RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13-080274-26
Datum uitspraak: 1 september 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2003,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] , [woonplaats] ,
nu gedetineerd in het [naam Justitieel Complex] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 augustus 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.T.A. de Ridder, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. W.S.W. van der Donk, naar voren hebben gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – primair tenlastegelegd dat hij zich op 20 februari 2026 te Lelystad heeft schuldig gemaakt aan medeplegen van het opzettelijk teweeg brengen van een ontploffing bij de voordeur van het pand aan de [adres] , terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was. Subsidiair wordt verdachte medeplichtigheid aan de ontploffing verweten.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in de bijlage bij dit vonnis.
3. Vrijspraak
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde en gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden met aftrek wordt opgelegd, waarvan zes maanden voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaren met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
De officier van justitie baseert de bewezenverklaring overwegend op de verhoren van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Het is volgens de officier van justitie niet op voorhand uitgesloten dat verdachte de (mede-)gebruiker is van het Snapchataccount ‘[accountnaam] ’. Daarnaast heeft verdachte op enig moment een tas met daarin een explosief in zijn auto gehad. Het had op de weg van verdachte gelegen om zich, in het licht van alle omstandigheden, te vergewissen van de inhoud van de tas. Verdachte had moeten en kunnen weten dat er op enig moment een explosief geplaatst zou kunnen worden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft in de eerste plaats bepleit dat verdachte volledig moet worden vrijgesproken, omdat er geen sprake is van opzet op het gronddelict: het teweegbrengen van de explosie. Verder kan niet worden vastgesteld dat er sprake is van medeplegen, waardoor verdachte in ieder geval voor het primair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken.
Het oordeel van de rechtbank
Het staat vast dat op 20 februari 2026 een ontploffing heeft plaatsgevonden aan de [adres] . Ook staat vast dat verdachte samen met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar Lelystad is gereden en [medeverdachte 1] aldaar in de omgeving van de plaats delict heeft afgezet. Verdachte was hierbij de bestuurder van de auto en [medeverdachte 2] de bijrijder. Nadat [medeverdachte 1] het explosief heeft geplaatst en af heeft laten gaan is [medeverdachte 1] op heterdaad aangehouden.
[medeverdachte 1] heeft in zijn verhoor verklaard dat hij via Snapchat is benaderd door [accountnaam] met de vraag of hij snel geld wilde verdienen en dat hij door twee jongens is opgehaald in Huizen. [medeverdachte 1] heeft de bestuurder van de auto aangewezen als gebruiker van het account [accountnaam].
De bestuurder van de auto heeft volgens [medeverdachte 1] op enig moment MB’s voor hem hebben gekocht. Verder heeft [medeverdachte 1] verklaard dat zij het explosief en de aansteker aan hem hebben gegeven en dat ze het explosief onder de stoel van de bijrijder vandaan hebben gehaald.
Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft in zijn verhoor toegegeven dat hij de gebruiker is van het account [accountnaam]. Daarbij heeft [medeverdachte 2] verklaard dat ook anderen op het account konden inloggen.
Opzet
De vraag ligt voor of verdachte opzet heeft gehad op het teweegbrengen van de ontploffing. Daarvoor is nodig dat verdachte op het moment dat hij [medeverdachte 1] afzette wist dat [medeverdachte 1] een explosief zou laten afgaan (vol opzet) of dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [medeverdachte 1] een explosief zou laten afgaan (voorwaardelijk opzet).
Het dossier biedt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende steun voor beide vormen van opzet.
Allereerst blijkt uit het dossier niet dat verdachte opdracht heeft gegeven tot het plaatsen van een explosief aan [medeverdachte 1] via Snapchat. Niet is vast komen te staan dat verdachte één van de gebruikers is geweest van het Snapchataccount [accountnaam], temeer nu [medeverdachte 2] heeft verklaard dat het account aan hem toebehoort en hij daarvan ook gebruik maakte.
De officier van justitie baseert de opzet bij verdachte grotendeels op de verklaring van [medeverdachte 1] , die verklaart van verdachte en [medeverdachte 2] instructies te hebben gekregen om het explosief te plaatsen. Verdachte gaf aan niet te weten wat er in de tas zat en in de auto ook geen gesprekken gehoord te hebben tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] die over het plaatsen van een explosief gingen. De rechtbank vindt deze verklaring van [medeverdachte 1] van onvoldoende gewicht en onvoldoende betrouwbaar om uitsluitend daarop wetenschap bij verdachte aan te nemen. [medeverdachte 1] heeft immers in diezelfde verklaring informatie gegeven over de gebruiker van het Snapchataccount, die niet lijkt te kloppen.
Wat de rechtbank dan alleen vast kan stellen is dat verdachte via Snapchat een opdracht heeft aangenomen om een voor hem onbekend persoon met de auto op en neer naar Lelystad te brengen tegen een vergoeding. Op enig moment is een tas met een explosief in de auto gekomen (die later door [medeverdachte 1] is geplaatst aan een deur op een adres in Lelystad).
Deze omstandigheden zijn onvoldoende om voorwaardelijk opzet aan te nemen. Niet gezegd kan worden dat verdachte door zijn handelwijze bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er een explosief geplaatst zou worden.
De rechtbank acht gelet op het voorgaande zowel het primair als subsidiair tenlastegelegde feit niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
4. Beslag
Onder verdachte is een telefoon (goednummer G6809851) in beslag genomen. Aangezien de verdachte wordt vrijgesproken, moet deze aan de verdachte worden teruggegeven.
5. Voorlopige hechtenis
Nadat de rechtbank in raadkamer tot de conclusie kwam dat verdachte van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken, heeft de rechtbank besloten dat de voorlopige hechtenis moet worden opgeheven. Deze beslissing is eerder al schriftelijk vastgelegd.
6. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Gelast de teruggave van de in beslag genomen telefoon (goednummer G6809851) aan verdachte.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Vaandrager, voorzitter,
mrs. A.H.E. van der Pol en C. Işitman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.T. de Hertog, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 september 2026.