RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/030450-26
Datum uitspraak: 26 augustus 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[de verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 2002,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
en gedetineerd in: [J.C.] ,
hierna te noemen: verdachte.
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 augustus 2026
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. W.J. Nijkerk, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. E.G.S. Roethof, naar voren hebben gebracht. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij/aangeefster] en van wat mr. D.W. Roos, advocate van [benadeelde partij/aangeefster] , namens haar naar voren heeft gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op één of meerdere tijdstip(pen) in de periode van 18 december 2025 tot en met 25 januari 2026 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan
feit 1:
(gekwalificeerde) opzetverkrachting van [benadeelde partij/aangeefster] ;
feit 2:
mishandeling van [benadeelde partij/aangeefster] .
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3. Waardering van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde gekwalificeerde opzetverkrachting en mishandeling.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 1 tenlastegelegde gekwalificeerde opzetverkrachting. De verklaringen van aangeefster bevatten teveel inconsistenties en tegenstrijdigheden waardoor er twijfel bestaat over de vraag of er op 18 december 2025 en 25 januari 2026 verkrachtingen hebben plaatsgevonden. Voor wat betreft de onder 2 tenlastegelegde mishandeling van 18 december 2025 moet verdachte worden vrijgesproken, omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is.
Het oordeel van de rechtbank
Gekwalificeerde) opzetverkrachting en mishandeling
Het bewijs in zedenzaken
De rechtbank stelt voorop dat zedenzaken zich over het algemeen kenmerken door het feit dat het vaak het woord van de aangever/aangeefster is tegen het woord van degene tegen wie aangifte is gedaan.
In het geval dat de veronderstelde dader ontkent, moet de rechter allereerst beoordelen of aan het bewijsminimum is voldaan. De bewijsminimumregel van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering houdt in dat het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Er moet sprake zijn van steunbewijs, dat afkomstig is van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat voor een bewezenverklaring van de tenlastegelegde handelingen niet is vereist dat die handelingen als zodanig bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal. Het is voldoende dat de verklaring van de aangever, als die betrouwbaar wordt bevonden, op bepaalde punten bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, afkomstig van een andere bron dan de aangever. Daar staat tegenover dat tussen de verklaring van de aangever en dat overige bewijsmateriaal een niet te ver verwijderd verband mag bestaan.
In deze zaak staat niet ter discussie dat verdachte op 25 januari 2026 seksuele handelingen heeft verricht met aangeefster. De vraag die de rechtbank eerst moet beoordelen, is of bij aangeefster daartoe de wil ontbrak.
Betrouwbaarheid verklaring aangeefster
Aangeefster [benadeelde partij/aangeefster] (hierna: [benadeelde partij/aangeefster] ) heeft op 26 januari 2026 verklaard dat zij op 25 januari 2026 door verdachte in zijn woning is mishandeld. Zo heeft zij onder meer verklaard dat verdachte haar op haar gezicht heeft geslagen, dat hij haar tegen haar benen en knieën heeft getrapt, dat hij haar bij de riemlus van haar broek heeft opgetild en haar liet vallen en dat hij haar hoofd heeft vastgepakt en haar hoofd tegen de vloer heeft gegooid. Diezelfde dag heeft er vervolgens ook een informatief gesprek zeden plaatsgevonden, gevolgd door een uitgebreide tweede aangifte op 30 januari 2026. In die aangifte heeft zij vergelijkbaar verklaard als haar eerdere verklaringen over het geweld. Daarnaast heeft zij, net als bij het informatief gesprek zeden, verklaard dat verdachte haar op een gegeven moment na het geweld begon uit te kleden, haar vingerde, haar kuste op haar nek, haar befte en uiteindelijk vaginaal penetreerde. [benadeelde partij/aangeefster] heeft daarbij meermaals tegen verdachte gezegd dat zij daarvoor geen energie had vanwege de pijn. Verder heeft [benadeelde partij/aangeefster] zowel tijdens het informatief gesprek zeden als in haar aangifte van 30 januari 2026 verklaard dat zij de woning van verdachte wilde verlaten en hem daarom heeft gevraagd of zij naar de Albert Heijn konden gaan. Zij heeft daarbij verklaard dat zij van verdachte een capuchon en een bril op moest zetten.
