdatum de datum van indiening van het verzoekschrift van de vader, 1 januari 2026. De rechtbank zal dus niet – zoals door de vader verzocht – de bijdrage wijzigen met ingang van 25 september 2025. De moeder is op die dag weliswaar door de advocaat van de vader aangeschreven, maar daarbij slechts gewezen op de omstandigheid dat de door de vader te betalen kinderalimentatie dient te worden gewijzigd wanneer de zorgregeling zou worden aangepast. De rechtbank zal evenmin – zoals door de moeder verzocht – de bijdrage wijzingen met ingang van september 2024. Naar het oordeel van de rechtbank konden beide partijen vanaf het indienen van het verzoekschrift door vader er rekening mee houden dat de door vader te betalen kinderalimentatie zou worden gewijzigd.

Perioden

De rechtbank ziet aanleiding om bij het berekenen van de kinderalimentatie rekening te houden met twee verschillende perioden.

De eerste periode vangt aan op 1 januari 2026, de datum van indiening van het verzoekschrift door de vader.

De tweede periode vangt aan op 1 september 2026, omdat de rechtbank vanaf dat moment rekening houdt met een aanvullende verdiencapaciteit aan de zijde van de moeder.

Periode 1: 1 januari 2026 tot 31 augustus 2026

De behoeftes van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]

Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dat wordt de ‘behoefte’ van het kind genoemd. De hoogte van de behoefte hangt af van de hoogte van het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI). Hoe meer ouders te besteden hebben, hoe meer zij kunnen uitgeven aan hun kind. De rechtbank moet daarom eerst vaststellen wat de ouders te besteden hadden toen zij nog bij elkaar waren.

De vader en zijn nieuwe partner zijn ouders geworden van hun dochter [minderjarige 2] op [geboortedatum 2] 2024. Dit betekent dat de vader zowel voor [minderjarige 1] als [minderjarige 2] draagplichtig is en dat zijn draagkracht moet worden verdeeld over beide kinderen.

De behoefte van [minderjarige 1]

Partijen zijn het eens dat de behoefte van [minderjarige 1] in 2018 – toen partijen uit elkaar gingen – € 960,- bedroeg. Gecorrigeerd in verband met de inflatie (geïndexeerd) is dat in 2026 € 1.289,- per maand. Tussen partijen lijkt niet in geschil te zijn dat deze behoefte van [minderjarige 1] moet worden verhoogd met de netto BSO kosten ter hoogte van € 117,- per maand, zolang [minderjarige 1] naar de BSO gaat. De totale behoefte van [minderjarige 1] bedraagt voor onderhavige periode € 1.406,- per maand.

De behoefte van [minderjarige 2]

Verder zijn partijen het ook eens dat de behoefte van [minderjarige 2] volgens de daarvoor geldende Nibud-tabel € 985,- bedraagt in 2026.

Tussen partijen is in geschil of de behoefte van [minderjarige 2] verhoogd moet worden met de netto kinderopvangkosten. Volgens de vader dient de behoefte van [minderjarige 2] verhoogd te worden met de netto kinderopvangkosten. De moeder voert verweer en voert aan dat de kosten uitzonderlijk hoog zijn en dat hier geen rekening mee dient te worden gehouden gelet op het riante netto gezinsinkomen aan de zijde van de vader en zijn nieuwe partner.

De rechtbank zal, net als bij [minderjarige 1] , de behoefte verhogen met de netto kinderopvangkosten, te weten € 1.790,- per maand, om de reden dat deze kosten zo hoog zijn dat deze niet gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten. Deze kosten kunnen niet (volledig) worden betaald uit het tabelbedrag en drukken daarmee daadwerkelijk op het gezinsinkomen.

Concluderend, in onderhavige periode bedraagt de behoefte van [minderjarige 1] € 1.406,- per maand en de behoefte van [minderjarige 2] € 2.775,-.

De draagkracht van de ouders

Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. Volgens de wet moeten de ouders namelijk naar draagkracht in de behoefte van het kind voorzien.

Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. Het netto besteedbaar inkomen van een ouder is daarbij het uitgangspunt. Vervolgens bekijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van de kinderen.

Bij een netto besteedbaar inkomen vanaf € 2.200,- per maand in 2026 maakt de rechtbank daarvoor gebruik van de zogenoemde ‘draagkrachtformule’. In die formule wordt uitgegaan van een woonbudget van 30% van het netto besteedbaar inkomen per maand. De ouders worden geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij hun inkomen te kunnen voldoen. Daarnaast wordt rekening gehouden met een forfaitair (vaststaand) bedrag voor redelijke kosten van levensonderhoud, dat ieder jaar wordt bijgesteld. In 2026 is dat een bedrag van € 1.365,- per maand. Deze twee posten vormen samen het ‘draagkrachtloos inkomen’. Na aftrek van die posten van het netto besteedbaar inkomen blijft dan de ‘draagkrachtruimte’ over. Daarvan is 70% beschikbaar voor kinderalimentatie. De berekening van de draagkracht ziet er dan als volgt uit: 70% van [NBI -(0,3 x NBI + 1.365)].

De draagkracht van de vader

De draagkracht van de vader berekent de rechtbank voor deze periode op € 9.272,- per maand.

Voor het inkomen gaat de rechtbank uit van de aangiften inkomsten belasting 2025, omdat er nog geen inkomensgegevens van de vader in 2026 bekend zijn. Uit de aangifte inkomstenbelasting 2025 blijkt dat de vader een winst uit onderneming ter hoogte van € 441.225,- ontving. Ook volgt uit de aangifte inkomstenbelasting dat hij belastingplichtig is in verschillende landen. De rechtbank kan niet nagaan wat de belastingdruk is in deze verschillende landen. De rechtbank heeft daarom uitgerekend wat de belastingdruk hier in Nederland zou bedragen. Dit wijkt niet veel af van het standpunt van de man. Daarom rekent de rechtbank met een winst uit onderneming ter hoogte van € 441.225,-. Verder wordt rekening gehouden met de zelfstandigenaftrek en de MKB Winstvrijstelling. Er wordt geen rekening gehouden met een kindgebonden budget, nu de vader en zijn nieuwe partner dit niet ontvangen.

