ECLI:NL:RBAMS:2026:8684

ECLI:NL:RBAMS:2026:8684

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 12-08-2026
Datum publicatie 31-08-2026
Zaaknummer C/13/743797
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Beëindiging gezamenlijk gezag en vaststelling omgangsregeling. De beslissing ten aanzien van het gezag is eerder aangehouden, omdat Parallel Solo Ouderschap nog niet was ingezet. Het traject is inmiddels vroegtijdig gestopt, omdat het hoogst haalbare is gehaald. Beëindiging gezamenlijk gezag en belasting van de moeder met eenhoofdig gezag, omdat van de moeder niet verwacht kan worden dat zij gezamenlijk met de vader beslissing neemt.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/743797 / FA RK 23-8408

Beschikking van 12 augustus 2026 betreffende wijziging van het gezag

in de zaak van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de moeder,

advocaat mr. L.C. Fuijkschot te Hoorn,

tegen

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de vader,

advocaat mr. R.P.M. Duijndam te Lisse.

De kinderrechter merkt als informant aan:

Jeugdbescherming Regio Amsterdam,

hierna te noemen JBRA.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,regio Amsterdam,locatie [locatie] ,hierna te noemen: de Raad.

1. Het verdere verloop van de procedure

Bij beschikking van 21 mei 2024 heeft deze rechtbank de verzoeken ten aanzien van het gezag, de zorgregeling, het hulpverleningstraject, de hoofdverblijfplaats en de informatievoorziening aangehouden in afwachting van het verloop van de ondertoezichtstelling.

Bij beschikking van 2 juli 2025 heeft deze rechtbank een voorlopige zorgregeling vastgesteld en bepaald dat de vader de door hem ontvangen kinderbijslag over de periode van 31 oktober 2023 tot en met medio september 2024 binnen 14 dagen aan de moeder dient te vergoeden. De beslissing ten aanzien van de definitieve zorgregeling, het hoofdverblijf en het gezag is aangehouden.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

de beschikking van 21 mei 2024;

de beschikking van 2 juli 2025;

de brief van 30 september 2025 van de moeder;

het F9-formulier van 30 september 2025 van de vader;

de brief van 31 maart 2026 van de vader;

de brief en tevens akte wijziging en aanvulling verzoeken van 31 maart 2026 van de moeder met bijlagen;

het verweerschrift van de vader naar aanleiding van de wijziging en aanvulling verzoeken van de moeder, ingekomen op 9 juni 2026;

de schriftelijke update van 15 juni 2026 van de GI;

de brief van 1 juli 2026 van de vader met bijlage;

de aanvullende bijlages van de moeder, ingekomen op 7 juli 2026;

de brief van 7 juli 2026 van de vader met bijlage.

De mondelinge behandeling achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 juli 2026 en is gecombineerd met de mondelinge behandeling van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling met zaak- en rekestnummer C/13/776905 / JE RK 25-743.

Verschenen zijn:

de vader met zijn advocaat;

de moeder met haar advocaat;

[naam 1] namens de Raad;

[naam 2] namens de GI.

Van de zijde van de moeder zijn pleitnotities voorgedragen en overgelegd.

2. De feiten

Bij beschikking van 21 mei 2024 heeft de rechtbank [minderjarige] onder toezicht gesteld voor de duur van negen maanden. Bij diezelfde beschikking heeft de rechtbank een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder verleend, ook voor negen maanden. De ondertoezichtstelling is nadien steeds verlengd, laatstelijk bij beschikking van 17 juli 2026, tot 21 november 2026.

Voor de overige feiten verwijst de rechtbank naar de beschikkingen van 21 mei 2024 en 2 juli 2025.

3. Het (gewijzigde) verzoek, het verweer en het zelfstandig verzoek

De volgende verzoeken liggen nog ter beoordeling voor aan de rechtbank.

Het (gewijzigde) verzoek van de moeder strekt tot:

het wijzigen van de zorgregeling waarbij [minderjarige] volgens een week op week af regeling bij de ouders zal verblijven, waarbij de wissel op woensdag via school verloopt, althans zal worden gewijzigd in een door de rechtbank in goede justitie te bepalen zorgregeling waarbij rekening wordt gehouden met het minimaliseren van overdrachtsmomenten tussen de ouders;

het wijzigen van de zorgregeling ten aanzien van de vakanties en feestdagen naar een regeling waarbij [minderjarige] conform het volgende schema bij de ouders zal verblijven:

Voorjaarsvakantie

Even jaren: bij de moeder

Oneven jaren: bij de vader

Meivakantie

Even jaren: bij de vader

Oneven jaren: bij de moeder

Zomervakantie

Even jaren: eerste drie weken bij de moeder, laatste drie weken bij de vader

Oneven jaren: eerste drie weken bij de vader, laatste drie weken bij de moeder

*wisselmoment op zaterdag in de derde week om 15:00 uur bij de [overdrachtslocatie] als neutrale locatie, waarbij de vader een derde meeneemt die op gepaste afstand blijft