De rechtbank vindt deze verklaring betrouwbaar. [benadeelde partij/aangeefster] heeft zeer kort na het voorval meerdere verklaringen afgelegd, die naar het oordeel van de rechtbank – en anders dan bepleit door de raadsman – in grote lijnen en op essentiële punten niet alleen uitgebreid, specifiek en gedetailleerd, maar ook consistent zijn. Bovendien heeft [benadeelde partij/aangeefster] op een vraag van de verbalisant of zij ook andere seksuele handelingen moest verrichten bij verdachte dan waarover zij heeft verklaard ontkennend geantwoord en is er – zoals uit het navolgende nog zal blijken – sprake van steun voor de verklaringen van [benadeelde partij/aangeefster] . Deze omstandigheden dragen naar het oordeel van de rechtbank ook bij aan de betrouwbaarheid daarvan.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de verklaringen van [benadeelde partij/aangeefster] voldoende betrouwbaar en zal zij deze gebruiken voor het bewijs.
Steunbewijs
De rechtbank is van oordeel dat er ook voldoende steunbewijs aanwezig is dat de verklaring van [benadeelde partij/aangeefster] op essentiële onderdelen ondersteunt. Uit het letselonderzoek volgt dat [benadeelde partij/aangeefster] ernstig letsel heeft opgelopen. De plekken waar zij letsel heeft opgelopen en de mate van het letsel aan haar hoofd komen overeen met de door haar beschreven geweldshandelingen van verdachte. Verder heeft verdachte op de terechtzitting verklaard dat hij haar die desbetreffende dag heeft geslagen, dat het letsel dat zij heeft opgelopen aan hem is toe te schrijven en dat zij seks hebben gehad met elkaar. Daarnaast blijkt uit de camerabeelden van de Albert Heijn [adres filiaal] in Amsterdam dat [benadeelde partij/aangeefster] op de door haar beschreven wijze, namelijk met een capuchon en een bril op, naar die winkel is gegaan. Gelet op het voorgaande worden concrete, essentiële onderdelen van de verklaringen van [benadeelde partij/aangeefster] ondersteund.
Alternatief scenario verworpen
Verdachte heeft op de terechtzitting van 12 augustus 2026 voor het eerst verklaard dat hij en [benadeelde partij/aangeefster] op 25 januari 2026 voorafgaand aan de ruzie tussen hen en het daaropvolgend geweld vrijwillige seks met elkaar hebben gehad. De rechtbank acht deze verklaring onaannemelijk. Daartoe overweegt zij dat verdachte gedurende het strafproces meermalen in de gelegenheid is gesteld om een verklaring over de gebeurtenis op die dag af te leggen. In plaats daarvan heeft hij tegenover de politie zich beroepen op zijn zwijgrecht, heeft hij vervolgens bij de rechter-commissaris de geweldshandelingen ontkend maar wel verklaard met [benadeelde partij/aangeefster] seks te hebben gehad, waarna hij op de terechtzitting van 22 mei 2026 heeft verklaard [benadeelde partij/aangeefster] wél te hebben mishandeld. Op geen van deze momenten heeft verdachte verklaard dat de seks voorafgaand aan het geweld heeft plaatsgevonden. Gelet op dit verloop en de wisselende verklaring van verdachte daarbij, acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat hij voorafgaand aan het geweld seks heeft gehad met [benadeelde partij/aangeefster] niet aannemelijk. De rechtbank verwerpt daarom deze alternatieve lezing van verdachte en volgt de lezing van [benadeelde partij/aangeefster] .