Volgens de hiervoor vermelde draagkrachtformule heeft de vader een draagkracht van € 9.272,- per maand.

De draagkracht van de moeder

De draagkracht van de moeder berekent de rechtbank voor deze periode op € 223,- per maand.

Voor het inkomen van de moeder gaat de rechtbank uit van de jaaropgaaf van 2025 waarop een belastbaar loon van € 22.860,- is vermeld. Verder wordt rekening gehouden met een kindgebonden budget en de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Het netto besteedbaar inkomen is dan € 2.405,- per maand.

Volgens de hiervoor vermelde draagkrachtformule geldend in 2026 heeft de moeder een draagkracht van € 223,- per maand.

De draagkracht van de nieuwe partner

Tussen partijen is niet in geschil dat de draagkracht van de nieuwe partner € 651,- per maand bedraagt.

De verdeling van de kosten

Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kinderen, dan moet de rechtbank berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.

De ouders en de nieuwe partner van de vader hebben samen een draagkracht van € 10.146,- per maand. Dit is genoeg om alle kosten van de kinderen te betalen, want die zijn € 4.181,- per maand. Gelet hierop zal de rechtbank een draagkrachtvergelijking maken tussen de onderhoudsplichtigen.

De vader is onderhoudsplichtig voor beide kinderen. De draagkracht van de vader wordt door de rechtbank verdeeld naar rato van behoefte, zoals door partijen ook is gedaan. Dit ziet er als volgt uit:

[minderjarige 1] = 1.406 / 4.181 x 9.272 = € 3.118,-

[minderjarige 2] = 2.775 / 4.181 x 9.272 = € 6.154,-

De rechtbank vergelijkt de draagkracht van de vader met de draagkracht van de nieuwe partner ten aanzien van [minderjarige 2] . Dit betekent dat de vader een deel van (6.154 / 6.805 x 2.775 =) € 2.510,- per maand moet dragen en de nieuwe partner een deel van (651 / 6.805 x 2.775 = ) € 265,- per maand. Dit betekent dat de vader van zijn draagkracht een bedrag van (6.154 – 2.510) = € 3.644,- niet benut. Het bedrag dat de vader niet benut ten behoeve van [minderjarige 2] , hevelt de rechtbank over naar [minderjarige 1] . Dit betekent dat de totale beschikbare draagkracht van de vader voor [minderjarige 1] (3.118 + 3.644 =) € 6.762,- bedraagt.

De rechtbank vergelijkt nu de draagkracht van de vader met de draagkracht van de moeder ten aanzien van [minderjarige 1] . Dit betekent dat de vader een deel van (6.762 / 6.985 x 1.406 =) € 1.361,- per maand moet dragen en de moeder een deel van (223 / 6.985 x 1.406 =) € 45,- per maand.

De zorgkorting

Ook in deze periode past de rechtbank een zorgkorting toe van 25% van de ‘kale’ behoefte (minus de BSO kosten), te weten € 322,- per maand, gelet op de weekendregeling die toen gold. Dat betekent dat de vader een bedrag van (1.361 -/- 322 =) € 1.039,- per maand moet betalen.

Periode 2: vanaf 1 september 2026

De behoeftes van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]

In deze periode zijn de behoeftes van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hetzelfde als in periode 1. De behoefte van [minderjarige 1] bedraagt dus € 1.406,- per maand en de behoefte van [minderjarige 2] bedraagt € 2.775,- per maand.

De draagkracht van de ouders

De draagkracht van de vader en de nieuwe partner

De draagkracht van de vader en de nieuwe partner zijn in deze periode hetzelfde als in periode1. De draagkracht van de vader bedraagt € 9.272,- per maand en de draagkracht van de nieuwe partner bedraagt € 651,- per maand.

De draagkracht van de moeder

De draagkracht van de moeder berekent de rechtbank voor deze periode op € 532,- per maand.

De moeder werkt op dit moment drie dagen per week. De vader stelt dat de rechtbank dient uit te gaan van een aanvullende verdiencapaciteit. Volgens de vader kan de moeder fulltime gaan werken en kan zij gelet op haar ervaring en provisie een inkomen van € 45.000,- per jaar genereren.

De moeder voert verweer en voert aan dat zij al lange tijd niet in staat is om meer dan drie dagen per week te werken. Dit geldt ook voor de komende jaren. Juist nu groep 8 een belangrijk jaar is en [minderjarige 1] daarna naar de middelbare school gaat, heeft zij haar moeder ontzettend hard nodig om haar op te vangen en te begeleiden. Mede gelet op de wisselingen in de zorgregeling die in het verleden hebben plaatsgevonden. Ook put de strijd die de vader voert de moeder uit. Verder kan de vader de zorgregeling van de een op de andere dag wijzigen. De moeder heeft hierdoor in de afgelopen twee jaar herhaaldelijk noodgedwongen de volledige zorg voor [minderjarige 1] op zich genomen. Met dit onvoorspelbare gedrag kan de vader niet verwachten dat de moeder fulltime gaat werken.

De rechtbank zal voor de berekening van de draagkracht van de moeder uitgaan van een aanvullende verdiencapaciteit. [minderjarige 1] wordt, gelet op haar leeftijd, steeds zelfstandiger. [minderjarige 1] gaat dit schooljaar naar groep 8. Van de moeder kan daarom worden verlangd dat zij haar dienverband uitbreidt. Dit betekent evenwel niet dat van de moeder kan worden verlangd dat zij op dit moment fulltime gaat werken, zoals door de vader gesteld. Gelet op de hiervoor vastgestelde zorgregeling en de leeftijd van [minderjarige 1] zal de rechtbank bij haar berekeningen rekening houden met een vierdaagse werkweek van de moeder vanaf de periode dat [minderjarige 1] naar groep 8 zal gaan.