Herfstvakantie

Even jaren: bij de vader

Oneven jaren: bij de moeder

Kerstvakantie

Even jaren: eerste week bij de moeder, tweede week bij de vader

Oneven jaren: eerste week bij de vader, tweede week bij de moeder

*wisselmoment op zaterdag in de eerste week om 10:00 uur bij de [overdrachtslocatie] als neutrale locatie, waarbij de vader een derde meeneemt die op gepaste afstand blijf

Kerstmis

Even jaren: eerste kerstdag bij de moeder, tweede kerstdag bij de vader

Oneven jaren: eerste kerstdag bij de vader, tweede kerstdag bij de moeder

*wisselmoment op tweede kerstdag om 10:00 uur en daarna op de dag na kerst om 10:00 uur

Verjaardag [minderjarige]

Conform reguliere zorgregeling, met dien verstande dat de verjaardag niet twee jaar achtereenvolgens bij dezelfde ouder wordt gevierd, in dat geval is het jaar daarop bij de andere ouder. Valt de verjaardag op een doordeweekse dag, dan verblijft [minderjarige] van de dag voor zijn verjaardag uit school tot de dag na zijn verjaardag naar school bij de andere ouder. Valt de verjaardag van [minderjarige] op een zaterdag, dan verblijft [minderjarige] van vrijdag uit school tot zondagochtend 10:00 uur bij de andere ouder. Valt de verjaardag van [minderjarige] op een zondag, dan verblijft [minderjarige] van zaterdag 16:00 uur tot maandag naar school bij de andere ouder.

Moederdag

Bij de moeder van zaterdag voor Moederdag om 15:00 uur tot maandag naar school

Vaderdag

Bij de vader van zaterdag voor Vaderdag om 15:00 uur tot maandag naar school

waarbij de vakantieregeling geldt van vrijdag uit school tot maandag naar school, met uitzondering van de zomervakantie en kerstvakantie;

het bepalen van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder;

het beëindigen van het gezamenlijk ouderlijk gezag en het bepalen van eenhoofdig gezag bij de moeder;

het veroordelen van de man in de kosten van de onderhavige procedure en de buitengerechtelijke procedure en de buitengerechtelijke advocaatkosten te voldoen aan de vrouw binnen veertien dagen na dagtekening van de beschikking en – voor het geval van voldoening van de proceskosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente en over de proceskosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

e.e.a. voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

De vader voert verweer tegen de verzoeken van de moeder en verzoekt zelfstandig de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader te bepalen en te bepalen dat de zorgregeling tussen [minderjarige] en de vader herleeft, e.e.a. voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

Op de standpunten van partijen wordt hierna ingegaan.

4. De standpunten

De moeder

Gezag

Volgens de moeder is sprake van een patroon van intieme terreur door de vader. Dit is door professionele instanties gesignaleerd en door de rechtbank in de beschikking van 2 juli 2025 feitelijk vastgesteld. De moeder heeft in 2022 en 2023 meerdere aangiftes gedaan wegens stalking door de vader. De vader heeft toen een straatverbod gekregen. In augustus 2023 is de vader aangehouden, waarbij in zijn auto en huurauto een mes, een zwaard en een trackingsysteem werden gevonden. De vader heeft het plaatsen van een tracker onder de auto van de moeder erkend en mocht met een enkelband zijn vervolging thuis afwachten. Op 30 oktober 2023 is de vader opnieuw gearresteerd op verdenking van een bedreiging met de dood door middel van het versturen van rouwkransen met data van overlijden aan personen in de vriendenkring van de moeder. De vader heeft toen bijna een jaar in voorlopige hechtenis gezeten. De moeder betwist dat de vader uiteindelijk is vrijgesproken, zoals hij zelf stelt.

Daarnaast is, volgens de moeder, de vader tot op heden nog steeds weigerachtig om het paspoort van [minderjarige] terug te geven in weerwil van de afspraken die zijn gemaakt onder regie van de GI, was hij weigerachtig toestemming te verlenen voor de aanvraag van een vervangende identiteitskaart en informeert hij de moeder niet als [minderjarige] ziek is. Ook geeft de vader een tegenstrijdig signaal af bij de hulpverlening. De vader beschuldigt de moeder van het negatief spreken over hem tegen [minderjarige] , terwijl uit het verslag van iHub juist blijkt dat de vader [minderjarige] belast met negatieve uitingen over de moeder. Ook wordt in het verslag beschreven dat de vader en zijn partner weerstand tonen tegen de aangereikte aanpak die is gericht op Parallel Solo Ouderschap (PSO). De vader geeft daarbij aan de intentie te hebben terug te gaan naar een co-ouderschap in plaats van PSO. Verder heeft de vader in aanloop naar de mondelinge behandeling bij de rechtbank aangegeven dat [minderjarige] graag met de rechtbank wil praten, ondanks dat de GI eerder heeft geconcludeerd dat uit de tweede brief die [minderjarige] heeft gestuurd naar de rechtbank blijkt dat hij nog steeds klem lijkt te zitten en wordt belast met volwassenenproblematiek.