Bewezenverklaring van gekwalificeerde opzetverkrachting en mishandeling
Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verdachte [benadeelde partij/aangeefster] op 25 januari 2025 ernstig heeft mishandeld. Kort na die mishandeling – en dus na het geweld – heeft verdachte seks gehad met [benadeelde partij/aangeefster] . Zij heeft verklaard dat zij – mede door het eerdere geweld – bang was om zich tegen verdachte te verzetten en aan verdachte te zeggen dat zij geen seks wilde. Wel heeft zij meermalen tegen hem gezegd dat zij door de pijn geen energie had voor seks. Verdachte is toch doorgegaan met de beschreven seksuele handelingen. Door het voorafgaande geweld en voornoemde mededelingen van [benadeelde partij/aangeefster] kan het niet anders zijn dan dat verdachte wist dat bij [benadeelde partij/aangeefster] de wil tot de verrichte seksuele handelingen ontbrak. De rechtbank komt daarom tot de bewezenverklaring van de onder 1 tenlastegelegde gekwalificeerde opzetverkrachting en de onder 2 tenlastegelegde mishandeling.
Vrijspraak van 18 december 2025
De rechtbank zal verdachte wel vrijspreken van de gekwalificeerde opzetverkrachting en de mishandeling die op 18 december 2025 zouden hebben plaatsgevonden. In het dossier bevinden zich geen bewijsmiddelen die de verklaring van aangeefster ondersteunen dat er op die dag seksuele handelingen zijn verricht. Verdachte heeft verder ontkend [benadeelde partij/aangeefster] op die dag te hebben mishandeld en er heeft kort na die dag geen letselonderzoek plaatsgevonden. Ook blijkt niet op een andere manier uit het dossier dat aangeefster op of na 18 december 2025 letsel heeft gehad. Het letselonderzoek van 27 januari 2026 heeft pas veel later plaatsgevonden, zodat niet kan worden vastgesteld dat dat letsel deels het gevolg is geweest van hetgeen zou zijn voorgevallen op 18 december 2025.
4. Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
feit 1:
op 25 januari 2026 te Amsterdam, met [benadeelde partij/aangeefster] seksuele handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
- het onverhoeds ontdoen van de kleding (waaronder de ondergoed) van die [benadeelde partij/aangeefster] en
- die [benadeelde partij/aangeefster] in bed te plaatsen en
- het aanraken en betasten van de vagina van die [benadeelde partij/aangeefster] en
- het zoenen in de nek van die [benadeelde partij/aangeefster] en
- het onverhoeds spreiden van de benen van die [benadeelde partij/aangeefster] en
- het meermaals onverhoeds brengen en/of houden en/of duwen van zijn, verdachtes, penis en tong en vinger in de vagina van die [benadeelde partij/aangeefster] ;
terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [benadeelde partij/aangeefster] daartoe de wil ontbrak
en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door geweld, door
- die [benadeelde partij/aangeefster] te slaan en te schoppen en tegen de grond te gooien en
- zich agressief te uiten richting die [benadeelde partij/aangeefster] en
- die [benadeelde partij/aangeefster] op bed te plaatsen en uit te kleden.
feit 2:
op 25 januari 2026 te Amsterdam [benadeelde partij/aangeefster] heeft mishandeld door die [benadeelde partij/aangeefster] kopstoten te geven en meermalen tegen het gezicht en het hoofd van die [benadeelde partij/aangeefster] te slaan en tegen het lichaam te schoppen en te trappen en die [benadeelde partij/aangeefster] op te tillen en vervolgens tegen de grond te gooien en tegen de grond te slaan.
5. De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6. De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7. Motivering van de straf en maatregel
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, waarbij bij het voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarden worden opgelegd zoals geadviseerd door de reclassering. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel zoals bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht in de zin van een contactverbod met [benadeelde partij/aangeefster] en een locatieverbod voor de wijk [wijk] wordt opgelegd voor de duur van drie jaar en waarbij wordt bepaald dat voor iedere overtreding van die maatregel telkens twee weken vervangende hechtenis wordt opgelegd.