Nu de rechtbank rekening houdt met een dienstverband van vier dagen per week, heeft de moeder een jaarinkomen van € 30.480,-. De rechtbank heeft dit als volgt berekend. De rechtbank gaat uit van de jaaropgaaf van 2025 waarop een belastbaar loon van € 22.860,- is vermeld voor een dienstverband van drie dagen per week. Omgerekend naar een dienstverband van vier dagen per week is dat (22.860 / 3 x 4 =) € 30.480,- per jaar.

Verder wordt rekening gehouden met een kindgebonden budget en de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Het netto besteedbaar inkomen is dan € 3.035,- per maand.

Volgens de hiervoor vermelde draagkrachtformule geldend in 2026 heeft de moeder dan een draagkracht van € 532,- per maand.

De verdeling van de kosten

De ouders en de nieuwe partner van de vader hebben samen een draagkracht van € 10.455,- per maand. Dit is genoeg om alle kosten van de kinderen te betalen, want die zijn € 4.181,- per maand. Gelet hierop zal de rechtbank een draagkrachtvergelijking maken tussen de onderhoudsplichtigen.

De vader is onderhoudsplichtig voor beide kinderen. De draagkracht verdeeld naar rato van behoefte ziet er als volgt uit:

[minderjarige 1] = 1.406 / 4.181 x 9.272 = € 3.118,-

[minderjarige 2] = 2.775 / 4.181 x 9.272 = € 6.154,-

De rechtbank vergelijkt de draagkracht van de vader met de draagkracht van de nieuwe partner ten aanzien van [minderjarige 2] . Dit betekent dat de vader een deel van (6.154 / 6.805 x 2.775 =) € 2.510,- per maand moet dragen en de nieuwe partner een deel van (651 / 6.805 x 2.775 = ) € 265,- per maand. Dit betekent dat de vader van zijn draagkracht een bedrag van (6.154 – 2.510) = € 3.644,- niet benut. Het bedrag dat de vader niet benut ten behoeve van [minderjarige 2] , hevelt de rechtbank over naar [minderjarige 1] . Dit betekent dat de totale beschikbare draagkracht van de vader voor [minderjarige 1] (3.118 + 3.644 =) € 6.762,- bedraagt.

De rechtbank vergelijkt nu de draagkracht van de vader met de draagkracht van de moeder ten aanzien van [minderjarige 1] . Dit betekent dat de vader een deel van (6.762 / 7.294 x 1.406 =) € 1.303,- per maand moet dragen en de moeder een deel van (532 / 7.294 x 1.406 =) € 103,- per maand.

De zorgkorting

Ook in deze periode past de rechtbank een zorgkorting toe van 25% van de ‘kale’ behoefte (minus de BSO kosten), te weten € 322,- per maand, gelet op de zorgregeling die rechtbank bij deze beschikking zal vaststellen. Dat betekent dat de vader een bedrag van (1.303 -/- 322 =) € 981,- per maand moet betalen.

Conclusie

Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de hierna vermelde bedragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] in overeenstemming met de wettelijke maatstaven zijn:

Periode 1: de rechtbank zal de kinderalimentatie voor de periode van 1 januari 2026 tot 1 september 2026 op € 1.039,- bepalen.

Periode 2: de rechtbank zal de kinderalimentatie voor de periode vanaf 1 september 2026 op € 981,- per maand.

Alimentatie vooruitbetalen

De rechtbank beslist dat de vader de kinderalimentatie vanaf nu steeds vóór de eerste dag van de maand moet betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt zullen worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in die maand wordt betaald.

Partneralimentatie

Ontvankelijkheid

De rechtbank sluit aan bij de gewijzigde omstandigheden zoals hiervoor weergegeven bij de kinderalimentatie.

Ingangsdatum en periodes

Omdat nu duidelijk is hoeveel de vader voor [minderjarige 1] (en [minderjarige 2] ) moet betalen, kan de rechtbank berekenen of hij nog ruimte heeft om partneralimentatie te betalen.

Voordat de rechtbank kan gaan rekenen, moet zij weten welke gegevens en belastingtarieven zij moet gebruiken bij die berekening, net zoals bij de kinderalimentatie. De vader verzoekt de ingangsdatum met terugwerkende kracht primair vast te stellen op 25 september 2025, omdat de moeder op die dag door de voormalig advocaat van de vader is aangeschreven en sinds die datum rekening heeft kunnen houden met de omstandigheid dat de door de vader te betalen partneralimentatie kan worden gewijzigd. Subsidiair stelt de vader zich op het standpunt dat de partneralimentatie dient te worden gewijzigd per de datum van indiending van dit verzoekschrift. De moeder verzoekt om de ingangsdatum vast te stellen op 1 januari 2026.

De rechtbank overweegt dat de rechtbank een bijdrage kan wijzigen over een periode in het verleden, maar daar terughoudend mee om moet gaan gezien de gevolgen die het kan hebben voor partijen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw vanaf de datum van het indienen van het verzoekschrift door de man rekening kunnen houden met een wijziging van de partneralimentatie. De rechtbank zal daarom aansluiten bij de ingangsdatum zoals verzocht door de moeder, te weten 1 januari 2026.

De rechtbank ziet reden om voor de partneralimentatie te rekenen met dezelfde periodes als bij de kinderalimentatie. Dit betekent dat de rechtbank eerst de partneralimentatie zal berekenen over 1 januari 2026 tot 1 september 2026 en daarna voor de periode vanaf 1 september 2026.

Periode 1: 1 januari 2026 tot 1 september 2026

De huwelijksgerelateerde behoefte

Bij de berekening van de partneralimentatie stelt de rechtbank eerst het bedrag vast dat de moeder nodig heeft om haar kosten van te kunnen betalen. Dat wordt de ‘behoefte’ genoemd. Daarbij kijkt de rechtbank niet alleen naar de puur noodzakelijke kosten die de moeder moet maken, maar ook naar de welstand waarin partijen hebben geleefd en naar wat de moeder daardoor gewend was uit te geven. Daarom wordt dat de ‘huwelijksgerelateerde behoefte’ genoemd.