Het voorgaande schetst volgens de moeder een patroon van controle en dwang dat naadloos past binnen intieme terreur. Gezamenlijk gezag fungeert in een dergelijke situatie als controle-instrument. Dit blijkt ook uit de gedragingen van de vader. Dit patroon zet zich al jaren voort en niet te verwachten is dat er binnen afzienbare tijd verbetering komt. Bij de beoordeling dient artikel 3 van het Internationale Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) en artikel 31 van het verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul) te worden betrokken. Van de moeder kan niet worden gevergd dat zij in de toekomst voor het nemen van gezagsbeslissingen met de vader in overleg treedt. Eenhoofdig gezag zal rust brengen bij de moeder, maar ook in het gezin van de moeder. De moeder acht daarom een wijziging van het gezag in het belang van [minderjarige] noodzakelijk.

Verdeling van zorg- en opvoedtaken

De moeder benadrukt dat het verzoek tot eenhoofdig gezag niet is gericht op het beperken van contact tussen de vader en [minderjarige] . De moeder verzoekt immers de week-op-week-af regeling te handhaven. De wissel vindt plaats via school op woensdag. Hierdoor treffen de ouders elkaar niet. Wel verzoekt de moeder om af te wijken van het voorgestelde vakantieschema van de GI. Het schema van de moeder wijkt ten aanzien van de voorjaars-, mei-, herfst- en kerstvakantie af. De voorkeur van de moeder gaat uit naar een regeling waarbij [minderjarige] de gehele vakantie bij één van de ouders verblijft om zo overdrachten waarbij de ouders elkaar tegenkomen te voorkomen. Om die reden wil de moeder ook geen aparte regeling voor de feestdagen. Wat moeder betreft kan de reguliere zorgregeling doorlopen. De moeder kan zich wel kan vinden in het advies van de GI om de overdrachten in de kerstvakantie en de zomervakantie op maandag om 9 uur in de [overdrachtslocatie] te laten plaatsvinden.

Hoofdverblijfplaats

De moeder acht het in het belang van [minderjarige] als hij zijn hoofdverblijfplaats bij haar krijgt aangezien dit bijdraagt aan de noodzakelijke stabiliteit in de leefomgeving van [minderjarige] . De vader heeft ruime tijd in detentie gezeten. De moeder is de afgelopen jaren de stabiele factor geweest. Daarnaast is de huidige inschrijving bij de vader onder druk tot stand gekomen. Met de bepaling van het hoofdverblijf bij de moeder wordt voorkomen dat het hoofdverblijf bij de vader fungeert als een aanvullend administratief middel waarmee invloed kan worden uitgeoefend. Ook wenst de moeder te verhuizen naar een ruimere woning. Slechts in geval [minderjarige] bij de moeder staat ingeschreven, komt zij in aanmerking voor een ruimere huurwoning.

De vader

Gezag

De vader voert verweer tegen het verzoek van de moeder tot eenhoofdig gezag en stelt daartoe het volgende. De vader heeft inmiddels bewezen dat hij goed in staat is te communiceren over belangrijke aangelegenheden die [minderjarige] betreffen. Het ligt op de weg van de moeder om ook zelf een stap te zetten om over haar weerstand tegen de vader heen te groeien en te leren hoe zij [minderjarige] kan ondersteunen in het contact met de vader. Voor het behouden van het gezamenlijk gezag is ook het PSO-traject ingezet. Ouders hebben reeds een fors traject afgelegd en zijn er nog niet. Het is belangrijk dat er structuur en duidelijkheid komt, waarmee rust wordt geboden en partijen elkaar naar de toekomst toe positief stimuleren in het contact met de andere ouder.

Daarnaast gaat het steeds over gebeurtenissen in het verleden volgens de vader. De vraag is of deze gebeurtenissen voldoende zijn om het gezag van de vader te beëindigen. De vader vindt het ook jammer dat vooral gefocust wordt op hem. De vader ziet zelf ook een patroon bij de moeder, gelet op haar vorige relaties. De moeder beschuldigde haar ex-partner van hetzelfde en jeugdzorg was ook bij haar andere kinderen betrokken. Daarnaast is er ook een ernstig incident geweest, waarbij [minderjarige] in de woning van de moeder een schaaltje cocaïne heeft gevonden. Gelet hierop zou de vader ook kunnen verzoeken om hem te belasten met het eenhoofdig gezag.

