RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Parketnummers: 15/168690-25 (A) en 13/078249-25 (B)
Datum uitspraak: 1 september 2026
Vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2004 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven en verblijvende op het adres [adres] , [woonplaats] ,
hierna: de verdachte.
1. Onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 augustus 2026.
De politierechter heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. N. van Ditzhuysen en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw mr. C.H.J. van Dooijeweert, naar voren hebben gebracht.
De politierechter heeft voorts kennisgenomen van de vorderingen tot immateriële-schadevergoeding van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , en de toelichting daarop van hun beider advocaat mr. B.C.M. Sprenger.
2. Tenlastelegging
Aan de verdachte is in zaak A (15/168690-25) ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 28 september 2024 te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer aan een ander, te weten [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten een gebroken neus en/of een blijvend ontsierend litteken boven de rechterwenkbrauw, althans het gelaat) heeft toegebracht, door die [slachtoffer 1] , welke op dat moment aan het rennen was, met grove kracht, met de tot vuist gebalde hand, in het gelaat te slaan;
subsidiair
hij op of omstreeks 28 september 2024 te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] , welke op dat moment aan het rennen was, met grove kracht, met de tot vuist gebalde hand, in het gelaat te slaan, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel (te weten een gebroken neus en/of een blijvend ontsierend litteken boven de rechterwenkbrauw, althans het gelaat) ten gevolge had.
In zaak B (13/078249-25) is aan de verdachte ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 1 februari 2025 te Amstelveen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, (met kracht) tegen het hoofd, althans het lichaam, van die [slachtoffer 2] heeft geslagen met een helm, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
hij op of omstreeks 1 februari 2025 te Amstelveen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer 2] heeft mishandeld door - (met kracht) tegen het hoofd, althans het lichaam, van die [slachtoffer 2] te slaan met een helm.
3. Waardering van het bewijs
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het in zaak A primair en zaak B primair tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van de verdachte heeft verzocht de verdachte in zowel zaak A als zaak B vrij te spreken.
In zaak A heeft de raadsvrouw (samengevat) het volgende aangevoerd. De verdachte heeft verklaard dat hij met zijn linkervuist heeft uitgehaald en het slachtoffer een klap in het gezicht heeft gegeven. Hij wilde niemand knock-out slaan. Hij wilde alleen afstand creëren en weggaan. De verdachte heeft niet verklaard expres op het oog of de neus te hebben geslagen. Het is algemeen bekend dat het hoofd een kwetsbaar deel van het lichaam is. Er is een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel als iemand hard in het gezicht wordt geslagen en die kans heeft zich ook verwezenlijkt. De verdachte heeft die kans echter niet bewust op de koop toe genomen. Hij heeft in een reflex gehandeld en niet rustig nagedacht over wat hij zou gaan doen en over de mogelijke gevolgen ervan. Hij zag meerdere mensen op hem afrennen, die ook nog eens groter waren dan hij. Hij heeft vervolgens uitgehaald om het slachtoffer op afstand te houden. Er kan niet worden vastgesteld dat de verdachte met kracht heeft geslagen. Het letsel is daarbij geen indicatie van de kracht waarmee geslagen is. De vuistslag is bijzonder ongelukkig terechtgekomen, maar dat is niet alleen te wijten aan de verdachte, dat komt ook door de snelheid waarmee het slachtoffer op de verdachte afkwam. Bovendien heeft de verdachte met zijn linkerhand en dus niet met zijn dominante hand geslagen.
De raadsvrouw heeft in zaak B (samengevat) het volgende aangevoerd. Er kan niet worden bewezen dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Hij heeft een keer met een helm geslagen. Uit het dossier kan worden afgeleid dat de helm het slachtoffer niet midden op zijn achterhoofd geraakt heeft, maar meer aan de linkerkant, langs zijn hoofd. De helm zwaaide door in de richting waarin de verdachte de helm bewoog. Er kan weinig worden vastgesteld omtrent de kracht waarmee geslagen is. Hiermee is niet gezegd dat er geen enkele kans op zwaar lichamelijk letsel is, maar in dit geval was die kans niet aanmerkelijk. En voor zover wel sprake was van een aanmerkelijke kans, dan heeft de verdachte die kans niet willens en wetens aanvaard. Toen de verdachte zelf door het slachtoffer werd belaagd, reageerde hij door eerst weg te draaien en vervolgens met zijn rechterhand een slaande beweging te maken. Hij heeft geen bewuste keuze gemaakt om met de helm te slaan. Hij heeft in een reflex gereageerd op een actie van het slachtoffer en dat ging zo snel dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte zich bewust was van de gevolgen.
De raadsvrouw heeft in beide zaken ten slotte aangevoerd dat de verdachte ook zou moeten vrijgesproken van de subsidiair ten laste gelegde mishandeling omdat de verdachte een beroep op noodweer toekomt en de wederrechtelijkheid, die impliciet in de mishandeling zit, dus ontbreekt.
Het oordeel van de politierechter
Zaak A
De politierechter stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte [slachtoffer 1] een (harde) vuistslag in zijn gezicht heeft gegeven toen [slachtoffer 1] in de richting van de verdachte kwam rennen.
Zwaar lichamelijk letsel.
Voor de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is, kunnen als algemene gezichtspunten in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. De beoordeling kan ook op een combinatie van deze gezichtspunten worden gebaseerd. Bij een veelvoud van verwondingen kan in voorkomende gevallen de beoordeling worden betrokken op de verwondingen in hun totaliteit. De vaststelling aan de hand van deze gezichtspunten of sprake is van zwaar lichamelijk letsel, wordt vaak gegrond op gegevens van medische aard. In evidente gevallen kan bij die vaststelling ook in aanmerking worden genomen wat algemene ervaringsregels over die gezichtspunten leren.