Tussen partijen is de huwelijksgerelateerde behoefte niet in geschil. In het echtscheidingsconvenant is vastgelegd dat de huwelijksgerelateerde behoefte van de moeder in 2018 € 2.952,- bedroeg. Gecorrigeerd in verband met de inflatie (geïndexeerd) is dat in 2026 € 3.963,- netto per maand.

De behoeftigheid

Vervolgens onderzoekt de rechtbank of de moeder redelijkerwijs in staat is om zelf het hiervoor vermelde bedrag (€ 3.963,-) te verdienen. Bij het inkomen van de moeder telt de rechtbank daarbij het kindgebonden budget niet mee, omdat dat budget is bedoeld voor [minderjarige 1] en niet voor de moeder zelf. Als de moeder niet in staat is om zelf het bedrag van de huwelijksgerelateerde behoefte te verdienen, dan is zij ‘behoeftig’. Alleen in dat geval kan de rechtbank het verzoek om partneralimentatie toewijzen.

Zoals hiervoor bij de draagkracht van de moeder voor kinderalimentatie is vermeld, bedraagt het netto besteedbaar inkomen inclusief kindgebonden budget € 2.405,- per maand. Na aftrek van het kindgebonden budget van € 500,- per maand blijft er € 1.905,- per maand over.

Bij een huwelijksgerelateerde behoefte van € 3.963,- netto per maand en een netto besteedbaar inkomen van de moeder van € 1.905,-, resteert een aanvullende behoefte van (3.963 -/- 1.905 =) € 2.058,- netto per maand. Als de vader partneralimentatie betaalt, dan moet de moeder daarover nog belasting afdragen. De rechtbank berekent dat de moeder daarom een bedrag van € 3.704,- bruto per maand nodig heeft om in haar huwelijksgerelateerde behoefte te kunnen voorzien.

De draagkracht van de vader

Vervolgens onderzoekt de rechtbank in hoeverre de vader in de aanvullende behoefte van de moeder kan voorzien. Dat wordt de ‘draagkracht’ genoemd. De rechtbank stelt vast dat de vader een bedrag van € 8.600,- bruto per maand kan betalen. De rechtbank heeft dat als volgt berekend.

Voor het bepalen van de draagkracht kijkt de rechtbank allereerst naar het inkomen. Zoals hiervoor is besproken bij de draagkracht van de vader voor kinderalimentatie bedraagt het netto besteedbaar inkomen € 20.873,- per maand.

Vervolgens bekijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van de moeder. Daarvoor maakt de rechtbank net als bij de vaststelling van de draagkracht voor kinderalimentatie gebruik van de hiervoor vermelde zogenoemde ‘draagkrachtformule’. Voor het berekenen van partneralimentatie geldt dat 60 % van de ‘draagkrachtruimte’ beschikbaar is voor partneralimentatie. De overige 40% mag de vader vrij besteden (de ‘vrije ruimte’). De berekening van de draagkracht ziet er dan als volgt uit: 60% [NBI – (0,3 x NBI + 1.365)]. Van het netto besteedbaar inkomen van de vader blijft dan een bedrag over van (20.873 -/- 6.262 -/- 1.365 =) € 13.246,- per maand. Hiervan is 60 % beschikbaar voor partneralimentatie, dus € 7.948,- netto per maand.

De kinderalimentatie gaat voor op de partneralimentatie. Daarom brengt de rechtbank de kosten die de vader voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] maakt nog in mindering op het bedrag van € 7.948,- per maand. Bij de berekening van de kinderalimentatie heeft de rechtbank berekend dat de vader een bedrag van € 1.361,- voor [minderjarige 1] en € 2.510,- voor [minderjarige 2] per maand aan kinderalimentatie moet betalen. Daarnaast draagt de vader al een bedrag van € 322,- per maand aan kosten op de momenten dat [minderjarige 1] bij hem zijn. In totaal betaalt de vader dus € 3.549,- per maand voor de kinderen. Er blijft dan (7.948 -/- 3.549 =) € 4.399,- netto per maand over voor partneralimentatie.

Als de vader partneralimentatie betaalt, dan mag hij de betaalde partneralimentatie als aftrekpost opvoeren in de belastingaangifte. Daardoor betaalt de vader minder belasting, zodat hij meer ruimte heeft voor het betalen van partneralimentatie. De rechtbank telt daarom dat belastingvoordeel op bij de draagkracht. Daarmee komt de draagkracht van de vader op een bedrag van € 7.045,- bruto per maand.

Het voorgaande betekent dat de vader voldoende draagkracht heeft om te voorzien in de behoefte van de moeder. De rechtbank wijst daarom voor deze periode het verzoek van de moeder om te bepalen dat de vader dient bij te dragen in de kosten van het levensonderhoud van de moeder met een bijdrage van € 3.563,- bruto per maand toe.

Periode 2: vanaf 1 september 2026

De huwelijksgerelateerde behoefte

Zoals hiervoor overwogen zijn partijen het eens dat de huwelijksgerelateerde behoefte van de moeder in 2026 € 3.963,- netto per maand bedraagt.

De behoeftigheid

Zoals hiervoor bij de draagkracht van de moeder voor kinderalimentatie is vermeld, gaat de rechtbank uit van een aanvullende verdiencapaciteit van de moeder in deze periode. Het netto besteedbaar inkomen bedraagt dan inclusief kindgebonden budget € 3.035,- per maand. Na aftrek van het kindgebonden budget van € 495,- per maand blijft er € 2.540,- per maand over.

Bij een huwelijksgerelateerde behoefte van € 3.963,- netto per maand en een netto besteedbaar inkomen van de moeder van € 2.540,-, resteert een aanvullende behoefte van (3.963 -/- 2.540 =) € 1.423,- netto per maand. Gelet op de belasting die de moeder moet afdragen over de partneralimentatie, berekent de rechtbank dat de moeder een bedrag van € 2.701,- bruto per maand nodig heeft om in haar huwelijksgerelateerde behoefte te kunnen voorzien.