De vader voert aan dat er geen contra indicaties zijn voor het voortzetten van het gezamenlijk gezag. De afgelopen drie jaar zijn er geen incidenten geweest bij de vader. De angsten en gevoelens van de moeder zijn onterecht. Het beëindigen van het gezamenlijk gezag zal ook tot disruptie leiden en een bron van conflict zijn. Daarnaast heeft de vader er geen vertrouwen in dat de moeder hem zal blijven informeren en consulteren als hij geen gezag meer heeft.

Zorgregeling

De vader voert verweer tegen de vakantie- en feestdagenregeling. Partijen hebben sinds 2023 afspraken gemaakt over de feestdagen en vakanties en deze afspraken zijn sindsdien ongewijzigd. Dit biedt rust, duidelijkheid en voorspelbaarheid. [minderjarige] heeft aangegeven de regeling als fijn te ervaren. De vader vindt het daarom niet in het belang van [minderjarige] om de regeling aan te passen.

Hoofdverblijfplaats

Volgens de vader is er geen enkele reden om het hoofdverblijf van [minderjarige] te wijzigen, omdat partijen op basis van een gelijke verdeling van de zorgtaken invulling geven aan de zorgregeling. De werkelijke reden is materieel van aard. De moeder wil subsidies ontvangen en een grotere woning. De moeder wil [minderjarige] daarvoor inzetten, en dat zou niet moeten worden toegestaan.

Advies van de Raad

De Raad adviseert als volgt. Op het moment dat sprake is van co-ouderschap dan wel PSO, en het kind de ene periode bij de ene ouder is en de andere periode bij de andere ouder, vindt de Raad het lastig inschatten hoe het ouderschap moet worden vormgegeven als sprake is van eenhoofdig gezag. Ook gelet op de afwezige communicatie tussen de ouders. [minderjarige] verblijft dan een groot deel van de tijd bij een ouder die geen gezag heeft. Het is voor die ouder dan lastig om het ouderschap in te vullen.

De Raad vindt het verder lastig om in te schatten wat de beslissingen van de rechtbank zullen betekenen voor [minderjarige] . De situatie is te groot en te complex om verregaand advies te geven. Ondanks dat de procedure al lang loopt, biedt de Raad aan om daarnaar onderzoek uit te voeren.

De GI

De GI brengt het volgende naar voren. De ouders hebben het PSO-traject gevolgd, maar niet afgerond. De hulpverlening (iHub) heeft aangegeven dat het hoogst haalbare in het traject is behaald en dat, anders dan eerder gerapporteerd, het niet alsnog gaat lukken om verdere resultaten te behalen, ook niet wanneer de kwesties rondom het gezag zijn geregeld. Het is niet gelukt om een door beide ouders gedragen levensverhaal voor [minderjarige] op te stellen, omdat de visies van de ouders op het verleden te veel van elkaar afwijken. De GI deelt de mening van de hulpverlening dat het hoogst haalbare is bereikt in het traject. Daarnaast heeft de vader aangegeven geen hulpvraag te hebben, wat een voorwaarde is voor deelname aan het traject. Wel zou de moeder nog een individueel traject kunnen starten als ze nog een hulpvraag heeft.

Nu het PSO-traject voortijdig is gestopt, adviseert de GI om alle afspraken rondom de zorgregeling vast te leggen zodat er geen reden of ruimte is voor discussie. De GI heeft daartoe een voorstel voor een zorgregeling gedaan. Het is het voornemen van de GI om voor de einddatum van de huidige OTS een borgingsplan op te stellen om een goed verloop van het gezamenlijk ouderschap na afloop van de OTS zeker te stellen. In dat borgingsplan zullen de probleempunten die nog zijn blijven liggen doordat het PSO-traject niet is afgerond, worden geadresseerd. De GI zal ook zelf zorgdragen voor voorlichting van [minderjarige] , bij gebreke van een door beide ouders opgesteld levensverhaal, nu [minderjarige] daaraan behoefte heeft.

5. De verdere beoordeling

De rechtbank neemt over en blijft bij wat zij heeft overwogen en beslist in haar beschikking

van 2 juli 2025.

Kindgesprek

Op 29 mei 2026 heeft de advocaat van de vader de rechtbank een e-mail gestuurd waarin wordt aangegeven dat [minderjarige] met de rechter wil spreken. De rechtbank heeft vervolgens partijen bericht dat [minderjarige] vooralsnog niet zou worden uitgenodigd voor een kindgesprek en dat dit verder besproken zal worden tijdens de mondelinge behandeling.