De kno-arts die de neus van het slachtoffer heeft onderzocht, is tot de conclusie gekomen dat het slachtoffer een gebroken neus (neusfractuur) had. Op de foto’s op pagina 13 tot en met 15 van het dossier en op pagina 20 tot en met 24 van de vordering tot schadevergoeding is te zien dat het slachtoffer een (snij)wond boven zijn wenkbrauw had. De neus is rechtgezet door een kno-arts en de snee is ‘geplakt’ en uiteindelijk gehecht. Het gezicht van het slachtoffer wordt bijna twee jaar later nog altijd ontsierd door een litteken boven zijn rechterwenkbrauw zoals is te zien op de foto op pagina 46 van het dossier en de foto van 23 juli 2026 die als bijlage bij de vordering tot schadevergoeding is gevoegd. De politierechter oordeelt dat – in het bijzonder vanwege het ontsierende litteken in het gezicht van het slachtoffer – sprake is van zwaar lichamelijk letsel.
Voorwaardelijk opzet
De volgende vraag die moet worden beantwoord is of de verdachte (minst genomen voorwaardelijk) opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier zwaar lichamelijk letsel – is aanwezig wanneer de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, dat wil zeggen: een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Voor de vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van zo’n kans heeft te gelden dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld. In dat verband kunnen de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang zijn. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard.
Het oordeel in zaak A
De verdachte heeft terwijl het slachtoffer kwam aanrennen, uitgehaald met zijn linkervuist en heeft het slachtoffer in het gezicht, op diens rechteroog(kas), geslagen. Het slachtoffer heeft hierdoor een gapende wond boven zijn rechterwenkbrauw en een neusfractuur opgelopen. Het (gebied rond het) oog betreft een kwetsbaar deel van het hoofd. Als iemand met kracht met een vuist in het gezicht wordt geslagen terwijl diegene zich met snelheid voorwaarts beweegt ontstaat de reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid dat degene die wordt geslagen zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht. De impact van de klap is dan voorzienbaar groter dan wanneer iemand stilstaat of achteruit beweegt. Door te handelen als hiervoor omschreven heeft verdachte in beginsel bewust de kans aanvaard op het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel. Er zijn geen aanwijzingen dat de verdachte die kans hier niet op de koop toe heeft genomen.
Zaak B
Slaan met scooterhelm
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte met zijn scooterhelm het slachtoffer op diens hoofd heeft geslagen. De verdachte heeft een zwiepende beweging gemaakt met de helm die hij aan de kinriem vasthield. Hierdoor heeft de helm het hoofd van het slachtoffer met een hogere snelheid geraakt dan wanneer de verdachte slechts de helm zelf had vastgehad. De impact op het hoofd was hierdoor nog groter. De verdachte heeft daarmee met kracht met een scooterhelm tegen het hoofd van het slachtoffer geslagen. Het is algemeen bekend dat het hoofd een van de meest kwetsbare delen van het lichaam is en dat hoofdletsel ernstige gevolgen kan hebben voor de gezondheid. Het slaan met een helm op de hiervoor beschreven wijze, kan naar zijn uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als gericht op het toebrengen van ernstig hoofd- dan wel hersenletsel. Er zijn geen aanwijzingen dat de verdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel niet op de koop toe heeft genomen. De verdachte heeft, door het slachtoffer met zijn helm te slaan, bewust de ‘aanmerkelijke kans’ aanvaard dat hij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. De politierechter acht daarom bewezen dat de verdachte opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
De politierechter merkt op dat de door de raadsvrouw gemaakte vergelijking met het slaan met een hand waarin (onbewust) een bierglas wordt vastgehouden niet opgaat omdat de verdachte de helm hier welbewust als wapen heeft gebruikt.
4. Bewezenverklaring
De politierechter verklaart bewezen dat de verdachte de in zaak A en zaak B primair ten laste gelegde feiten heeft begaan met dien verstande dat
A. hij op 28 september 2024 te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer, aan een ander, te weten [slachtoffer 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten: een gebroken neus en een blijvend ontsierend litteken boven de rechterwenkbrauw heeft toegebracht, door die [slachtoffer 1] , die op dat moment aan het rennen was, met kracht, met de tot vuist gebalde hand, in het gelaat te slaan;
hij op 1 februari 2025 te Amstelveen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met kracht tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] heeft geslagen met een helm, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
5. De bewijsmiddelen
De politierechter grondt zijn beslissing dat de verdachte de bewezen verklaarde feiten heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
I. Het proces-verbaal van aangifte van 13 oktober 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (pagina 6 tot en met 9 van het dossier in zaak A).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [slachtoffer 1] , zakelijk weergegeven:
Ik doe aangifte van zware mishandeling. Op 28 september 2024 had ik een voetbalwedstrijd in Nieuw-Vennep. Ik speel als linksback. Er was een opstootje waar [verdachte] bij betrokken was. Op het moment dat ik richting het opstootje rende, draaide [verdachte] zich om en gaf mij toen ik er bijna was een harde vuistslag op mijn rechteroogkas. Doordat ik rende en hij naar mij draaide, kwam de klap dubbel hard aan. Ik voelde direct hevige pijn, ik zag niets meer omdat mijn oog zich direct met bloed vulde. Ik ben naar het ziekenhuis gegaan en daar bleek dat mijn neus was gebroken, deze stond scheef. De snee boven mijn wenkbrauw is geplakt. Ik heb een doktersrapport dat ik bij de aangifte kan voegen.
II. Het geschrift, zijnde een (screenshot van een) letselverklaring van 1 oktober 2024 opgemaakt door K.J.W.C. Chang Sing Pang, kno-arts in opleiding (pagina 18 van het dossier in zaak A).
Dit geschrift houdt onder meer in als verklaring van de kno-arts in opleiding, zakelijk weergegeven:
[slachtoffer 1] werd op 1 oktober 2024 gezien op de polikliniek KNO-Heelkunde.
Reden van komst: verdenking neusfractuur.
Anamnese: Neustrauma: klap vanaf rechts gehad 3 dagen geleden. Er is wel scheefstand volgens patiënt. Neuspassage is slecht rechts.