De draagkracht van de vader

In deze periode zijn de inkomensgegevens van de vader hetzelfde als de periode hiervoor. De draagkracht die beschikbaar is voor de partneralimentatie bedraagt € 7.948,- netto per maand. De rechtbank brengt daarop de kosten die de vader voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] maakt in mindering. Bij de berekening van de kinderalimentatie heeft de rechtbank berekend dat de vader een bedrag van € 1.303,- voor [minderjarige 1] en € 2.510,- voor [minderjarige 2] per maand aan kinderalimentatie moet betalen. Daarnaast draagt de vader al een bedrag van € 322,- per maand aan kosten op de momenten dat [minderjarige 1] bij hem zijn. In totaal betaalt de vader dus € 3.491,- per maand voor de kinderen. Er blijft dan (7.948 -/- 3.491 =) € 4.457,- netto per maand over voor partneralimentatie. Gelet op het belastingvoordeel, komt de draagkracht van de vader op een bedrag van € 7.138,- bruto per maand.

Het voorgaande betekent dat de vader voldoende draagkracht heeft om te voorzien in de behoefte van de moeder. De rechtbank zal daarom de partneralimentatie voor deze periode wijzigen naar een bedrag van € 2.701,- bruto per maand.

Conclusie

Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de hierna vermelde bedragen in de kosten van levensonderhoud van de moeder in overeenstemming met de wettelijke maatstaven zijn:

Periode 1: de rechtbank zal de partneralimentatie voor de periode van 1 januari 2026 tot 1 september 2026 op € 3.563,- bruto per maand bepalen.

Periode 2: de rechtbank zal de kinderalimentatie voor de periode vanaf 1 september 2026 op € 2.701,- bruto per maand bepalen.

Alimentatie vooruitbetalen

De rechtbank beslist dat de partneralimentatie vanaf nu steeds vóór de eerste dag van de maand moet betalen. Het gaat namelijk om bijdragen in de kosten die in die maand gemaakt zullen worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas aan het eind van de maand wordt betaald.

Dwangsommen kinder- en partneralimentatie

De moeder verzoekt dwangsommen op te leggen voor het geval de vader niet de alimentatie betaald. De vader voert verweer. Ex artikel 611a lid 1 van het Wetboek van Rechtsvordering (Rv) is het niet mogelijk een dwangsom op te leggen in geval van een veroordeling tot betaling van een geldsom.

De rechtbank wijst het verzoek af nu op grond van artikel 611a lid 1 Rv het niet mogelijk is om een dwangsom op te leggen in het geval van een veroordeling tot betaling van een geldsom.

Terugbetalen BSO-kosten

De man verzoekt om te bepalen dat de vrouw de aan haar door de man teveel betaalde kinderalimentatie ad € 2.721,54,- + P.M. sinds september 2024 als gevolg van de eenzijdige opzegging van de BSO, moet (terug)betalen aan de man.

De vrouw voert verweer.

De BSO-kosten zijn meegenomen bij het vaststellen van de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie. De BSO-kosten zijn weliswaar nadien afgenomen, zodat er in die zin sprake is van een wijziging van de omstandigheden, maar dit is slechts één van de gewijzigde omstandigheden. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen hanteert de rechtbank 1 januari 2026 als ingangsdatum voor het vaststellen van een gewijzigde onderhoudsbijdrage. Gelet hierop wordt het verzoek van de vader afgewezen.

Amerikaans paspoort

Wettelijk kader

Het Amerikaanse paspoort van [minderjarige 1] valt niet onder de Paspoortwet. De rechtbank zal het verzoek van de moeder ten aanzien van dit paspoort beoordelen in het licht van artikel 1:253a BW.

Op grond van artikel 1:253a BW kan in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag een geschil tussen de ouders hierover op verzoek van de ouders of een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt de beslissing die haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

Inhoudelijke beoordeling

De moeder onderbouwt haar verzoek als volgt. [minderjarige 1] is geboren in [geboorteplaats] en heeft daarmee de Amerikaanse nationaliteit. Partijen hebben destijds gezamenlijk gekozen dat het in het belang van [minderjarige 1] is dat zij een Amerikaans paspoort heeft. Het paspoort dient te worden verlengd. De moeder heeft de vader hier op 12 februari 2026 over gemaild en hij heeft hier op 17 februari 2026 gereageerd door te stellen dat hij hier slechts aan meewerkt indien de moeder alle kosten voldoet. Desondanks heeft de moeder het paspoort van [minderjarige 1] nog niet kunnen aanvragen. De handtekening van de vader dient namelijk te worden gelegaliseerd, alvorens de moeder de aanvraag voor een nieuw paspoort kan indienen bij de ambassade. De vader heeft een voorstel gedaan dit te regelen bij een notaris te [woonplaats 1] , waarvoor de kosten € 249,50 bedragen. Middels navraag bij notariskantoor Spier & Hazenberg te Amsterdam (op korte afstand gelegen van het werk van de vader) heeft de moeder begrepen dat de legalisatie van één handtekening € 85,- inclusief BTW bedraagt. Door onredelijke verzoeken en eisen van de vader, is de moeder tot op heden niet in de gelegenheid gesteld om het Amerikaanse paspoort van [minderjarige 1] te verlengen. Op 7 april 2026 heeft de vader plotseling laten weten dat de legalisatie ook voor € 120,- geregeld zou kunnen worden in [woonplaats 1] .

De rechtbank overweegt dat uit de stukken die zijn overgelegd door de vader blijkt dat hij de benodigde documenten voor de verlenging van het Amerikaanse paspoort naar de moeder heeft gestuurd. De rechtbank wijst daarom het verzoek van de moeder bij gebrek aan belang af.