Tijdens de mondelinge behandeling is door de vader naar voren gebracht dat [minderjarige] bij hem te kennen heeft gegeven graag met de rechtbank te willen praten, omdat hij zich niet serieus genomen voelt. Hij heeft het gevoel dat over hem wordt gesproken en niet met hem. De GI en de moeder hebben zich daarentegen op het standpunt gesteld dat een kindgesprek te belastend zal zijn voor [minderjarige] , gelet op inhoud van de eerdere brieven op naam van [minderjarige] die in het kader van de OTS door de vader zijn ingediend.

De rechtbank beslist dat [minderjarige] niet zal worden uitgenodigd voor een kindgesprek. De reden daarvoor is het navolgende.

Gedurende deze procedure en de procedure met betrekking tot de verlenging van de ondertoezichtstelling heeft de rechtbank twee keer een brief gestuurd naar [minderjarige] waarin [minderjarige] werd uitgenodigd om zijn mening kenbaar te maken. Als reactie daarop heeft de rechtbank van de vader twee brieven op naam van [minderjarige] ontvangen, waarin onder meer is gesteld dat [minderjarige] meer tijd bij zijn vader zou willen zijn en dat hij sommige dingen in de opvoedsituatie bij de moeder moeilijk vindt. Tijdens de mondelinge behandeling op 21 mei 2026 van de verlenging van de ondertoezichtstelling – zoals weergegeven in de beschikking van 21 mei 2026 met zaak en rekestnummer C/13/776905 / JE RK 25-743 – is door de GI op basis van de inhoud van de twee brieven geconstateerd dat [minderjarige] nog steeds klem lijkt te zitten en wordt belast met volwassenproblematiek. De GI en de kindercoach hebben te kennen gegeven dat zij [minderjarige] niet herkennen in de inhoud en de stijl van de brieven. De moeder heeft gesteld dat zij in aanloop naar de laatste mondelinge behandeling heeft opgemerkt dat [minderjarige] in negatief en boos gedrag liet zien dat hem iets dwars zat en dat hij haar heeft gezegd dat hij meer tijd bij zijn vader moest gaan doorbrengen.

Nu zowel de GI als de kindercoach, die tot voor kort voor lange tijd zeer regelmatig contact heeft gehad met [minderjarige] , hem niet herkennen in de inhoud en de stijl van de brieven, ziet de rechtbank deze brieven met de GI als een signaal dat hij wordt belast met volwassenenproblematiek. De rechtbank verwacht dat een kindgesprek hem het gevoel zal geven dat hij verantwoordelijkheid draagt voor de uitkomst van deze procedure. Dat is niet in zijn belang. Om die reden heeft de rechtbank ervoor gekozen [minderjarige] niet uit te nodigen en de mededelingen van de GI en de kindercoach als uitgangspunt te nemen voor het bepalen van zijn stem in deze procedure. Dat betekent dat de rechtbank er onder andere vanuit gaat dat [minderjarige] graag bij zijn beide ouders is, dat hij inmiddels is gewend aan de week op, week af regeling, en dat hij het jammer en moeilijk vindt dat zijn ouders niet samen bij voetbalwedstrijden kunnen zijn.

Raadrapport

De rechtbank ziet geen aanleiding om een raadsonderzoek te gelasten. De rechtbank acht zich op basis van de stukken en de mondelinge behandeling voldoende geïnformeerd om te beslissen op de verzoeken. De procedure loopt al lang, partijen wensen een eindbeslissing en hebben daar ook belang bij.

Gezag

Op grond van artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen, als de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van een eerdere beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. In dat geval bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over de minderjarige toekomt. Artikel 1:251a lid 1 en 3 BW zijn van overeenkomstige toepassing.

De rechter kan het verzoek tot beëindiging van het gezamenlijk gezag op grond van artikel 1:251a BW toewijzen als er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren raakt tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt, of als wijziging van het gezag om andere redenen in het belang van het kind noodzakelijk is.

Het uitgangspunt van de wetgever is dat het gezag over de kinderen gezamenlijk door de ouders wordt uitgeoefend. Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over [minderjarige] in gezamenlijk overleg kunnen nemen op een wijze die niet belastend is voor [minderjarige] , althans ten minste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond [minderjarige] kunnen voordoen. De rechtbank herhaalt wat zij in haar beschikking van 2 juli 2025 heeft overwogen, te weten dat in deze specifieke situatie evidente contra-indicaties bestaan voor enig gezamenlijk overleg tussen ouders, in de vorm van de door de Raad in het onderzoeksrapport benoemde rode vlaggen ten aanzien van dwingende controle en de daarmee samenhangende strafrechtelijke vervolging van de vader. De rechtbank heeft daarbij geconcludeerd dat een PSO in deze zaak de enige haalbare ouderschapsvorm voor de ouders lijkt. De situatie tussen de ouders was op dat moment onhoudbaar en verbetering dringend noodzakelijk. Onder meer omdat het PSO-traject toen nog niet was ingezet heeft de rechtbank het verzoek tot eenhoofdig gezag aangehouden. De rechtbank zal nu moeten beoordelen of op dit moment sprake is van een situatie waarin het gezamenlijk gezag kan worden gehandhaafd of dat er gronden bestaan voor eenhoofdig gezag. Daarover overweegt de rechtbank het volgende.