KNO-onderzoek
Uitwendig: milde scheefstand naar links, infractie os nasale rechts (politierechter kleine, onvolledige breuk (barstje) in het rechter neusbotje).
Rhinoscopia anterior: geen septumhematoom, basale deviatie naar links, forse concha inf[erior] rechts (politierechter: medisch kijkonderzoek van het voorste deel van de neusholte: geen ophoping van bloed in het neustussenschot, scheefstand naar links en te grote of opgezwollen onderste neusschelp).
Conclusie: Neusfractuur
Beleid:
Uitleg over bevindingen. 6 weken geen contactsporten.
Repositie onder lokale verdoving verricht
K.J.W.C. Chang Sing Pang, kno-arts in opleiding mede namens R.A. Scheeren, kno-arts.
III. Het proces-verbaal van verhoor van getuige van 4 februari 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (pagina 35 tot en met 38 van het dossier in zaak A).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [naam 1] , zakelijk weergegeven:
V: Op 28 september 2024 heeft bij voetbalclub VVC in Nieuw-Vennep een mishandeling plaatsgevonden. Volgens het slachtoffer bent u mogelijk getuige geweest van dit misdrijf. Wat kunt u hierover vertellen?
A: Ik zag dat [slachtoffer 1] dichterbij [verdachte] kwam en dat [verdachte] vol uithaalde. Ik zag dat hij een vuist maakte en die met volle kracht naar het gezicht van [slachtoffer 1] bracht. Dit was echt met een zwaai. Ik zag dat [slachtoffer 1] in een keer naar de grond viel.
IV. Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte van 14 februari 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren (pagina 53 tot en met 63 van het dossier in zaak A).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van de verdachte, zakelijk weergegeven:
Op 28 september 2024 moesten wij tegen VVC Nieuw-Vennep voetballen. Ik zag de linksback, dit is de persoon die aangifte tegen mij heeft gedaan, op mij afkomen. Ik gaf hem een klap. Ik had mijn hand in een vuist en haalde uit. Door de snelheid waarmee hij op mij kwam afrennen, heeft hij vermoedelijk de schade opgelopen die hij nu opgelopen heeft.
Zaak B
V. De opname van beeld als bedoeld in artikel 567 van het Wetboek van Strafvordering, te weten camerabeelden van (gelet op het proces-verbaal op pagina 2031 tot en met 2024) 1 februari 2025 met bestandsnaam ‘de mishandeling’, die twee minuten en zevenentwintig seconden duren waarop het volgende is te zien (de beelden worden per seconde beschreven).
0.00-0.52: De keeper ( [slachtoffer 2] ) staat op het voetbalveld buiten het strafschopgebied en lijkt te kijken naar wat er zich op de andere helft afspeelt.
0.53: De keeper draait zich om en kijkt naar de toeschouwers achter zijn doel.
0.55: De keeper heeft (visueel/verbaal) contact met de toeschouwers achter zijn doel.
0.59: Twee personen, NN1 ( [naam 2] ) en de verdachte, maken zich los van de groep toeschouwers en begeven zich richting de reclameborden waar zij het veld kunnen betreden. De rest van de toeschouwers volgt. De keeper loopt terug het strafschopgebied in de richting van de personen achter de reclameborden.
1.07-1.12: NN1 en de verdachte klimmen over de reclameborden en lopen het veld op. De keeper loopt ondertussen in hun richting.
1.13-1.16: NN1 loopt het strafschopbied in. De verdachte pakt een helm op en loopt ook het 16-metergebied in. De keeper loopt richting NN1.
De keeper en NN1 staan tegenover elkaar. De verdachte loopt naar hen toe met een helm in zijn rechterhand.
De keeper en NN1 botsen met elkaar.
1.21: Een derde toeschouwer (NN2) betreedt het voetbalveld. De verdachte gaat met de helm in zijn hand bij de keeper en NN1 staan.
De keeper geeft NN1 een duwtje.
1.30-1.39 De keeper en NN1 lijken een discussie te hebben. De verdachte staat naast NN1. Hij staat erbij en kijkt erna. NN2 komt aangelopen en gaat op een afstandje staan toekijken.
1.40: NN2 komt iets dichterbij het drietal staan.
1.41: De keeper draait zich om en loopt weg.
1.42: NN1 doet een paar stappen in de richting van de keeper en de keeper draait zich om. De verdachte draait zich tegelijkertijd ook om en maakt aanstalten om zich richting de reclameborden te begeven. Hij kijkt opzij in de richting van NN1 en de keeper die weer contact met elkaar hebben.
De keeper geeft NN1 een forse duw.
NN1 loopt op de keeper af. De keeper grijpt NN1 vast en doet zijn linkerbeen omhoog en probeert een soort heupzwaai. Er ontstaat een worsteling tussen de keeper en NN1. De verdachte gaat zich ermee bemoeien. NN2 gaat zich er vervolgens ook mee bemoeien. Het is nu 3 tegen 1.
1.49-1.52: Een jongen in een grijze joggingbroek en zwarte jas ( [naam 3] , zie pagina 2052 en 2056) klimt over de reclameborden heen en rent richting de vechtpartij die nu gaande is.
1.50: De keeper trekt NN1 aan zijn capuchon en loopt achteruit.
De keeper wordt in het doelgebied tegen de grond gewerkt/valt.
Er staan 5 toeschouwers om de keeper heen. De keeper staat voorover en houdt het linkerbeen van de verdachte en het rechterbeen van NN3 vast (politierechter: foto’s op pagina 2050 en 2051).
De keeper probeert weg te komen en heeft zijn beide armen vooruitgestrekt. De verdachte beweegt in zijn richting mee en geeft met zijn helm de keeper een klap op het moment dat de keeper voorover gebogen staat en zijn handen bijna op de grond heeft (politierechter: foto op pagina 2052)
De keeper staat overeind en wordt tegengehouden.
De keeper zijgt ineen.
VI. Het proces-verbaal van aangifte van 1 februari 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (pagina 2001 tot en met 2002 van het dossier in zaak B).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [slachtoffer 2] , zakelijk weergegeven:
Op 1 februari 2025 bevond ik mij op het voetbalveld in Amstelveen. Ik stond als keeper in het doel. Op een gegeven moment stond een groepje jongeren achter mijn goal. Zij scholden mij constant uit. Op een gegeven moment zei ik tegen hen dat zij hun bek moesten houden. Ik zag dat er twee jongens richting het hekwerk liepen en ik hoorde ze nog steeds doorgaan met het schelden. Ik zei tegen hen dat zij hun mond moesten houden. Ik zag dat de twee jongens over het hek heen klommen. Ik zag dat zij mijn richting opliepen. Zij kwamen bij mij staan en het mondde uit in een woordenwisseling. Ik voelde een harde klap op de linkerkant van mijn hoofd, op mijn oor. Ik voelde iets heel ergs hards en ik had gelijk intense, brandende pijn. Mijn linkeroor is opgezwollen en ik heb er op dit moment geen gevoel meer in.
VII. Het geschrift, zijnde een letselverklaring van N. van Bergen, huisarts, van 5 feburari 2025
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van de huisarts, zakelijk weergegeven:
Betreft: [slachtoffer 2]
Geweldsincident geweest op 1 februari 2025.
S houdt nu wat pijn aan li oor en kaak, dag na klap oorsuis, wordt al minder. Tevens vandaag misselijk en licht in het hoofd. Vandaag niet gewerkt, ging niet goed. Moeite met concentreren. Is even buiten bewustzijn geweest na klap op hoofd. Slaapt slecht.
O Tv bdz gb. druk gevoelig rond zygoma en kaakkopje links. Iets gezwollen oorschelp. Nek bew gb. Gevoelig bij palp van occipitale spieren nek op achterzijde schedelrand.
E geweld
P T.a.v. lichte hersenschudding, oppassen teveel prikkels, niet teveel op scherm, rustig aan doen t.a.v. werk.
VIII. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 18 augustus 2026, zakelijk weergegeven.
Ik ben op de videobeelden te zien. Ik ben de tweede persoon die over de reclameborden klimt. Ik heb op 1 februari 2025 de keeper een klap met mijn scooterhelm gegeven.
6. Strafbaarheid van de feiten en de verdachte
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte in beide zaken uit noodweer (zelfverdediging) heeft gehandeld als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) dan wel dat sprake was van noodweerexces als bedoeld in artikel 41, tweede lid, Sr. De verdachte zag zich beide keren geconfronteerd met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor, aldus de raadsvrouw.
Vooropgesteld wordt dat voor een geslaagd beroep op noodweer vereist is dat de verdediging is gericht tegen een ‘ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.’ Aanranding wil hier zeggen: feitelijke aantasting van het eigen lichaam of dat van een ander, eerbaarheid of goed of een gedraging die een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo’n aantasting oplevert. Van een ‘ogenblikkelijke’ aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. Enkele vrees voor zo’n aanranding is daartoe echter niet voldoende. De gestelde aanranding moet in redelijkheid beschouwd zodanig bedreigend zijn voor de verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van artikel 41 Sr.
In zaak A heeft de raadsvrouw (samengevat) het volgende naar voren gebracht. De verdachte heeft verklaard dat hij zich bedreigd voelde en dat het slachtoffer met woede in zijn ogen keek. De verdachte voelde dus dreiging vanuit het slachtoffer en dat hij hem zwaar letsel wilde toebrengen. Er was aldus sprake van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke wederedelijke aanranding.
Ten aanzien van deze verweren wordt het volgende overwogen. Zoals hiervoor is besproken, rende het slachtoffer, na een confrontatie tussen verdachte en de aanvoerder van het slachtoffer, in de richting van de verdachte en kreeg hij, toen hij vlakbij de verdachte was, direct een vuistslag in het gezicht. Er is onvoldoende aannemelijk geworden dat het slachtoffer een dreigende houding heeft aangenomen of zich anderszins dreigend heeft gedragen jegens de verdachte en dus ook niet dat in redelijkheid beschouwd sprake was van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf. Het enkele afrennen op een opstootje tussen twee spelers op een voetbalveld brengt zoiets niet mee. Zelfs al zou het slachtoffer woedend uit zijn ogen hebben gekeken, zoals de verdachte overigens eerst op zitting heeft verklaard, dan geldt nog altijd dat de enkele vrees te zullen worden ‘aangerand’ (fysiek aangevallen), niet rechtvaardigt dat alvast tot de verdediging wordt overgegaan. Aangezien er geen noodweersituatie was, wordt het beroep op noodweer verworpen.
In zaak B heeft de raadsvrouw (samengevat) het volgende betoogd. De verdachte werd vastgepakt bij zijn arm en daarna bij zijn been en werd daarbij naar achter geduwd. Direct daarna maakte hij de beweging met de helm. Het vastpakken van de arm en vervolgens vastpakken van het been en naar achteren duwen van de verdachte is aan te merken als een aanranding in de zin van artikel 41 Sr. Het gaat om een feitelijke aantasting van het lijf van de verdachte. Het is niet relevant dat hij daar geen pijn of letsel door heeft ondervonden; de aanranding hoeft niet een strafbaar feit zoals mishandeling te zijn. De aanranding was wederrechtelijk omdat het slachtoffer geen recht of bevoegdheid had de verdachte op die manier te belagen. Vanaf het moment dat de aanranding is begonnen, mocht de verdachte zich verdedigen. In dat kader is de foto op pagina 2050 van het dossier van belang. Daar op is te zien dat de verdachte de hand met de helm al iets omhooghoudt. De slaande beweging begint daar dus al. Dat is op het moment dat het slachtoffer het been van de verdachte en het been van een ander vast heeft. De verdachte heeft verklaard dat de actie van het slachtoffer hem de indruk gaf dat het slachtoffer hem wilde aanvallen vanwege de eerdere acties van het slachtoffer. Op de beelden is te zien dat het slachtoffer er niet voor is teruggedeinsd om de aanval te starten, terwijl hij alleen was en de anderen met z’n drieën. Het slachtoffer is degene die maar blijft doorgaan. De verdachte heeft dus in alle redelijkheid de indruk kunnen hebben dat het slachtoffer hem daadwerkelijk zou aanvallen.
De politierechter overweegt hieromtrent als volgt. De verdachte heeft er zelf voor gekozen om zich, na de verbale provocatie van het slachtoffer door de groep toeschouwers achter het doel waar hij deel van uitmaakte, in richting van de keeper op het veld te begeven. Het slachtoffer was alleen en de verdachte was met een ander en daarna met anderen. Op het veld hebben leden van de groep weer de confrontatie gezocht. Toen het slachtoffer na een schermutseling met de groep op de grond lag, heeft het slachtoffer het been van de verdachte en dat van een ander vastgegrepen zoals te zien is op de foto’s op pagina 2050 en 2051 van het dossier. Het vastgrijpen van het been van de verdachte en dat van een ander kan in de gegeven omstandigheden niet worden aangemerkt als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf of dat van een ander. De verdachte werd niet in zijn bewegingsvrijheid beperkt. Op het moment dat de verdachte het slachtoffer vervolgens sloeg, had het slachtoffer ook niemand meer vast zoals te zien is op de foto’s op pagina 2042 en 2045 van het dossier. Voorts is niet aannemelijk geworden dat sprake was van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van eigen of eens anders lijf. De enkele vrees voor zo’n aanranding is zoals hiervoor overwogen daarvoor onvoldoende.
De politierechter is op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden van oordeel dat in beide zaken geen sprake is geweest van een noodweersituatie, zodat het beroep op noodweerexces reeds daarom ook niet slaagt.
Het verweer wordt in beide zaken verworpen.
Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is ook overigens niet aannemelijk geworden. Aangezien ook geen andere omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van de bewezen verklaarde feiten uitsluit, zijn deze strafbaar.
Het bewezenverklaarde levert volgens de wet respectievelijk op:
Zware mishandeling
Poging tot zware mishandeling.
Er is ook geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.
7. Motivering straf
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van een maand voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 80 uur, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren (heeft) verricht, dat vervangende hechtenis wordt toegepast van 40 dagen.
Het pleidooi van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om bij een veroordeling te volstaan met het opleggen van een taakstraf, eventueel aangevuld met een voorwaardelijke gevangenisstraf en (samengevat) het volgende aangevoerd.
Naast het forse tijdsverloop (de oudste zaak is inmiddels bijna 2 jaar oud), de jeugdige leeftijd van de verdachte (hij was destijds 20 jaar) en het ontbreken van relevante justitiële documentatie, dient rekening te houden met het volgende. De verdachte is zich bewust van het letsel dat hij veroorzaakt heeft bij beide slachtoffers en vindt het oprecht erg dat het zo gelopen is. De manier waarop dit is gebeurd, is niet iets wat gebruikelijk is voor de verdachte. Hij voetbalt al jaren, is nog nooit eerder bij zulke incidenten betrokken geraakt en betreurt het dat het nu wel is gebeurd. Wel moet meegewogen worden dat de verdachte gereageerd heeft op acties van anderen. Hij is in beide zaken niet degene geweest die begonnen is met het gebruiken van geweld.
Deze zaken zijn een wijze en harde les voor de verdachte geweest. Hij heeft zich na deze incidenten pas gerealiseerd hoezeer hij bekend is bij het jonge publiek en wat de impact is als je dan negatief in de media komt. Het heeft voor de verdachte veel negatieve gevolgen gehad. Er zijn van alle kanten bedreigingen op hem afgekomen nadat hij in het nieuws kwam. De verdachte is werk kwijtgeraakt; geplande opdrachten zijn geannuleerd en nieuwe opdrachten werden lastiger. Hij kon nergens op gesprek gaan zonder dat het ging over wat er was gebeurd. Hij zal door alle media-aandacht nog lange tijd aan deze strafzaak herinnerd worden en de gevolgen ervan voelen.
Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal veel nadelige gevolgen voor de verdachte hebben. Geplande opdrachten voor werk zullen niet kunnen doorgaan en de verdachte zal daardoor in de toekomst ook nog meer moeite hebben met het aangaan van nieuwe opdrachten. Het verkrijgen van een VOG zal voor de verdachte lastiger worden. Ook de impact die het zal hebben op zijn thuissituatie, de verdachte is pas getrouwd, moet niet onderschat worden.
De verdachte zal zonder meer hinder ondervinden door het moeten uitvoeren van een taakstraf, waarin het stukje vergelding tot uitdrukking komt. Als daarmee onvoldoende recht wordt gedaan aan de ernst van de feiten, kan een voorwaardelijke gevangenisstraf uitkomst bieden. Niet alleen is dat een goede geheugensteun voor de toekomst, maar daarin kan ook de ernst van de feiten tot uitdrukking brengen, terwijl tegelijkertijd met de omstandigheden van de verdachte rekening gehouden wordt.
Het oordeel van de politierechter
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich in nog geen half jaar tijd tweemaal op ernstige wijze misdragen op het voetbalveld, eenmaal als speler en eenmaal als toeschouwer. De verdachte heeft [slachtoffer 1] , die afkwam op het opstootje tussen de aanvoerder van zijn voetbalteam en de verdachte een vuistslag in zijn gezicht gegeven met alle gevolgen van dien (gebroken neus en een ontsierend litteken boven de rechterwenkbrauw). De verdachte heeft enige maanden later met zijn scooterhelm [slachtoffer 2] een klap op zijn hoofd gegeven waardoor [slachtoffer 2] een lichte hersenschudding heeft opgelopen waar hij nog geruime tijd last van heeft gehad. Met zijn handelen heeft de verdachte op ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Bovendien brengen dergelijke misdrijven niet alleen gevoelens van ontzetting, angst en onveiligheid teweeg bij de direct betrokken slachtoffers, maar ook bij degenen die van het geweld getuige hebben moeten zijn.
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat moet worden meegewogen dat de verdachte gereageerd heeft op acties van anderen. De verdachte is in beide zaken niet degene geweest die begonnen is met het gebruiken van geweld. De politierechter gaat aan die opmerking voorbij. De reactie van verdachte stond in beide zaken in geen enkele redelijke verhouding tot hetgeen daarvoor was voorgevallen. In het geval van [slachtoffer 2] is hij samen met een ander bewust naar [slachtoffer 2] toegegaan, nadat deze eerst was geprovoceerd. Hij had zich ook afzijdig kunnen houden en de confrontatie kunnen vermijden.
Persoon van den verdachte
Reclassering Nederland heeft in haar over de verdachte opgemaakte adviesrapport van 2 september 2025 het volgende geconcludeerd. Er zijn op dit moment geen risicofactoren ten aanzien van recidive zichtbaar. Er zijn wel grote negatieve gevolgen door de invloed van de media, omdat acteerklussen zijn gecanceld en de verdachte wordt lastiggevallen en bedreigd. De verdachte ondervindt door de verdenkingen problemen met het behouden van zijn taxipas. Positief is dat de verdachte zelfredzaam is, een steunend familie netwerk heeft, financieel stabiel is en maatschappelijk geaccepteerde doelen nastreeft. Er is zover bekend bij hem geen sprake van agressieproblematiek. Het risico op recidive en op letsel wordt ingeschat als laag.
De verdachte heeft ter zitting opgemerkt dat de slachtoffers gewoon met hun leven kunnen doorgaan en niet telkens worden geconfronteerd met deze zaak terwijl hij gebukt gaat onder alle media-aandacht. De politierechter leidt hieruit af dat de verdachte de ernst en de gevolgen van zijn handelen nog steeds niet helemaal begrijpt en laat dat ten nadele van de verdachte meewegen.
Strafblad
De verdachte heeft op zijn strafblad drie snelheidsovertredingen staan. Hij is niet eerder veroordeeld.
Media-aandacht
Deze strafzaak heeft de nodige aandacht in de media gekregen. De verdachte heeft daarover verklaard dat hij hierdoor minder heeft kunnen werken. De gestelde status van verdachte als bekende Nederlander heeft ongetwijfeld voordelen en nadelen. De politierechter kan slechts constateren dat de verdachte de aandacht door zijn eigen gedrag over zichzelf heeft afgeroepen en zal hier dan ook geen rekening mee houden in strafmatigende zin.
Conclusie
Alles afwegende doet een taakstraf van 80 uur onvoldoende recht aan de ernst van de zaken, mede gelet op de landelijke oriëntatiepunten en ondanks het tijdsverloop. Een taakstraf van 120 uur is wel in overeenstemming met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, en passend en ook geboden.
Een voorwaardelijke (gevangenis)straf is niet nodig. De verdachte is niet eerder veroordeeld voor een misdrijf en uit het strafblad blijkt niet dat de verdachte na 1 februari 2025 opnieuw met de politie en justitie in aanraking gekomen is. Uit het reclasseringsrapport volgt bovendien dat het risico op recidive laag wordt ingeschat. De politierechter gaat ervan uit dat de verdachte zijn lesje heeft geleerd.
8. De vorderingen tot schadevergoeding
De vordering van [slachtoffer 1]
, die zich als benadeelde partij in deze strafzaak heeft gevoegd, vordert € 6.000,00 aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 28 september 2024, althans in goede justitie te bepalen enige andere datum. De benadeelde verzoekt ook de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr op te leggen. De benadeelde partij heeft het volgende gesteld.
De zware mishandeling heeft een zodanige inbreuk gemaakt op de persoonlijke veiligheid en levenssfeer van de benadeelde partij dat hierdoor sprake is van een aantasting in de persoon van de benadeelde partij op andere wijze in de zin van artikel 6:106 lid 1 onder b BW.
De benadeelde partij heeft ten gevolge van het strafbare feit zowel een neusfractuur als een snijwond van 3 cm boven het oog opgelopen. De snijwond is gehecht. Hij heeft lang in onzekerheid geleefd of de wond bij zijn oog volledig zou herstellen maar helaas heeft hij een blijvend en ontsierend litteken in het gezicht eraan overgehouden. Hij kon gedurende tien dagen niet werken, had wekenlang hoofdpijnklachten en heeft zeven weken niet kunnen sporten.
De benadeelde partij acht het – gezien de Rotterdamse schaal – passend een immateriële-schadevergoeding te vorderen van € 4.000,00 voor het blijvend ontsierende litteken op een prominente plek in het gezicht, die door de wenkbrauw enigszins maar niet volledig gecamoufleerd kan worden en € 2.000,00 voor de neusfractuur. Dit gelet op het feit dat de benadeelde partij een medische (niet-operatieve) maar noodzakelijke ingreep moest ondergaan wegens de breuk van zijn neus en de (volledige) herstelperiode binnen zes maanden plaatsvond.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat de verdachte uit zelfverdediging heeft gehandeld.
De raadsvrouw heeft subsidiair aangevoerd dat de het gaat om een klein litteken dat de vorm van de wenkbrauw volgt en dat het uiterlijk niet volledig aantast zodat het meer voor de hand ligt om aan de onderkant van de bandbreedte die in de Rotterdamse Schaal bij littekens nogal wordt gehanteerd (€ 2.500,00 en € 9.500,00). Het bedrag dat voor de neusfractuur wordt gevraagd, is op zichzelf niet onbillijk hoog, maar het is niet de bedoeling om de bedragen uit de Rotterdamse Schaal bij elkaar op te tellen. In veel gevallen leidt een optelsom van afzonderlijke bedragen ‘per letsel’ niet zonder meer tot een passend totaalbedrag. Bij samenloop van verschillende letsels is er overlap. Als de letsels met elkaar te maken hebben, zouden de bedragen niet zonder meer bij elkaar mogen worden opgeteld omdat dan sprake is van dubbeltelling.
De raadsvrouw heeft ten slotte aangevoerd dat als de benadeelde partij, die zich wilde zich gaan bemoeien met een situatie waarin hij aanvankelijk part noch deel had, niet op de verdachte was komen afrennen, dit niet was gebeurd. De schade is daarmee in elk geval deels voor eigen rekening van de benadeelde partij. En bij het bepalen van de hoogte van de immateriële-schadevergoeding mag en moet het eigen aandeel van de benadeelde partij meewegen.
Het oordeel van de politierechter
De benadeelde partij heeft recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding (smartengeld) op grond van artikel 6:106 sub b BW als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer of goede naam of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.
Vast staat dat de benadeelde partij door het in zaak A bewezen verklaarde feit lichamelijk letsel heeft opgelopen en daardoor rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De benadeelde partij heeft schadevergoeding gevorderd omdat hij ‘op andere wijze in zijn persoon is aangetast’. De politierechter kent een immateriële-schadevergoeding toe omdat de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen en vult de vordering in zoverre met die grond aan.
Immateriële schade wordt naar billijkheid begroot met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt. Bij letselschade moet daarbij worden gedacht aan de aard en de ernst (waaronder de duur en de intensiteit) van het letsel, de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van het slachtoffer. Verder wordt bij de begroting, zoveel als mogelijk, gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
De politierechter heeft acht geslagen op de ‘Rotterdamse schaal’. Dit model bevat een ordening van smartengeldbedragen bij lichamelijk letsel en andere persoonsaantastingen. Het smartengeld is naar aard en ernst van het letsel of de normschending gegroepeerd en per categorie wordt een bandbreedte aangegeven waarbinnen door de rechter het passende bedrag kan worden gevonden. De smartengeldbedragen die worden genoemd zijn geïndexeerd tot 1 juni 2025. De politierechter heeft daarnaast gekeken naar de ‘Aanbevelingen voor de begroting van smartengeld op basis van artikel 6:106 BW’ van het LOVCK (Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel en Kanton), LOVCH (Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel Hoven) en LOVS (Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht), in het bijzonder naar de aanbeveling met betrekking tot de leeftijd, verwijtbaarheid, meervoudigheid en duur van het letsel.
Conform aanbeveling 5 voor het hanteren van de Rotterdamse Schaal wordt bij het vaststellen van smartengeld bij meervoudig letsel uitgegaan van het zwaarste letsel. Dat letsel weegt volledig mee, het in ernst tweede letsel telt voor de helft mee. Het zwaarste letsel wordt gevormd door het litteken en valt in categorie 9.2 ‘misvorming van het gezicht’ sub d ‘minder ernstige littekenvorming’. Bij die categorie hoort een bedrag tussen de € 2.500,00 tot € 9.500,00. Gezien de relatief jonge leeftijd van de benadeelde partij en de mentale impact stelt de politierechter het bedrag in deze categorie vast op € 3.500,00. Dit bedrag wordt verhoogd met de helft van het bedrag dat hoort bij de gebroken neus. Dit letsel valt in categorie 13 ‘licht letsel’ sub b, ‘herstelperiode van ongeveer twee tot vier maanden’. Bij deze categorie hoort een bedrag tussen de € 725,00 en € 2.175,00. De politierechter verhoogt de eerdergenoemde € 3.500,00 met de helft van € 2.000,00. Dit maakt dat de politierechter de immateriële-schadevergoeding naar billijkheid in totaal begroot op € 4.500,00. Dit bedrag zal dan ook worden toegewezen. Voor het overige wordt de vordering afgewezen.
De gevorderde wettelijke rente wordt ook toegewezen. De aanvang van de wettelijke rente is het moment van begroten van de schade (de datum van het vonnis) aangezien het smartengeldbedrag is vastgesteld op basis van alle op dat moment bekende feiten en omstandigheden en gebruikgemaakt is van de Rotterdamse Schaal waarin geïndexeerde bedragen staan.
De politierechter kan over het eigen-schuldverweer kort over zijn. De benadeelde partij kwam op een opstootje tussen een van zijn medespelers en de verdachte afrennen en kreeg direct een vuistslag in zijn gezicht met alle gevolgen van dien. De politierechter vermag niet in te zien hoe de benadeelde partij enige schuld in de zin van artikel 6:101, eerste lid, BW aan zijn schade heeft.
De vordering van [slachtoffer 2]
, die zich als benadeelde partij in deze strafzaak heeft gevoegd, vordert € 5.000,00 aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 1 februari 2025, althans in goede justitie te bepalen enige andere datum. De benadeelde verzoekt ook de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr op te leggen. De benadeelde partij heeft het volgende gesteld.
De poging tot zware mishandeling heeft een zodanige inbreuk gemaakt op de persoonlijke veiligheid en levenssfeer van de benadeelde partij dat hierdoor sprake is van een aantasting in de persoon van de benadeelde partij op andere wijze in de zin van artikel 6:106 lid 1 onder b BW.
De benadeelde partij heeft een ‘lichte hersenschudding’ opgelopen, last van oorsuizen en pijn aan de kaak. Hij heeft temazepam voorgeschreven gekregen om te kunnen slapen. Hij kon gedurende de eerste paar maanden na het incident zeer slecht tegen prikkels en moest veel rust houden. Hij ervoer toen ook herbelevingen van de klap. Hij is enkele weken veel misselijk geweest en moest rustig aan doen. Hij heeft de eerste twee maanden geen (sport/spel/werk)activiteiten kunnen verrichten.
De benadeelde partij meent dat de ‘Rotterdamse schaal’ een vergoeding van € 3.500,00 voor de hersenschudding en € 1.100,00 voor het letsel aan oor en kaak voorschrijft en dat in het bijzonder gelet op de immateriële-schadevergoeding van € 5.000,00 die het gerechtshof Amsterdam in een vergelijkbare zaak heeft toegewezen (ECLI:NL:GHAMS:2020:2462), het passend is smartengeld tot een bedrag van € 5.000,00 te vorderen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte primair meent dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat cliënt uit zelfverdediging heeft gehandeld.
Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat het gevraagde bedrag zou moeten worden gematigd. De categorie ‘licht letsel’ in de Rotterdamse Schaal waar een bedrag van € 2.175,00 bij hoort, lijkt veel meer van toepassing. Het is onduidelijk waarom voor het oorsuizen en de pijn aan de kaak nog een aparte vergoeding wordt gevraagd aangezien dat ook valt onder pijn aan het hoofd. In veel gevallen leidt een optelsom van afzonderlijke bedragen ‘per letsel’ niet zonder meer tot een passend totaalbedrag. Als de letsels met elkaar te maken hebben kunnen de bedragen niet zomaar bij elkaar worden opgeteld omdat dan sprake is dubbeltelling.
De raadsvrouw heeft verder aangevoerd dat de verdachte van mening is dat de rol van het slachtoffer in aanloop naar het slaan met de helm, gelet op de redelijkheid en billijkheid, moet worden meegenomen in de beoordeling van de schadevergoeding. Vast staat dat de benadeelde partij degene is geweest die als eerste fysiek geweld gebruikt heeft. Als hij in het begin niet had staan duwen, was dit hele incident niet gebeurd.
De raadsvrouw heeft ten slotte naar voren gebracht dat niet is komen vast te staan dat het letsel dat het slachtoffer heeft opgelopen het gevolg is geweest van het handelen van de verdachte omdat er al enige tijd een schermutseling gaande was voordat de verdachte heeft geslagen. Het slachtoffer is op de grond terechtgekomen en de verdachte heeft verklaard dat hij ook is geschopt toen hij op de grond lag. Het letsel kan daarom niet geheel aan de verdachte worden toegerekend, aldus de raadsvrouw.
Het oordeel van de politierechter
De benadeelde partij heeft recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding (smartengeld) op grond van artikel 6:106 sub b BW als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer of goede naam of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.
Vast staat dat de benadeelde partij door het in zaak B bewezen verklaarde feit lichamelijk letsel heeft opgelopen en daardoor rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De benadeelde partij heeft schadevergoeding gevorderd omdat hij ‘op andere wijze in zijn persoon is aangetast’. De politierechter kent een immateriële-schadevergoeding toe omdat de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen en vult de vordering in zoverre met die grond aan.
De politierechter heeft acht geslagen op de ‘Rotterdamse schaal’ en in het bijzonder gekeken naar categorie 13 ‘licht letsel’ sub a (bandbreedte € 1.450,00 tot € 2.675,00), en sub c ‘herstelperiode van ongeveer twee maanden’ (bandbreedte tot € 1.100,00). De politierechter heeft daarnaast gekeken naar de ‘Aanbevelingen voor de begroting van smartengeld op basis van artikel 6:106 BW’.
De politierechter heeft bij de begroting van de immateriële schade de aard en ernst van het bewezenverklaarde zoals volgt uit de voorgaande bewijs- en strafmaatoverwegingen, de medische diagnose, de aard en ernst van de gevolgen voor de benadeelde betrokken. Alles afwegend en in onderlinge samenhang bezien, begroot de politierechter in de gegeven omstandigheden de immateriële schade naar billijkheid in totaal op € 3.600,00. Dit bedrag zal dan ook geheel worden toegewezen. Voor het overige wordt de vordering afgewezen.
De gevorderde wettelijke rente wordt ook toegewezen. De aanvang van de wettelijke rente is het moment van begroten van de schade (de datum van het vonnis) aangezien het smartengeldbedrag is vastgesteld op basis van alle op dat moment bekende feiten en omstandigheden en gebruikgemaakt is van de Rotterdamse Schaal waarin geïndexeerde bedragen staan.
Het eigen-schuldverweer van de raadsvrouw snijdt geen hout. De verdachte maakte deel uit van een groep toeschouwers die de benadeelde partij aan het provoceren waren. Hij is samen met een ander het voetbalveld opgelopen waar hij niets te zoeken had. Toen het conflict tussen de benadeelde partij en de ander ontaardde in een handgemeen is de verdachte zich ermee gaan bemoeien en heeft hij als enige een object gebruikt om mee te slaan terwijl daar geen reden voor was.
9. Schadevergoedingsmaatregel
De politierechter legt in beide zaken de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan de verdachte op. Dit betekent dat de verdachte de hiervoor genoemde toegewezen schadevergoedingen met de wettelijke rente aan de staat moet betalen en de staat de bedragen uitkeert aan de benadeelde partijen. Als de verdachte niet betaalt, kan de staat hem uiteindelijk in totaal maximaal 45 respectievelijk 36 dagen vastzetten (gijzelen). De verdachte moet dan nog steeds de schade vergoeden. Een gijzeling verandert niets aan de betalingsverplichting van de verdachte. De politierechter merkt op dat door het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel de zogenoemde voorschotregeling van toepassing is. Dit betekent dat de staat de schadevergoeding voorschiet aan het slachtoffer als de verdachte deze niet (volledig) binnen 8 maanden heeft betaald. De verdachte moet dan alsnog de staat betalen.
10. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f (oud), 45, 57 (oud), 63 (oud) en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
11. Beslissing
De politierechter:
Bewezenverklaring
Kwalificatie
- stel vast dat het bewezenverklaarde volgens de wet oplevert:
in zaak A: zware mishandeling;
in zaak B: poging tot zware mishandeling;
Strafbaarheid
Taakstraf
- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 120 (honderdtwintig) uur, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren (heeft) verricht, dat vervangende hechtenis van 2 (twee) maanden wordt toegepast;
Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 1]
Schadevergoedingsmaatregel
Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 2]
Schadevergoedingsmaatregel
Dit vonnis is gewezen door
mr. R.A. Overbosch, politierechter,
in tegenwoordigheid van mr. M. Cordia griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 september 2026.