Het standpunt van de verdediging
Gelet op de bepleitte vrijspraak van de tenlastegelegde (gekwalificeerde) opzetverkrachting heeft de raadsman geen strafmaatverweer gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
De aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een gekwalificeerde opzetverkrachting en mishandeling van zijn ex-partner. Hij heeft ernstig geweld gebruikt tegen zijn ex-partner en heeft korte tijd daarna seksuele handelingen bij haar verricht. Als gevolg van de mishandeling was het slachtoffer te bang om zich daartegen te verzetten. Zij heeft wel meermalen tegen verdachte gezegd dat zij geen seks wilde, omdat zij daar geen energie voor had door de pijn en het letsel. Verdachte is toch doorgegaan. Hiermee heeft hij een zeer grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke en seksuele integriteit van het slachtoffer. Hij heeft de belangen van het slachtoffer volkomen ondergeschikt gemaakt aan zijn eigen seksuele behoeften en verlangens.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 17 juni 2026, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van de reclasseringsrapporten over verdachte, waaronder het meest recente rapport van 21 mei 2026. Hieruit volgt dat verdachte problemen heeft met agressie- en emotieregulatie en vermoedelijke trauma gerelateerde klachten heeft. De kans op recidive schat de reclassering in als matig-hoog en zij ziet aanleiding voor reclasseringstoezicht. Bij een veroordeling adviseert zij het opleggen van de volgende bijzondere voorwaarden: 1) meldplicht bij de reclassering, 2) ambulante behandeling, 3) verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, 4) contactverbod, 5) locatieverbod.
De straf
Gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde is de rechtbank van oordeel dat geen andere straf dan een langdurige (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf is gerechtvaardigd. Bij het bepalen van de hoogte van die straf heeft zij rekening gehouden met de afspraken die rechtbanken onderling hebben gemaakt voor strafoplegging (de LOVS-oriëntatiepunten) en met straffen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd.
Alles overwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 30 maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Aan het voorwaardelijk strafdeel legt de rechtbank de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering op. De rechtbank komt tot een lagere straf dan is geëist door de officier van justitie, omdat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt.
De vrijheidsbeperkende maatregel
De rechtbank legt aan verdachte de door de officier van justitie gevorderde vrijheidsbeperkende maatregel op, inhoudende het contact- en locatieverbod zoals geadviseerd door de reclassering. Het doel van deze maatregel is onder andere ter voorkoming van strafbare feiten. De rechtbank legt de maatregel op omdat zij van oordeel is dat er rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich op een andere manier belastend naar [benadeelde partij/aangeefster] toe zal gedragen. Uit het eerder genoemde rapportage blijkt immers dat het gevaar voor herhaling matig-hoog is. De rechtbank zal deze maatregel opleggen voor een periode van drie jaar.
Dadelijke uitvoerbaarheid
Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte – zonder de juiste behandeling en begeleiding – opnieuw een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens bepaalde personen, beveelt de rechtbank, gelet op artikelen 14e en 38v, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, dat de opgelegde bijzondere voorwaarden en maatregel, dadelijk uitvoerbaar zijn.
8. De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij [benadeelde partij/aangeefster] vordert € 344,38 aan vergoeding van materiële schade en
€ 15.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, omdat deze voldoende is onderbouwd en het rechtstreeks gevolg is van de tenlastegelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, gelet op de bepleitte vrijspraak van de onder 2 tenlastegelegde gekwalificeerde opzetverkrachting.
Het oordeel van de rechtbank
De door de benadeelde partij gevorderde materiële schade van € 344,38 (bestaande uit betaling van de eigen risico van de zorgverzekering) is voldoende onderbouwd en staat in rechtstreeks verband tot de door verdachte gepleegde strafbare feiten, zodat deze schade voor vergoeding in aanmerking komt. De hoogte van deze schadepost is bovendien niet weersproken. Gelet op het voorgaande wordt de materiële vordering toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (te weten 25 januari 2026).
De benadeelde partij vordert daarnaast een bedrag van € 15.000,- aan immateriële schade. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende onderbouwd dat de benadeelde partij lichamelijk en geestelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van de bewezenverklaarde feiten. Zo heeft de benadeelde partij onder meer een schaafwond en meerdere blauwe plekken opgelopen. Daarnaast ervaart zij PTSS-klachten, waaronder angstklachten, verhoogde alertheid, angst om verdachte tegen te komen, herbelevingen, nachtmerries, slecht slapen en concentratieproblemen. Gelet hierop en rekening houdend met bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend en met de Rotterdamse Schaal is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 7.500,- billijk is mede gelet op de partiele vrijspraak. Zij wijst de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (te weten 25 januari 2026). De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in het overige deel van haar vordering.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14e, 36f, 38v, 38w, 57, 243 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
10. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
ten aanzien van feit 1:
gekwalificeerde opzetverkrachting;
ten aanzien van feit 2:
mishandeling
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [de verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 (dertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een deel van deze gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als verdachte gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
1. Meldplicht bij reclassering:
Verdachte meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie werkdagen (tussen 9:00 en 12:00 uur) nadat de proeftijd is ingegaan bij Leger des Heils Reclassering op het adres [adres] in Amsterdam.
2. Ambulante behandeling:
Verdachte laat zich gedurende de proeftijd behandelen door de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zo snel mogelijk. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, seksueel grensoverschrijdend gedrag, delict preventie en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.
3. Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang:
Verdachte verblijft gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt in Wonen met Kansen of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start zo snel mogelijk. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.
4. Contactverbod:
Verdachte zoekt of heeft gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact met [benadeelde partij/aangeefster] , geboren op [geboortedatum] .
5. Locatieverbod (met elektronisch toezicht):
Verdachte bevindt zich gedurende het reclasseringstoezicht niet in [wijk] in [plaats] . Verdachte werkt mee aan elektronische monitoring op dit locatieverbod. Verdachte gaat niet naar het buitenland zonder toestemming van de reclassering, omdat het voor elektronische monitoring nodig is dat verdachte in Nederland blijft. Het Openbaar Ministerie kan op verzoek van de reclassering dit locatieverbod (deels) laten vervallen. De aansluiting van het elektronische monitoringmiddel kan plaatsvinden vanaf de derde werkdag nadat de reclassering is geïnformeerd over de ingangsdatum. De aansluiting zal plaatsvinden in de Penitentiaire Inrichting.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de verdachte gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Legt op de maatregel dat verdachte voor de duur van drie jaren zich niet bevindt in de [wijk] in [plaats] en op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [benadeelde partij/aangeefster] , geboren op [geboortedatum] , tenzij het Openbaar Ministerie toestemming daartoe heeft gegeven.
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 14 (veertien) dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, tot een maximum van 6 (zes) maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens bepaalde personen, beveelt de rechtbank, gelet op artikel 38v, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, dat de opgelegde maatregel, dadelijk uitvoerbaar is.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij/aangeefster] :
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij/aangeefster] toe tot een bedrag van € 7844,38 (zevenduizend achthonderdvierenveertig euro en achtendertig eurocent), bestaande uit € 7.500,- (zevenduizend vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade en € 344,38 (driehonderdvierenveertig euro en achtendertig eurocent) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade van 25 januari 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in haar vordering.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel:
Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde partij/aangeefster] van een bedrag van € 7844,38 (zevenduizend achthonderdvierenveertig euro en achtendertig eurocent), bestaande uit € 7.500,- (zevenduizend vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade en € 344,38 (driehonderdvierenveertig euro en achtendertig eurocent) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade van 25 januari 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt 64 dagen gijzeling toegepast. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C. Klomp, voorzitter,
mrs. R.A. Sipkens en D. Segbedzi, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. T. Alexeas, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 augustus 2026.
[--]