Partijen zijn gestart met het PSO-traject, maar dit traject is voortijdig gestopt. Het hoogst haalbare is bereikt volgens de hulpverlening en de GI. Partijen hebben ieder aanknopingspunten aangereikt gekregen om in het kader van PSO alleen invloed uit te oefenen op hun eigen gezinssituatie. Daardoor is het rustiger geworden, ouders hebben stappen gezet om meer zakelijk met elkaar te communiceren. Binnen het traject is het de ouders echter niet gelukt om tot een gemeenschappelijk, door beide ouders gedragen levensverhaal voor [minderjarige] te komen. Ook is het niet gelukt om afspraken te maken over de wijze waarop het PSO in de praktijk zal worden vormgegeven. Ouders hebben een andere visie op gezamenlijk ouderschap. De vader wenst te komen tot een werkbare vorm van co-ouderschap, hetgeen iets anders is dan Parallel Solo Ouderschap. De moeder wil juist verder met het PSO-traject. De vader heeft echter geen hulpvraag ten aanzien van het geboden PSO-traject, hetgeen betekent dat het niet kan worden voortgezet. In het evaluatieverslag van het PSO-traject geeft iHub aan dat is gepoogd om de vader en zijn partner handvatten te bieden om vanuit een Parallel Ouderschap visie bij [minderjarige] aan te sluiten. In alle gesprekken gaven beiden hierop aan dat ze een bepaalde aanpak al vormgaven, eigenlijk geen vraag hebben op dat gebied en een andere visie en zienswijze passender vonden.

De rechtbank acht het positief dat er meer rust is gekomen in de communicatie tussen de ouders. Uit de stukken en tijdens de mondelinge behandeling is het de rechtbank echter gebleken dat de vader er onvoldoende in slaagt om zijn eigen gezinssituatie los te zien van de gezinssituatie van de moeder. Het lijkt de vader te ontbreken aan het inzicht dan wel de wil om het tijdens het PSO-traject besproken “muurtje” tussen beide situaties in de praktijk te brengen. Een voorbeeld hiervan is dat uit de stukken is gebleken dat de vader met [minderjarige] heeft besproken dat [minderjarige] bij de moeder wel zelfstandig naar school mag fietsen, en dat hij dat bij de vader dat nog niet mag. Tijdens de mondelinge behandeling is met de vader besproken dat hij hierdoor een vergelijking maakt tussen de twee gezinssituaties. Dit staat haaks op de bedoeling van PSO, evenals de per e-mail geuite wens van de vader richting de moeder om van dit soort wijzigingen in de dagelijkse routine bij de moeder op de hoogte gesteld te worden. Daarnaast is gebleken dat de vader recent met [minderjarige] naar de kapper is gegaan, enkele dagen nadat hij bij de moeder samen met zijn oudere broer naar de kapper was geweest en – volgens de moeder – blij was met zijn nieuwe kapsel. Dit past niet bij een neutrale opstelling, die voor het slagen van een PSO essentieel is. De vader heeft te kennen gegeven dat hij dit heeft gedaan omdat [minderjarige] zijn haar toch niet zo leuk vond. Enig inzicht in het problematische van deze situatie voor [minderjarige] heeft de vader niet getoond.