Proceskosten

De moeder stelt het volgende. Binnen het familierecht zijn er een aantal gronden waarop een verzoek tot proceskostenveroordeling in ieder geval kan worden toegewezen: nodeloos procederen, onvoldoende onderbouwing verzoek, proceshouding en misbruik van procesrecht. Volgens de moeder maakt de vader misbruik van het procesrecht door stellingen bewust te baseren op onjuiste feiten. Daarnaast stelt de moeder dat een proceskostenveroordeling passend is gezien de proceshouding van de vader. De vader verdraait de gehele situatie, waardoor de moeder een uitermate uitvoerig processtuk moet laten opstellen, zodat de rechtbank volledig op de hoogte is van het werkelijke feitenverloop. Hierdoor heeft de moeder de nodige kosten moeten maken. Bovendien heeft de vader niet eens alle nodige gegeven overgelegd op grond waarvan een nieuwe alimentatieberekening kan worden opgesteld, zoals stukken waaruit zijn huidige inkomen blijkt. De vader onderbouwt zijn standpunten hiermee onvoldoende. Ook op deze grond is de moeder van mening dat een proceskostenveroordeling aan de zijde van de vader op zijn plaats is. Tot slot stelt de moeder dat ook in dit kader de nadruk moet worden gelegd op het grote inkomensverschil tussen partijen. De vader heeft een riant inkomen, en de moeder daarentegen een relatief klein inkomen.

De vader voert verweer. Hij heeft er alles aan gedaan om niet te moeten procederen. De vader kon niet anders dan een verzoekschrift indienen. Ten slotte is het zo dat dit geschil in overwegende mate voortvloeit uit de geslaakte affectieve relatie. Reden waarom op grond van het bepaalde in artikel 237 lid 1, 2e zin Rv de proceskosten tussen partijen dienen te worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

De rechtbank wijst het verzoek van de moeder af. In familierechtzaken wordt terughoudend omgegaan met een proceskostenveroordeling, dit om te voorkomen dat de relatie tussen partijen verder wordt belast. Partijen moeten namelijk vaak nog met elkaar door als ouders van hun kind. Als hoofdregel geldt dan ook dat de proceskosten worden gecompenseerd, aldus dat iedere partij zijn eigen kosten draagt. Slechts in uitzonderlijke gevallen wordt van deze hoofdregel afgeweken. In de stellingen van de moeder ziet de rechtbank geen aanleiding van voornoemd uitgangspunt af te wijken. Het verzoek van de moeder om de vader te veroordelen in de proceskosten zal dan ook worden afgewezen.

Uitvoerbaar bij voorraad

De rechtbank verklaart de beslissing ‘uitvoerbaar bij voorraad’, zoals is verzocht.

Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de ouders hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

C/13/785999 / FA RK 26-2786 (provisionele voorziening)

Nu de rechtbank in de bodemzaak zal beslissen heeft de moeder geen belang meer bij de gevraagde voorziening. Het verzoek zal dan ook worden afgewezen.

5. De beslissing

C/13/781910 / FA RK 26-364 (bodemprocedure)

De rechtbank wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 18 december 2019 en het daarbij aangehechte convenant en ouderschapsplan in zoverre:

bepaalt de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders aldus dat met ingang van heden: [minderjarige 1] is om de week bij de vader van vrijdag uit school tot dinsdag naar school;

bepaalt de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders ten aanzien van de vakanties en feestdagen met ingang van heden:

herfstvakantie: volledig bij de moeder;

kerstvakantie:

- even jaren: bij de moeder;

- oneven jaren: bij de vader;

krokusvakantie: volledig bij de moeder;

meivakantie: volledig bij de vader;

zomervakantie: de eerste drie weken bij de moeder en de tweede drie weken bij de vader waarbij op de zondag voorafgaande aan de vierde week van de zomervakantie de moeder [minderjarige 1] om 10:00 uur bij de vader brengt;

waarbij de vakantie start aan het einde van de laatste schooldag direct voorafgaande aan de relevante vakantie en eindigt direct voorafgaande aan het begin van de eerste schooldag na de relevante vakantie:

er geldt geen aparte feestdagenregeling en dat derhalve wordt aangesloten bij de gewone zorgregeling en vakantieregeling voor de verdeling van de feestdagen, met uitzondering van de volgende feestdagen:

- verjaardag van de moeder: [minderjarige 1] bij de moeder;

- verjaardag toekomstige kinderen van de moeder: [minderjarige 1] bij de moeder;

- Moederdag: [minderjarige 1] bij de moeder;

- verjaardag vader: [minderjarige 1] bij de vader;

- verjaardag [minderjarige 2] en toekomstige kinderen vader: [minderjarige 1] bij de vader

- Vaderdag: [minderjarige 1] bij de vader

- indien [minderjarige 1] op een feestdag bij de andere ouder verblijft, deze ouder haar op die dag om 10:00 uur naar de andere ouder brengt of haalt de andere ouder haar op uit school en de volgende dag brengt de andere ouder haar om 10:00 uur terug naar de andere ouder of naar school.

bepaalt dat de vader van 1 januari 2026 tot 1 september 2026 € 1.039,- per maand dient te betalen aan de moeder als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] , vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat de vader vanaf 1 september 2026 € 981,- per maand dient te betalen aan de moeder als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] , vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat de vader van 1 januari 2026 tot 1 september 2026 € 3.563,- per maand dient te betalen aan de moeder als uitkering tot levensonderhoud, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat de vader vanaf 1 september 2026 € 2.701,- per maand dient te betalen aan de moeder als uitkering tot levensonderhoud, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Inzake C/13/785999 / FA RK 26-2786 (provisionele voorziening)

De rechtbank:

wijst af het verzoek van de moeder.

Deze beschikking is gegeven door de rechter mr. C.M. Mellema, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr R. Muller, griffier, op 14 augustus 2026.

Partij

Alimentatieplichtige

Zaak

Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde (781910)

Berekening

Draagkracht periode 1

Tarieven

2026-1

Datum uitdraai

13-08-2026

Box 1 Inkomen uit werk en woning

Winst uit onderneming (65-75)

65

Winst uit onderneming (voor ondernemersaftrek)

441.225

70

Winst uit onderneming

441.225

Ondernemersaftrek

71/ 72

Zelfstandigenaftrek

-

1.200

- Zelfstandigenaftrek

1.200

MKB Winstvrijstelling

-

55.883

75

Belastbare winst uit onderneming

384.142

Heffing box 1 (94-95)

94

Belastbaar inkomen uit werk en woning

384.142

- Schijf 1, 35,75% (17,85%) over € 0 t/m € 38.882 (€ 41.123)

13.900

- Schijf 2, 37,56% over € 38.883 (€ 41.124) t/m € 78.426

14.852

- Schijf 3, 49,5% over € 78.427 of meer

151.329

Correctie aftrek toptarief (ondernemersaftrekken en persoonlijke aftrekken)

6.816

95

Inkomensheffing box 1

186.897

Besteedbaar inkomen (113-120)

113

Inkomen voor aftrek inkomensheffing

441.225

114

Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3

186.897

117

Verschuldigde inkomensheffing

-

186.897

Inkomen na aftrek inkomensheffing

254.328

117a Op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage ZVW

Winst uit onderneming

384.142

Totaal inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd

384.142

Maximum bijdrage loon

79.412

Maximum inkomen waarover bijdrage is verschuldigd

79.412

Inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd

79.412

Percentage Zvw

%

4,85

Totaal inkomensafhankelijke bijdrage ZVW

3.851

Saldo verschuldigde bijdrage inkomensafhankelijke bijdrage ZVW

-

3.851

120

Besteedbaar inkomen

250.477

120a

Netto besteedbaar inkomen (per jaar)

250.477

120a

Netto besteedbaar inkomen (per maand)

20.873

120b

Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per jaar)

250.477

120b

Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per maand)

20.873

Draagkracht tbv kinderalimentatie

Draagkracht tbv kinderalimentatie

120a

Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie

20.873

Draagkracht wordt berekend op basis van

Formule

122a

Kosten van levensonderhoud

1.365

123a

Woonbudget

6.262

135a

Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie

7.627

136a

Draagkrachtruimte

13.246

137a

Draagkrachtpercentage

%

70

Beschikbaar

9.272

140a

Draagkracht tbv kinderalimentatie

0

Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie

Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie

120b

Netto besteedbaar inkomen tbv partneralimentatie

20.873

Draagkracht wordt berekend op basis van

Formule

122b

Kosten van levensonderhoud

1.365

123b

Woonbudget

6.262

135b

Draagkrachtloos inkomen tbv partneralimentatie

7.627

136b

Draagkrachtruimte

13.246

Draagkracht tbv partneralimentatie

136b

Draagkrachtruimte

13.246

137b

Draagkrachtpercentage

%

60

Draagkracht tbv partneralimentatie

7.948

140

Beschikbaar

7.948

Partneralimentatie (141-144)

141

Bijdrage in de kosten van kinderen (inclusief zorgkorting)

-

3.549

Bijdrage in de kosten van kinderen uit andere relatie

-

0

Totale bijdrage in de kosten van de kinderen (inclusief zorgkorting)

-

3.549

142

Fiscaal voordeel aftrek buitengewone uitgaven kinderen

0

Berekende ruimte voor partneralimentatie

4.399

143

Resteert voor partneralimentatie vóór berekening belastingvoordeel

4.399

144

Resultaat van brutering van 143 volgens de methode Buijs (bruto partneralimentatie)

7.045

Specificaties voor post: 144

Het beschikbare nettobedrag voor partneralimentatie van € 52.788 per jaar wordt gebruteerd in Box 1 bij een belastbaar inkomen van:

384.142

jaar

In de schijf van 37,56% valt € 52.788, € 52.788 x ( 100 / (100 - 37,56)) =

84.542

jaar

In de schijf van 37,56% valt € 0, € 0 x ( 100 / (100 - 37,56)) =

0

jaar

In de schijf van 35,75% valt € 0, € 0 x ( 100 / (100 - 35,75)) =

0

jaar

Het resultaat van de brutering is per jaar

84.542

jaar

Of per maand

7.045

maand

Partij

Alimentatiegerechtigde

Zaak

Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde (781910)

Berekening

Draagkracht periode 1

Tarieven

2026-1

Datum uitdraai

13-08-2026

Box 1 Inkomen uit werk en woning

Loon volgens jaaropgaaf

(60)

60

Loon volgens jaaropgaaf

22.860

Op het bruto loon ingehouden

59

Inkomsten (transport)

22.860

Belastbaar loon (61-64)

64

Belastbaar loon

22.860

Heffing box 1 (94-95)

94

Belastbaar inkomen uit werk en woning

22.860

- Schijf 1, 35,75% (17,85%) over € 0 t/m € 38.882 (€ 41.123)

8.172

95

Inkomensheffing box 1

8.172

Besteedbaar inkomen (113-120)

113

Inkomen voor aftrek inkomensheffing

22.860

114

Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3

8.172

115/116

Heffingskorting en standaard heffingskorting

-

9.394

Inkomen na aftrek inkomensheffing

22.860

Specificaties voor post: 115/116

Algemene Heffingskorting

3.115

jaar

Arbeidskorting

4.375

jaar

Combinatiekorting

1.904

jaar

Bij: Kindgebonden budget

5.996

120

Besteedbaar inkomen

28.856

120a

Netto besteedbaar inkomen (per jaar)

28.856

120a

Netto besteedbaar inkomen (per maand)

2.405

120b

Af: correctie kindgebonden budget

-

5.996

Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per jaar)

22.860

120b

Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per maand)

1.905

Draagkracht tbv kinderalimentatie

Draagkracht tbv kinderalimentatie

120a

Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie

2.405

Draagkracht wordt berekend op basis van

Formule

122a

Kosten van levensonderhoud

1.365

123a

Woonbudget

722

135a

Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie

2.087

136a

Draagkrachtruimte

318

137a

Draagkrachtpercentage

%

70

Beschikbaar

223

140a

Draagkracht tbv kinderalimentatie

223

Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie

Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie

120b

Netto besteedbaar inkomen tbv partneralimentatie

1.905

Draagkracht wordt berekend op basis van

Formule

Afwijken van de tabel?

nee

122b

Kosten van levensonderhoud

1.365

123b

Woonbudget

572

135b

Draagkrachtloos inkomen tbv partneralimentatie

1.937

136b

Draagkrachtruimte

-32

Draagkracht tbv partneralimentatie

136b

Draagkrachtruimte

-32

137b

Draagkrachtpercentage

%

60

Partneralimentatie (141-144)

141

Bijdrage in de kosten van kinderen (inclusief zorgkorting)

-

75

Bijdrage in de kosten van kinderen uit andere relatie

-

0

Totale bijdrage in de kosten van de kinderen (inclusief zorgkorting)

-

75

142

Fiscaal voordeel aftrek buitengewone uitgaven kinderen

0

Berekende ruimte voor partneralimentatie

-75

143

Resteert voor partneralimentatie vóór berekening belastingvoordeel

0

144

Resultaat van brutering van 143 volgens de methode Buijs (bruto partneralimentatie)

0

Specificaties voor post: 144

Omdat de verschuldigde belasting lager is dan de heffingskortingen bestaat er geen ficaal voordeel. Resteert voor partneralimentatie per jaar

0

jaar

Of per maand

0

maand

Bruto aanvullende behoefte

Netto Behoefte

Netto behoefte

2.952

#

Indexeren

ja

Startjaar

2018

Eindjaar

2026

Netto behoefte geïndexeerd

3.963

Berekening Bruto aanvullende Behoefte

Netto behoefte aan inkomen

3.963

Eigen netto inkomsten (+ aanv. verdiencapaciteit)

1.905

Post 141 Bijdrage in de kosten van de kinderen

75

Af: Post 119a kindgebonden budget

-

500

Restant:

-425

Kosten kinderen uit eigen inkomen

0

Zelf beschikbaar netto inkomen

-

1.905

Netto aanvullende behoefte

2.058

Bruto aanvullende behoefte

3.704

Partij

Alimentatiegerechtigde

Zaak

Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde (781910)

Berekening

Draagkracht periode 2

Tarieven

2026-2

Datum uitdraai

13-08-2026

Box 1 Inkomen uit werk en woning

Loon volgens jaaropgaaf

(60)

60

Loon volgens jaaropgaaf

30.480

Op het bruto loon ingehouden

59

Inkomsten (transport)

30.480

Belastbaar loon (61-64)

64

Belastbaar loon

30.480

Heffing box 1 (94-95)

94

Belastbaar inkomen uit werk en woning

30.480

- Schijf 1, 35,75% (17,85%) over € 0 t/m € 38.882 (€ 41.123)

10.896

95

Inkomensheffing box 1

10.896

Besteedbaar inkomen (113-120)

113

Inkomen voor aftrek inkomensheffing

30.480

114

Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3

10.896

115/116

Heffingskorting en standaard heffingskorting

-

11.235

Inkomen na aftrek inkomensheffing

30.480

Specificaties voor post: 115/116

Algemene Heffingskorting

3.068

jaar

Arbeidskorting

5.391

jaar

Combinatiekorting

2.776

jaar

Bij: Kindgebonden budget

5.940

120

Besteedbaar inkomen

36.420

120a

Netto besteedbaar inkomen (per jaar)

36.420

120a

Netto besteedbaar inkomen (per maand)

3.035

120b

Af: correctie kindgebonden budget

-

5.940

Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per jaar)

30.480

120b

Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per maand)

2.540

Draagkracht tbv kinderalimentatie

Draagkracht tbv kinderalimentatie

120a

Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie

3.035

Draagkracht wordt berekend op basis van

Formule

122a

Kosten van levensonderhoud

1.365

123a

Woonbudget

910

135a

Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie

2.275

136a

Draagkrachtruimte

760

137a

Draagkrachtpercentage

%

70

Beschikbaar

532

140a

Draagkracht tbv kinderalimentatie

532

Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie

Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie

120b

Netto besteedbaar inkomen tbv partneralimentatie

2.540

Draagkracht wordt berekend op basis van

Formule

122b

Kosten van levensonderhoud

1.365

123b

Woonbudget

762

135b

Draagkrachtloos inkomen tbv partneralimentatie

2.127

136b

Draagkrachtruimte

413

Draagkracht tbv partneralimentatie

136b

Draagkrachtruimte

413

137b

Draagkrachtpercentage

%

60

Draagkracht tbv partneralimentatie

248

140

Beschikbaar

248

Partneralimentatie (141-144)

141

Bijdrage in de kosten van kinderen (inclusief zorgkorting)

-

166

Bijdrage in de kosten van kinderen uit andere relatie

-

0

Totale bijdrage in de kosten van de kinderen (inclusief zorgkorting)

-

166

142

Fiscaal voordeel aftrek buitengewone uitgaven kinderen

0

Berekende ruimte voor partneralimentatie

82

143

Resteert voor partneralimentatie vóór berekening belastingvoordeel

82

144

Resultaat van brutering van 143 volgens de methode Buijs (bruto partneralimentatie)

82

Specificaties voor post: 144

Omdat de verschuldigde belasting lager is dan de heffingskortingen bestaat er geen ficaal voordeel. Resteert voor partneralimentatie per jaar

984

jaar

Of per maand

82

maand

Bruto aanvullende behoefte

Netto Behoefte

Netto behoefte

2.952

#

Indexeren

ja

Startjaar

2018

Eindjaar

2026

Netto behoefte geïndexeerd

3.963

Berekening Bruto aanvullende Behoefte

Netto behoefte aan inkomen

3.963

Eigen netto inkomsten (+ aanv. verdiencapaciteit)

2.540

Post 141 Bijdrage in de kosten van de kinderen

166

Af: Post 119a kindgebonden budget

-

495

Restant:

-329

Kosten kinderen uit eigen inkomen

0

Zelf beschikbaar netto inkomen

-

2.540

Netto aanvullende behoefte

1.423

Bruto aanvullende behoefte

2.701

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand