RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Strafrecht
Parketnummer: 13/297523-25
Datum uitspraak: 28 augustus 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1980 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] , [woonplaats] ,
nu verblijvende op het adres:
[verblijfadres] ,
hierna te noemen: verdachte.
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 augustus 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.D. Braber, en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. W.P.A. Vos, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat de deskundige R.A. Sterk, psycholoog, op zitting naar voren heeft gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 4 november 2025 te Diemen, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] dreigend een mes, althans een scherp voorwerp, te tonen en/of met dat voorwerp te zwaaien.
3. Vrijspraak
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De verklaringen van [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ), [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) en [naam] (hierna: [naam] ) zijn in grote lijnen consistent. Zo benoemen ze alle drie dat de bedreiging bij de voetbalclub heeft plaatsgevonden op het moment dat ze wegfietsten. Ook hebben [slachtoffer 1] en [naam] verklaard dat de verdachte hen al eerder had aangesproken bij het voetbalveld en hen rondom de fietsenstalling opnieuw aansprak. Zowel [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] als [naam] hebben verklaard dat de verdachte last had van de fietslichten en daarom boos werd op hen. Ook hebben ze alle drie verklaard dat de verdachte een mes, of ander scherp voorwerp dat leek op een mes, heeft gepakt en hiermee heeft gedreigd. Uit de verklaringen blijkt dat de verdachte met dit voorwerp in de richting van de jongens wees en volgens [slachtoffer 1] daarmee ook in de richting van de jongens heeft gezwaaid. [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [naam] hebben er geen belang bij om hierover in strijd met de waarheid te verklaren, terwijl de verdachte wel belang heeft bij zijn ontkenning. Ten slotte blijkt uit de verklaringen van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [naam] dat er tijdens de bedreiging een redelijke vrees is ontstaan dat de verdachte hen iets wilde aandoen. Dat de verklaringen van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [naam] op onderdelen verschillen, doet, mede gelet op hun jonge leeftijd en de grote schrik die was ontstaan door de bedreiging, niet af aan de betrouwbaarheid ervan.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit omdat het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De verklaringen van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [naam] lopen op essentiële onderdelen uiteen. Er bestaat onvoldoende zekerheid dat de verdachte een mes of ander scherp voorwerp bij zich had en dit heeft getoond of daarmee heeft gezwaaid. De camerabeelden bieden daarvoor geen objectieve ondersteuning. Ook is geen mes aangetroffen. Daarnaast is onvoldoende komen vast te staan dat de gedragingen van de verdachte onder de concrete omstandigheden van dien aard waren dat daardoor redelijke vrees voor levensverlies of zwaar lichamelijk letsel kon ontstaan en dat zijn opzet daarop was gericht.
Oordeel van de rechtbank
Feiten en omstandigheden
[slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [naam] waren blijkens hun verklaringen op 4 november 2025 aanwezig op de voetbalclub Sv Diemen voor hun voetbaltraining. [slachtoffer 1] en [naam] hadden de verdachte al bij het voetbalveld gezien. Vervolgens liepen [naam] en [slachtoffer 1] samen met [slachtoffer 2] naar de fietsenstalling van de voetbalclub om hun fietsen te pakken en het parkeerterrein af te fietsen. Rond dat terrein zouden [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [naam] de verdachte wederom zijn tegengekomen. Vanaf daar lopen de verklaringen over deze ontmoeting van de drie jongens en van de verdachte echter op diverse punten uiteen.
Verklaringen [slachtoffer 1]
heeft in zijn aangifte verklaard dat de verdachte de jongens herkende en vervolgens zijn fiets dwars op de weg aan het begin van het parkeerterrein had geparkeerd, zodat de jongens de verdachte niet konden passeren. [naam] zou al langs de verdachte zijn gefietst, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] nog niet. Vervolgens wilden [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] via de stoep de verdachte passeren, echter zou de verdachte rondjes zijn gaan fietsen om de lantaarnpaal waardoor de jongens hem alsnog niet konden passeren. De fietslichten zouden daarbij in het gezicht van de verdachte hebben geschenen. Dit vond de verdachte vervelend en hij zou hebben gezegd: “Schijn dat kanker licht nog een keer in mijn kanker ogen en je gaat zien”. Bij de rechter-commissaris heeft [slachtoffer 1] echter verklaard dat alleen [naam] deze opmerking zou hebben gehoord.
Uit de aangifte van [slachtoffer 1] blijkt verder dat de verdachte boos werd en een mes uit zijn zak zou hebben gehaald. De verdachte zou daarbij [slachtoffer 1] bijna hebben geraakt met het mes. In zijn aanvullende aangifte heeft [slachtoffer 1] vervolgens verklaard dat het keukenmes ongeveer 10 centimeter betrof en dat de verdachte met het mes aan het zwaaien was als een soort cowboy die met een lasso aan het zwaaien was. In het verhoor bij de rechter-commissaris zegt [slachtoffer 1] echter dat het mes ongeveer 20 centimeter lang was en dat de verdachte het mes met zijn rechterhand uit zijn rechterzak pakte. [naam] zou daarnaast volgens [slachtoffer 1] het mes als eerste hebben gezien, waarop hij de andere twee jongens waarschuwde om weg te fietsen. [slachtoffer 1] geloofde [naam] eerst niet maar keek vervolgens naar de verdachte en zag de verdachte het mes pakken. De verdachte zou daarna hebben gezwaaid met het mes en er rondjes mee hebben gedraaid. De vraag van de rechter-commissaris over hoe het kan dat [naam] het mes als eerste had gezien, maar [slachtoffer 1] daarna de verdachte het mes zag pakken, kan [slachtoffer 1] verder niet beantwoorden.
Verklaringen [naam]
heeft in zijn getuigenverklaring bij de politie verklaard dat de jongens het voetbalterrein af fietsten en vervolgens op de weg stopten omdat [slachtoffer 1] zijn veters moest strikken. De verdachte kwam langs fietsen en begon tegen de jongens te praten. Daarbij werd de verdachte boos op de jongens door de fietslampen. [naam] hoorde de verdachte daarbij zeggen: “Rot op met die kanker lamp van je fiets” en zou daarnaast een opmerking over hun fatbikes hebben gemaakt. De verdachte zou zich daarna hebben omgedraaid en op de jongens zijn afgefietst. Vervolgens zijn de drie jongens snel langs de verdachte heen gefietst en daarbij zou de verdachte hebben geschreeuwd naar de jongens. Hierop keek [naam] naar achteren en zag hij een mes in de hand van de verdachte. Daarbij heeft [naam] verklaard niet te weten in welke hand de verdachte het mes vasthield. Daarnaast heeft hij verklaard dat het een soort keukenmes betrof maar hij kon het mes verder moeilijk omschrijven. De afstand tussen de verdachte en de jongens zou ongeveer 4 meter zijn geweest.
Bij de rechter-commissaris heeft [naam] echter verklaard niet meer met zekerheid te kunnen zeggen dat het voorwerp in de hand van de verdachte een mes betrof. Het was in ieder geval een ijzeren ding, waarvan [naam] op dat moment dacht dat het een mes was. Hij heeft het mes alleen niet goed kunnen zien omdat het te ver weg was. Zo zou er een afstand van 10 à 15 meter tussen de jongens en de verdachte zijn geweest. Daarnaast zou de verdachte enkel het mes in zijn hand hebben gehouden en liet hij het mes ‘niet heel erg’ zien aan de jongens.
Verklaringen [slachtoffer 2]
heeft in zijn aangifte verklaard dat [slachtoffer 1] , [naam] en [slachtoffer 2] van de voetbalclub wegfietsten en de verdachte voor hen zagen fietsen. Hij zag daarbij dat de verdachte een glas in zijn hand had, dat volgens [slachtoffer 2] gevuld was met alcohol. Toen de jongens de verdachte voorbijfietsten zou de verdachte een opmerking hebben gemaakt over hun fatbikes en het glas hebben gegooid in de richting van de jongens. De verdachte bleef vervolgens achter de jongens fietsen. De jongens zijn op de stoep gaan fietsen en stopten op een gegeven moment. De man fietste [slachtoffer 1] , [naam] en [slachtoffer 2] voorbij en reed hen daarbij bijna aan. De jongens zijn vervolgens door gaan fietsen waarbij de verdachte opnieuw achter hen aan reed. Hierbij riep de verdachte scheldend naar de jongens. [slachtoffer 2] zag de verdachte achter hem met een hand aan het stuur en met zijn andere hand iets uit zijn jaszak pakken. Dit leek op een soort mes. [slachtoffer 2] zag vervolgens niet meer wat de verdachte met het mes deed.
Bij de rechter-commissaris heeft [slachtoffer 2] verklaard dat hij dacht dat de verdachte een mes bij zich had. [slachtoffer 2] zag een voorwerp uit de linkerzak van de verdachte komen, waarbij hij het stuur zou hebben vastgehouden met zijn rechterhand. Dit had de vorm van een mes, het zag er scherp uit. [slachtoffer 2] heeft daarbij aangegeven dit niet zeker te weten aangezien het donker was. De afstand tussen de verdachte en de jongens betrof volgens [slachtoffer 2] 10 tot 25 meter en de verdachte richtte het mes ‘een beetje’ op de jongens.
Verklaring van de verdachte
De verdachte heeft ter terechtzitting van 14 augustus 2026 erkend op 4 november 2025 aanwezig te zijn geweest op de voetbalclub. Hij heeft daarbij gesproken met ouders rondom het voetbalveld. Toen de verdachte wegfietste van de voetbalclub zouden achter hem jongens hebben gefietst met een fatbike. Deze jongens zouden provocerende dingen naar de verdachte hebben geroepen. De jongens zouden ook een opmerking hebben gemaakt over het trekken van een mes door de verdachte. De verdachte zou op geen van de opmerkingen hebben gereageerd. Hij wilde enkel dat de jongens hem zouden inhalen, aangezien zij sneller waren met de elektrische fiets. De verdachte heeft verklaard geen mes of ander scherp voorwerp bij zich te hebben gedragen of getoond te hebben.
Ontbreken van de overtuiging
De rechtbank is van oordeel dat het strafdossier op zichzelf voldoende wettig bewijs bevat voor de tenlastegelegde bedreiging met een mes (of ander scherp voorwerp), namelijk de aangiftes van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , de getuigenverklaring van [naam] en de verklaring van de verdachte ter terechtzitting dat hij die avond op de betreffende voetbalclub aanwezig was en in contact is geweest met de drie jongens. De rechtbank is echter met de raadsvrouw van oordeel dat de verklaringen van de drie jongens op essentiële onderdelen niet overeenkomen en daardoor teveel onduidelijkheid scheppen over wat zich al dan niet zou hebben afgespeeld tussen verdachte en de jongens. Zo verklaren de drie jongens verschillend over de aanleiding, of sprake was van een mes en, zo ja, de grootte daarvan, de afstand tussen de verdachte en de jongens, de plek waar het mes zich bevond bij de verdachte en de bewegingen die de verdachte met het mes zou hebben gemaakt. Door deze belangrijke verschillen is bij de rechtbank redelijke twijfel ontstaan, wat maakt dat de rechtbank niet de benodigde overtuiging heeft gekregen dat de verdachte de ten laste gelegde bedreiging met een mes (of ander scherp voorwerp) heeft begaan. De rechtbank heeft daarbij meegewogen dat de drie jongens minderjarig waren en door de gebeurtenis waren geschrokken, wat een verklaring kan vormen voor de verschillen in hun verklaringen. Dit neemt de bij de rechtbank bestaande redelijke twijfel echter niet weg.
In een dergelijk geval rest de rechtbank niets anders dan toepassing te geven aan een van de grondregels van ons strafrechtelijk systeem, namelijk dat in het geval van redelijke twijfel die twijfel in het voordeel van de verdachte dient te worden beslecht (in dubio pro reo). De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken.
4. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit vonnis is gewezen door
mr. P.K. Oosterling-van der Maarel, voorzitter,
mrs. B.C. Langendoen en A.M. Timorason, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. B.L. Briejer, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 augustus 2026.