Nog los van het voortijdig beëindigde PSO-traject blijkt dat er nog altijd discussies tussen de ouders zijn – zoals afgelopen voorjaar over waar [minderjarige] met Pasen zou zijn – en ziet de rechtbank nog steeds dat de vader controle probeert uit te oefenen over de moeder. De hiervoor genoemde voorbeelden rondom het naar school fietsen en de kapper duiden op een nog steeds aanwezige wens tot controle. Ook de eis van de vader dat de moeder, nadat zij had aangegeven dat de ID-kaart van [minderjarige] was kwijtgeraakt, hem een aangifte van vermissing van de ID-kaart van [minderjarige] zou overleggen voordat hij een machtiging voor het aanvragen van een nieuwe ID-kaart wilde afgeven is als zodanig te bestempelen. De rechtbank komt aldus tot de conclusie dat het PSO-traject onvoldoende verbetering in de situatie tussen de ouders heeft gebracht, terwijl verdere verbetering niet te verwachten is. De GI stelt dat het nog ontbrekende deel van het PSO-traject zal worden vervangen door een borgingsplan dat zal worden opgesteld in het kader van de afronding van de ondertoezichtstelling. Dit is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om het gezamenlijk gezag voort te zetten, nu de OTS en de in dat kader vastgestelde veiligheidsplannen en regie door de GI tot op heden evenmin tot voldoende verbetering hebben geleid.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat van de moeder niet gevraagd kan worden om samen met de vader de benodigde beslissingen te nemen over [minderjarige] , gelet op de geschiedenis tussen partijen en het verloop van de uitoefening van het gezamenlijk gezag tot nu toe, ook tijdens de OTS. De verwachting is gerechtvaardigd dat gezamenlijk gezag een instrument zal blijven voor het uitoefenen van controle door de vader. De rechtbank verwacht niet dat hierin binnen een aanvaardbare termijn nog voldoende verbetering zal komen. Alle mogelijke hulpverlening is reeds ingezet. De rechtbank zal daarom het gezamenlijk gezag beëindigen en de moeder belasten met het eenhoofdig gezag. Het is nu aan de GI om in het voorgenomen borgingsplan afspraken op te nemen over de wijze van invulling van deze nieuwe situatie, waarbij voor de hand ligt dat samen met partijen afspraken worden gemaakt over informatie en consultatie. Zoals de Raad tijdens de mondelinge behandeling heeft opgemerkt, ligt een week op, week af regeling bij eenhoofdig gezag niet voor de hand. Dit betreft echter een regeling die beide partijen wensen en die door hen al wordt uitgevoerd. Het is nu aan beide partijen om zich actief in te zetten om dit werkbaar te maken.

De rechtbank volgt de vader niet in zijn stelling dat de moeder met het aan haar toekennen van het eenhoofdig gezag wordt beloond, terwijl zij zelf onvoldoende heeft gedaan om haar weerstand tegen de vader te overwinnen. Gelet op het verleden van partijen, waarbij de vader onder meer een tracker onder de auto van de moeder heeft geplaatst en is veroordeeld voor bedreiging met de dood van haar ex-partner, is de weerstand van de moeder alleszins voorstelbaar en haar angst zonder meer invoelbaar. De vader geeft er geen blijk van inzicht te hebben in waar zijn handelen toe heeft geleid, of dat hij is veranderd. Desondanks heeft de moeder [minderjarige] altijd een band met zijn vader gegund – getuige ook haar verzoek tot het vaststellen van een week op, week af regeling in deze procedure – en de rechtbank heeft er vertrouwen in dat zij dat zal blijven doen. De moeder stond bovendien open voor een verdere voortzetting van het PSO-traject, maar door de hiervoor genoemde houding van de vader is dit niet mogelijk. Dat valt de moeder niet te verwijten. Ten slotte overweegt de rechtbank dat het patroon van de moeder zoals gesteld door de vader, waarbij zij ook bij de vader van haar oudere kinderen ten onrechte zou hebben beschuldigd, door de moeder wordt betwist en niet wordt onderbouwd door de vader, zodat de rechtbank hiervan bij de beoordeling niet kan uitgaan.

Hoofdverblijfplaats

Op grond van artikel 1:253a BW kan de rechtbank, in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag, een beslissing geven bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft. Nu de moeder wordt belast met het eenhoofdig gezag is het verzoek tot het vaststellen van de hoofdverblijfplaats niet meer aan de orde. Een minderjarige volgt in dat geval immers de woonplaats van degene die gezag over hem uitoefent. De rechtbank wijst daarom het verzoek af.

Omgangsregeling

Gelet op de beslissing tot beëindiging van het gezamenlijk gezag spreekt de rechtbank hierna over een omgangsregeling. Op grond van artikel 1:377e BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of van een van hen of van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind een beslissing inzake de omgang of een door de ouders onderling getroffen omgangsregeling wijzigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of als bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

De rechtbank zal de reguliere week-op-week-af regeling vastleggen zoals verzocht door de moeder. De vader is het eens met deze regeling. Daarnaast blijkt dat deze regeling waarbij de overdracht via school plaatsvindt, zorgt voor rust en duidelijkheid bij [minderjarige] en dat hij hier inmiddels aan gewend is. Het is nu zoals gezegd aan de GI om samen met de ouders in het borgingsplan afspraken te maken over de wijze waarop hieraan verder invulling moet worden gegeven in de situatie waarin de moeder is belast met het eenhoofdig gezag, en om nog openstaande punten verder te concretiseren. Zo ligt het voor de hand dat zal worden vastgelegd dat de vader en de moeder in de zorgweek van de ander niet aanwezig zijn bij voetbal van [minderjarige] en bij belangrijke gebeurtenissen zoals een kerstviering op school. Ook zal moeten worden vastgelegd hoe zal worden gehandeld in geval van ziekte van [minderjarige] , en in het geval de [overdrachtslocatie] gesloten is.

Ten aanzien van de vakantie- en feestdagenregeling overweegt de rechtbank dat gebleken is dat het in het belang van [minderjarige] is als er zo min mogelijk wisselingen plaatsvinden. De vakantie- en feestdagenregeling zoals is vastgesteld bij beschikking van 29 maart 2023 – de regeling die de vader wil behouden – bevat tijdens de vakanties en feestdagen nog enige wisselmomenten. Dat geldt ook voor de regeling die is voorgesteld door de GI. De regeling zoals verzocht door de moeder bevat zo min mogelijk wisselmomenten. De rechtbank zal deze regeling daarom als zodanig vastleggen, met enige kleine aanpassingen in het belang van [minderjarige] en met dien verstande dat de rechtbank het voorstel van de GI zal volgen ten aanzien van de overdrachtsmomenten in de zomer- en kerstvakantie. De rechtbank merkt voor alle duidelijkheid op dat uit het voorgaande voortvloeit dat tijdens de feestdagen waarvoor geen regeling is vastgesteld, de reguliere zorgregeling geldt.

Proceskosten

De moeder verzoekt de vader te veroordelen in de proceskosten. De rechtbank bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt zoals dit gebruikelijk is in familiezaken. De rechtbank wijst het verzoek van de moeder af.

6. De beslissing

De rechtbank:

beëindigt het gezamenlijk ouderlijk gezag van de vader en de moeder en belast de moeder voortaan met de uitoefening van het gezag over het minderjarige kind van partijen:

[minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2017,

voor zover de bevoegdheid daartoe niet door een eerdere rechterlijke beslissing is uitgesloten;

wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 29 maart 2023 in zoverre en bepaalt dat [minderjarige] bij de ouders verblijft volgens een week-op-week-af regeling, waarbij de wissel op woensdag via school verloopt en in het geval van een studiedag vindt het overdrachtsmoment plaats om 09:00 uur bij de [overdrachtslocatie] waarbij de vader een derde meeneemt die op gepaste afstand blijft;

wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 29 maart 2023 in zoverre en bepaalt de volgende verdeling van vakanties- en feestdagen:

Voorjaarsvakantie

Even jaren: bij de moeder.

Oneven jaren: bij de vader.

Meivakantie

Even jaren: bij de vader.

Oneven jaren: bij de moeder.

Zomervakantie

Even jaren: eerste drie weken bij de moeder, laatste drie weken bij de vader.

Oneven jaren: eerste drie weken bij de vader, laatste drie weken bij de moeder.

*wisselmoment op zaterdag in de derde week om 09:00 uur bij de [overdrachtslocatie] als neutrale locatie, waarbij de vader een derde meeneemt die op gepaste afstand blijf

Herfstvakantie

Even jaren: bij de vader.

Oneven jaren: bij de moeder.

Kerstvakantie

Even jaren: eerste week bij de moeder, tweede week bij de vader.

Oneven jaren: eerste week bij de vader, tweede week bij de moeder.

*wisselmoment op zaterdag in de eerste week om 09:00 uur bij de [overdrachtslocatie] als neutrale locatie, waarbij de vader een derde meeneemt die op gepaste afstand blijft.

Kerstmis

Even jaren: eerste kerstdag bij de moeder, tweede kerstdag bij de vader.

Oneven jaren: eerste kerstdag bij de vader, tweede kerstdag bij de moeder.

*wisselmoment op tweede kerstdag om 10:00 uur en daarna op de dag na kerst om 10:00 uur.

Verjaardag [minderjarige]

Conform reguliere zorgregeling, met dien verstande dat de verjaardag niet twee jaar achtereenvolgens bij dezelfde ouder wordt gevierd, in dat geval is het jaar daarop bij de andere ouder. Valt de verjaardag op een doordeweekse dag, dan verblijft [minderjarige] van de dag voor zijn verjaardag uit school tot de dag na zijn verjaardag naar school bij de andere ouder. Valt de verjaardag van [minderjarige] op een zaterdag, dan verblijft [minderjarige] van vrijdag uit school tot zondagochtend 10:00 uur bij de andere ouder. Valt de verjaardag van [minderjarige] op een zondag, dan verblijft [minderjarige] van zaterdag 16:00 uur tot maandag naar school bij de andere ouder.

Moederdag

Bij de moeder van zaterdag voor Moederdag om 15:00 uur tot maandag naar school.

Vaderdag

Bij de vader van zaterdag voor Vaderdag om 15:00 uur tot maandag naar school.

waarbij de vakantieregeling geldt van de laatste schooldag voor de vakantie uit school tot de eerste schooldag na de vakantie naar school;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. V. Zuiderbaan, voorzitter tevens kinderrechter, mr. E.M. Devis en mr. H.C. Hoogeveen, rechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. R. Muller, griffier, op 12 augustus 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. V. Zuiderbaan
  • mr. E.M. Devis
  • mr. H.C. Hoogeveen

Griffier

  • mr. R. Muller

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand