ECLI:NL:RBAMS:2026:8732

ECLI:NL:RBAMS:2026:8732

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 01-09-2026
Datum publicatie 01-09-2026
Zaaknummer 13/171250-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging en belaging van zijn ex-partner. De rechtbank verklaart verdachte verminderd toerekeningsvatbaar en legt tbs met voorwaarden op, waarbij de gestelde voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard. De ernst van de feiten rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank, mede gelet op het strafblad van verdachte, tevens de oplegging van een gevangenisstraf. De rechtbank zal daarom een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 4 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank zal tot slot een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht opleggen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/171250-25

Datum uitspraak: 1 september 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1974,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres:

[adres] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd te: [naam Justitieel Complex] .

1. Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 augustus 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. N.R. Bakkenes, en van wat verdachte en zijn raadslieden, mrs. R.A.M. van Doorn en C. Stenger, naar voren hebben gebracht. Daarnaast heeft de rechtbank J. Raven en N. Mintardjo, reclasseringswerkers bij GGZ Fivoor, ter terechtzitting als deskundigen gehoord.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich in Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan:

Feit 1

bedreiging van [slachtoffer] in de periode van 1 januari 2025 tot en met 2 juni 2025.

Feit 2

belaging van [slachtoffer] in de periode van 1 mei 2025 tot en met 2 juni 2025.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en

geldt als hier ingevoegd.

3. Waardering van het bewijs

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Ten aanzien van feit 1

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de bedreiging wettig en overtuigend bewezen kan worden. Wel dient verdachte partieel te worden vrijgesproken met betrekking tot het bericht "Open contract 50 k [slachtoffer] [adres] binnen 24 uur 30k Bonus" omdat verdachte dit bericht kort na het versturen heeft verwijderd. Ook dient partiële vrijspraak te volgen voor de berichten "En mocht je ooit ergens bij mij in de buurt zijn krijg je van mij ook nog een portie klappen echt ... is natuurlijk grapje" en "Eerlijk zou hier niet meer naar toe gaan, staan zo maar mensen je op te wachten, Amsterdam is geen fijne stad wens je het beste wees voorzichtig", omdat deze geen bedreiging met zwaar lichamelijk letsel of de dood behelzen.

Ten aanzien van feit 2

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de belaging wettig en overtuigend bewezen kan worden. Verdachte heeft in de tenlastegelegde periode op meerdere momenten wederrechtelijk contact gezocht met aangeefster en derden, waarbij hij aangeefster zwart maakte. Hiermee heeft hij aangeefster gedwongen te dulden dat stelselmatig contact met haar werd gezocht, heeft hij haar vrees aangejaagd en heeft hij inbreuk gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer.

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 1

De verdediging heeft verzocht verdachte partieel vrij te spreken van de uitlatingen "ik heb een doorgelaten pistool met een demper en schiet 'r dood" en/of "ik schiet 'r dood" en/of "ik schiet 'r binnen een uur dood. Meen ik ja" en/of "ik ben gewapend ik schiet d'r ogen de kanker kop uit" en/of "ik zweer het mam, ik schiet ze dood", omdat verdachte deze uitlatingen niet naar aangeefster heeft gestuurd en geen (voorwaardelijk) opzet had op het feit dat de aangeefster ervan op de hoogte zou raken.

Ten aanzien van feit 2

De verdediging heeft verzocht verdachte vrij te spreken van de belaging, omdat de berichten geen stelselmatige inbreuk hebben gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster, met name vanwege de korte duur van de periode waarin de (e-mail)berichten zijn verstuurd. De berichten kunnen worden gezien als een korte eruptie van woede, verdriet en wanhoop na de relatiebreuk.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

De rechtbank is van oordeel dat de onder feit 1 tenlastegelegde bedreigingen wettig en overtuigend kunnen worden bewezen, met uitzondering van het bericht "Open contract 50 k [slachtoffer] [adres] binnen 24 uur 30k Bonus".

De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van bedreiging is vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging. Bovendien moet de bedreiging van dien aard zijn en onder zodanige omstandigheden zijn gebeurd dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd ook gepleegd zou kunnen worden. Het gaat erom dat de bedreiging in het algemeen een dergelijke vrees zou kunnen opwekken.

Op basis van het dossier stelt de rechtbank vast dat verdachte omstreeks de periode van 1 mei 2025 tot en met 2 juni 2025 alle tenlastegelegde uitlatingen daadwerkelijk heeft geuit, mede gelet op de bekentenis van verdachte ter terechtzitting. De rechtbank stelt ook vast dat aangeefster van alle tenlastegelegde uitlatingen op de hoogte is geraakt, met uitzondering van het bericht "Open contract 50 k [slachtoffer] [adres] binnen 24 uur 30k Bonus". Verdachte heeft dit bericht relatief kort na het versturen verwijderd en uit het dossier blijkt niet dat aangeefster het bericht daarvoor al had gelezen, waardoor de rechtbank verdachte van dit onderdeel partieel zal vrijspreken.

Ten aanzien van de uitlatingen "ik heb een doorgelaten pistool met een demper en schiet 'r dood", "ik schiet 'r dood", "ik schiet 'r binnen een uur dood. Meen ik ja", "ik ben gewapend ik schiet d'r ogen de kanker kop uit" en "ik zweer het mam, ik schiet ze dood" overweegt de rechtbank als volgt. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat verdachte voorwaardelijk opzet had op het feit dat de aangeefster ervan op de hoogte zou raken. Verdachte heeft deze uitlatingen gedaan tijdens een telefoongesprek met zijn ex-vriendin, die het gesprek heeft opgenomen en vervolgens heeft doorgestuurd naar aangeefster. In het gesprek verklaart verdachte dat hij op dat moment onderweg is naar Amsterdam, met een doorgeladen pistool waarmee hij aangeefster gaat doodschieten. Tegen deze achtergrond en gelet op de aard en ernst van de uitlatingen, moest verdachte er rekening mee houden dat zijn ex-vriendin aangeefster zou waarschuwen, waardoor aangeefster op de hoogte zou raken van zijn uitlatingen. Door de uitlatingen desondanks tegenover zijn ex-vriendin te doen, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat deze aangeefster zouden bereiken.

De rechtbank is van oordeel dat de bewezenverklaarde tenlastegelegde uitlatingen, bezien in de gegeven omstandigheden, naar hun aard geschikt zijn om bij aangeefster de redelijke vrees te doen ontstaan dat zij het leven zou kunnen verliezen dan wel zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. Dat aangeefster de uitlatingen ook daadwerkelijk zo heeft ervaren, vindt bevestiging in haar verklaring. Aangeefster heeft immers verklaard doodsbang te zijn voor verdachte, te vrezen dat hij haar zal vermoorden en ervan overtuigd te zijn dat verdachte zal doen wat hij zegt en schrijft.

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank is van oordeel dat de onder feit 2 tenlastegelegde belaging wettig en overtuigend kan worden bewezen.

De rechtbank stelt voorop dat de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, volgens vaste rechtspraak moet worden beoordeeld aan de hand van de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijke leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. Het oogmerk om te dwingen iets te dulden kan volgen uit de bewezenverklaarde handelingen, waaruit kan worden afgeleid dat het slachtoffer geen keuze wordt gelaten in het al dan niet aanvaarden van contact met de belager.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte zich in de periode van 1 mei 2025 tot en met 2 juni 2025 meermalen en op indringende wijze contact heeft gezocht met aangeefster. Zo heeft verdachte op 15 mei 2025 meer dan twintig e-mailberichten aan aangeefster gestuurd, waarin hij onder andere dreigt de gemeente te informeren over haar vermeende illegale verhuur, met als gevolg dat zij dakloos zou worden en op een zwarte lijst zou komen. Verder heeft hij op 13, 15, 20, 21 en 22 mei vele WhatsApp-berichten gestuurd naar aangeefster waarin hij onder meer bedreigingen richting aangeefster uit, haar van witwassen beschuldigt en dreigt aangifte te doen waardoor zij twee jaar de gevangenis in zal moeten. Ook heeft hij geschreven dat zijn volgende stap zou zijn om haar vermeende illegale bewoning te melden en heeft hij haar beschuldigd van uitkeringsfraude, valsheid in geschrifte en oplichting.

Op 23 mei 2025 heeft verdachte eveneens meer dan twintig e-mailberichten aan aangeefster gestuurd, waarin hij onder meer heeft geschreven dat haar faillissement zo snel mogelijk zou worden aangevraagd en dat zij haar huis uit zou moeten. Verdachte heeft zich niet beperkt tot het rechtstreeks benaderen van aangeefster. Op 15 mei 2025, 19 mei 2025 en 28 mei 2025 heeft hij e-mailberichten aan [naam werkgever] , de werkgever van aangeefster, gestuurd. In deze berichten heeft hij aangeefster onder meer van uitkeringsfraude beschuldigd en gesteld dat zij haar CV heeft vervalst en geen opleidingen heeft gevolgd. Daarnaast heeft verdachte op 19 mei 2025 een e-mailbericht aan de gemeente Den Haag gestuurd, waarin hij heeft geschreven dat aangeefster foutief ingeschreven staat.

Voor verdachte moet duidelijk zijn geweest dat aangeefster hier niet van was gediend en geen contact met hem wenste. Zij heeft dit immers aan hem kenbaar gemaakt. Zo blijkt uit haar aangifte dat zij hem meermaals heeft gevraagd geen contact meer met haar op te nemen en dat zij met rust gelaten wilde worden, maar dat hij geen nee accepteert. Ook is op de overgelegde screenshots te zien dat zij zijn nummer heeft geblokkeerd. Desondanks is verdachte doorgegaan met het benaderen van aangeefster. De gedragingen van verdachte kunnen naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet anders worden begrepen dan als gedragingen die erop zijn gericht geweest aangeefster te dwingen contact met hem te dulden.

Uit de aangifte blijkt dat het handelen van verdachte een grote invloed heeft gehad op het persoonlijke leven en de persoonlijke vrijheid van aangeefster. Zij heeft verklaard doodsbang te zijn, niet naar buiten te durven en veel te reizen om verdachte niet tegen te komen. Ook heeft zij verklaard te vrezen dat zij door het handelen van verdachte geen werk of woning meer zal kunnen vinden en dat hij haar leven kapotmaakt. Zij heeft bovendien verklaard dat zij door de gebeurtenissen schulden heeft en alles is kwijtgeraakt.

Hoewel de periode waarin de gedragingen hebben plaatsgevonden relatief kort is geweest, zijn de aard, frequentie en intensiteit van de gedragingen van verdachte van zodanige aard geweest dat sprake is van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster en niet, zoals door de verdediging naar voren is gebracht, van een kortstondige eruptie van woede, verdriet en wanhoop na de relatiebreuk. Daarbij weegt de rechtbank mee dat verdachte haar niet alleen veelvuldig rechtstreeks heeft benaderd, maar ook haar werkgever en overheidsinstanties heeft benaderd en daarbij ernstige beschuldigingen over haar heeft geuit.

4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

Feit 1

op tijdstippen omstreeks de periode van 1 mei 2025 tot en met 2 juni 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer] (via een voice memo en/of whatsapp) dreigend de woorden toegevoegd

"en geniet van ... misschien wel de laatste uren op aarde voor je ja", "ik heb een doorgelaten pistool met een demper en schiet 'r dood", "ik schiet 'r dood", "ik schiet 'r binnen een uur dood. Meen ik ja", "ik ben gewapend ik schiet d'r ogen de kanker kop uit" en "ik zweer het mam, ik schiet ze dood" en

" Geniet van je laatste uren, Op aarde, Lol, Dag [slachtoffer] , We traceren al je nummers, [nummer] , [nummer] , Geniet, Van je laatste uren, Op aarde, Bij wijze van spreke, Grapje" en

"Ik maak je kapot voor strest van je leven" en "En mocht je ooit ergens bij mij in de buurt zijn krijg je van mij ook nog een portie klappen echt ... is natuurlijk grapje" en

"Eerlijk zou hier niet meer naar toe gaan, staan zo maar mensen je op te wachten, Amsterdam is geen fijne stad wens je het beste wees voorzichtig" en

"Je woont aan een hele drukke weg veel verkeer. Iedere dag kan iedereen je zien naar buiten lopen .. zou het echt naar vinden als er iets zou gebeuren met je dat meen ik" en

"Er gebeuren ook veel inbraken midden in de nacht staat er zo iemand aan je bed. Zorg a.u.b. dat dat niet gebeurt bij je en koop goede sloten. En niet zoals beneden de deur die je met koevoet in 10 seconde open hebt trap recht omhoog loopt en kerel met bivakmuts aan je bed staat en die je wat aandoet in je slaap. Maak me oprecht zorgen".

Feit 2

op tijdstippen in de periode van 1 mei 2025 tot en met 2 juni 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op een anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door telkens (tegen de wil van die [slachtoffer] )- veelvuldig e-mailberichten aan die [slachtoffer] en aan haar werkgever [naam werkgever] en aan de gemeente Den Haag te sturen met onder meer dwingende en/of dreigende teksten en- meerdere malen whatsapp berichten aan die [slachtoffer] te sturen met onder meer dwingende en/of dreigende teksten

met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.

Voor zover in het bewezenverklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5. De strafbaarheid van de feiten

De bewezenverklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straf en maatregel

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden verklaard, gelet op de rapportages van de deskundigen.

De officier van justitie heeft primair gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met aftrek van het voorarrest, en dat aan hem een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd, inhoudende een - direct en indirect - contactverbod met aangeefster. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging (hierna: tbs) wordt opgelegd. Gelet op het gebrek aan intrinsieke behandelmotivatie, het hoge risico op onttrekking aan voorwaarden en het hoge recidiverisico is tbs met dwangverpleging volgens de officier van justitie de enige verantwoorde optie ter bescherming van de maatschappij. Een periode van 4 jaar is volgens de officier van justitie te kort om bij verdachte enige gedragsverandering te bewerkstelligen. De tbs dient daarom ongemaximeerd te worden opgelegd.

Subsidiair heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met aftrek van het voorarrest, wordt opgelegd, alsmede een gemaximeerde tbs met dwangverpleging. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd voornoemde 38v maatregel op te leggen, alsmede een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.

Meer subsidiair heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met aftrek van het voorarrest, wordt opgelegd, alsmede een tbs met voorwaarden. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd voornoemde 38v en 38z maatregelen op te leggen. Indien de op te leggen gevangenisstraf gelijk is aan de duur van het voorarrest, heeft de officier van justitie tevens gevorderd de voorlopige hechtenis te schorsen onder de voorwaarden die aan de tbs met voorwaarden worden verbonden. Tot slot heeft zij verzocht de 38v maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die de duur van het voorarrest niet overstijgt, in combinatie met een voorwaardelijk strafdeel met als bijzondere voorwaarde in ieder geval een ambulante behandeling. Dit zou voldoende zijn om de behandeldoelen te bereiken en het recidiverisico te beperken. De verdediging heeft daarbij verzocht verdachte niet te verbieden naar het buitenland te reizen, omdat hij in het buitenland werkt en zijn kinderen in Spanje wonen.

Tbs met voorwaarden is volgens de verdediging in deze zaak niet passend, omdat niet wordt voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het enkele risico dat verdachte zich niet aan de bijzondere voorwaarden zal houden, is onvoldoende.

Subsidiair heeft de verdediging verzocht de door de reclassering geadviseerde voorwaarden bij de tbs aan te passen, omdat bij de voorwaarden onder 4, 5 en 6 is opgenomen dat deze van toepassing zijn indien de reclassering dit nodig acht. Daarnaast heeft de verdediging verzocht de tbs gemaximeerd op te leggen.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen maatregel en straf zijn in overeenstemming met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende maatregel en straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Aard en ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging en belaging van zijn ex-partner. Dit zijn ernstige strafbare feiten die een grove inbreuk hebben gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij met zijn handelen volledig voorbij is gegaan aan de gevoelens en belangen van aangeefster. Verdachte heeft niet alleen herhaaldelijk contact met haar gezocht, maar heeft haar ook bij derden in een kwaad daglicht gesteld door haar werkgever en de gemeente te benaderen. Daarmee is de impact van zijn handelen niet beperkt gebleven tot de privésfeer, maar ook doorgedrongen tot haar professionele leven. Als gevolg van het handelen van verdachte heeft aangeefster zich zeer onveilig gevoeld. De impact van het handelen van verdachte blijkt ook uit de slachtofferverklaring die ter terechtzitting is voorgelezen.

Persoon van verdachte

Uittreksel Justitiële Documentatie

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 6 juli 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor belaging. Daarmee is sprake van recidive en dat weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee. Ook blijkt dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. De rechtbank houdt hiermee rekening.

Pro Justitia-rapportage

De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van de Pro Justitia-rapportage van 12 maart 2026, opgesteld naar aanleiding van het psychiatrisch, psychologisch en milieukundig onderzoek naar verdachte door psychiater M.B.F. van Berkel, psycholoog E.C. Wendt en forensisch milieuonderzoeker G.J. Ploeg. Hieruit blijkt – kort samengevat – het volgende.

Bij verdachte is sprake van een narcistische persoonlijkheidsstoornis met borderline- en antisociale trekken, alsmede van een stoornis in het gebruik van alcohol en cocaïne. Deze stoornissen waren aanwezig ten tijde van het tenlastegelegde en hebben zijn gedragingen beïnvloed. De onderzoekers adviseren de feiten in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen en overwegen daartoe als volgt.

Vanuit zijn persoonlijkheidsstoornis is bij verdachte sprake van een gebrekkige impulsbeheersing en een beperkte frustratietolerantie. Vooral binnen (intieme) relaties kunnen gevoelens van ervaren onrecht en angst voor afwijzing of (dreigende) verlating gemakkelijk worden geprikkeld. Deze kwetsbaarheid, in combinatie met zijn beperkte vermogen om emoties adequaat te reguleren en te controleren, maakt het goed voorstelbaar dat verdachte op momenten waarop hij zich gekrenkt voelt impulsief en (verbaal) agressief kan reageren. Daarnaast is bij verdachte sprake van een lage mate van remming, met name in periodes van verhoogde spanning. In dergelijke situaties handelt hij impulsiever en vermindert zijn vermogen om zijn interne gevoelens en de externe werkelijkheid van elkaar te onderscheiden. Dit kan leiden tot woede-uitingen. Zijn oppervlakkige gevoelsleven maakt hem ongevoelig en onverschillig voor de impact van zijn gedrag op de ander en middelengebruik vermindert de emotieregulatie en beoordelingsvermogen nog verder. Het middelengebruik wordt daarbij gezien als een aanjagende en versterkende factor bij escalaties, maar niet als een noodzakelijke voorwaarde daarvoor.

De kans op herhaling van soortgelijke feiten wordt door de onderzoekers, indien verdachte onbehandeld blijft, ingeschat als matig tot hoog. Geadviseerd wordt een gespecialiseerde persoonlijkheidsgerichte behandeling in te zetten, gericht op het verbeteren van emotieregulatie, impulscontrole, mentalisatie en relationele vaardigheden. Daarnaast dient behandeling plaats te vinden voor de middelenproblematiek, waarbij volledige abstinentie van alcohol en drugs noodzakelijk wordt geacht.

Een zorgmachtiging wordt door de onderzoekers niet passend geacht, omdat deze onvoldoende gericht is op het beperken van het recidiverisico en onvoldoende mogelijkheden biedt voor langdurige behandeling. Ook een deels voorwaardelijke straf wordt onvoldoende passend geacht, omdat bij overtreding van de voorwaarden een gevangenisstraf zonder behandeling resteert. Gelet op de noodzaak van langdurige behandeling, in combinatie met het hoge recidiverisico, achten de onderzoekers tbs het enige toereikende kader. Verdachte kan daarin zowel langdurig toezicht als gerichte behandeling ontvangen. De voorkeur van de onderzoekers gaat uit naar een tbs met voorwaarden. Verdachte wordt weliswaar in staat geacht zich aan voorwaarden te houden, maar volgens de onderzoekers is een stevige stok achter de deur nodig om de behandeling duurzaam te laten bestaan.

Reclasseringsadvies

Ten slotte heeft de rechtbank kennis genomen van het reclasseringsrapport van 31 juli 2026. Hieruit blijkt dat de reclassering adviseert aan verdachte een tbs met voorwaarden op te leggen, ondanks de kanttekeningen die zij plaatsen bij de haalbaarheid van een tbs met voorwaarden, en overwegen hiertoe het volgende.

Het recidiverisico en het risico op onttrekking aan de voorwaarden worden als hoog ingeschat, gelet op het turbulente verloop van het meest recente schorsingstoezicht. Daarmee plaatst de reclassering een belangrijke kanttekening bij de uitvoerbaarheid van een tbs met voorwaarden. De voorwaarden, waaronder het alcohol- en drugsverbod, zijn meerdere malen met verdachte besproken, maar zijn desondanks inmiddels tot driemaal toe overtreden. Volgens de reclassering blijkt hieruit dat verdachte grote moeite heeft met het naleven van het middelenverbod.

Daarnaast ziet verdachte onvoldoende de noodzaak van een klinische behandeling omdat hij van mening is dat er geen sprake is van een verslavingsproblematiek. Vanuit reclasseringsoogpunt is voldoende bereidheid en medewerking aan zowel de klinische behandeling als de algemene en bijzondere voorwaarden echter noodzakelijk. Aan verdachte is uitgelegd dat een tbs met voorwaarden een zwaar juridisch kader is dat een groot beroep doet op zijn eigen verantwoordelijkheid. Bij de meest recente bespreking heeft verdachte, met uitzondering van de klinische opname, opnieuw ingestemd met de overige voorwaarden.

Hoewel de haalbaarheid van een tbs met voorwaarden kwetsbaar is, kan de mogelijkheid van omzetting naar tbs met dwangverpleging als stok achter de deur een sturende en ondersteunende werking hebben om verdachte alsnog tot een klinische opname te bewegen. Dit sluit volgens de reclassering aan bij de houding van verdachte, nu hij de klinische behandeling weliswaar afwijst, maar aangeeft gemotiveerd te zijn voor ambulante behandeling gericht op zijn boosheid, gevoelens van onrechtvaardigheid en de verwerking van de relationele afwijzing.

De reclassering adviseert de volgende voorwaarden aan de tbs met voorwaarden te verbinden:

1. geen strafbaar feit plegen;2. meewerken aan reclasseringstoezicht;4. meewerken aan een time-out;5. opname in een zorginstelling;6. begeleid wonen of maatschappelijke opvang;7. ambulante behandeling;8. middelenverbod en meewerken aan middelencontrole;9. dagbesteding;10. meewerken aan schuldhulpverlening/beschermingsbewind;11. niet naar het buitenland (reisverbod);12. contactverbod.

Daarnaast adviseert de reclassering onder verwijzing naar vaste rechtspraak de voorlopige hechtenis onder dezelfde voorwaarden te schorsen en de tbs dadelijk uitvoerbaar te verklaren, gelet op het hoge recidiverisico. Ook adviseert de reclassering een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht en een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op te leggen, inhoudende een contactverbod met aangeefster. De laatstgenoemde maatregel dient eveneens dadelijk uitvoerbaar te worden verklaard.

Dit reclasseringsadvies is ter terechtzitting door de deskundigen J. Raven en N. Mintardjo toegelicht en bevestigd.

Op te leggen straf en maatregel

Toerekeningsvatbaarheid

De rechtbank is van oordeel dat bovengenoemde rapportages op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en dat de conclusies over de toerekenbaarheid worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijke gemotiveerde onderbouwing. De rechtbank neemt het advies van de deskundigen over en is van oordeel dat het handelen van verdachte deels werd gedreven door zijn narcistische persoonlijkheidsstoornis met borderline- en antisociale trekken en zijn stoornis in het gebruik van alcohol en cocaïne. De rechtbank neemt ook de conclusie van de deskundigen, dat het bewezenverklaarde de verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend, over.

Tbs met voorwaarden

De rechtbank concludeert dat het noodzakelijk is dat verdachte ter beschikking gesteld wordt en dat aan de formele voorwaarden voor oplegging van die maatregel is voldaan. De rechtbank stelt op basis van voornoemde rapportages vast dat tijdens het begaan van de feiten bij verdachte een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. De bewezen geachte feiten zijn misdrijven genoemd in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht. Tot slot vereist de veiligheid van anderen het opleggen van deze maatregel. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het recidiverisico, indien verdachte onbehandeld in de maatschappij terugkeert, als matig tot hoog wordt ingeschat.

De rechtbank komt tot de conclusie dat tbs het meest passende juridische kader vormt voor de behandeling en begeleiding van verdachte. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat uit de rapportages van de deskundigen volgt dat bij verdachte sprake is van persoonlijkheids- en middelenproblematiek, die van invloed zijn geweest op zijn handelen. Zonder behandeling wordt het risico op herhaling van soortgelijke feiten ingeschat als matig tot hoog. Een zorgmachtiging of een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden wordt onvoldoende toereikend geacht, omdat daarmee onvoldoende waarborgen bestaan voor de noodzakelijke behandeling en het toezicht. De rechtbank volgt de verdediging dan ook niet in haar standpunt dat met een voorwaardelijk strafdeel kan worden volstaan.

De rechtbank heeft zich vervolgens gebogen over de vraag of een tbs met dwangverpleging moet worden opgelegd of dat kan worden volstaan met oplegging van een tbs met voorwaarden. De rechtbank stelt vast dat er zorgen bestaan over de uitvoerbaarheid van een tbs met voorwaarden. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de deskundigen bij het opstellen van de Pro Justitia-rapportage nog niet bekend waren met het verloop van het meest recente schorsingstoezicht en de overtredingen van het alcohol- en drugsverbod door verdachte. Deze omstandigheden laten zien dat verdachte moeite heeft met het naleven van voorwaarden, in het bijzonder het middelenverbod.

De rechtbank acht deze zorgen echter onvoldoende om te concluderen dat een tbs met voorwaarden niet haalbaar is. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de problemen bij de naleving van de voorwaarden zich met name hebben voorgedaan rondom het middelengebruik en dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard zich aan de eventueel opgelegde voorwaarden te zullen houden, inclusief een klinische opname. Ook acht de rechtbank van belang dat zowel de deskundigen als de reclassering mogelijkheden zien voor behandeling binnen het kader van een tbs met voorwaarden. De mogelijkheid dat bij het niet naleven van de voorwaarden alsnog tbs met dwangverpleging kan volgen, vormt daarbij een belangrijke stok achter de deur en kan een zwaarwegende prikkel vormen voor verdachte om zich aan de voorwaarden te houden.

De rechtbank volgt het advies van de deskundigen en legt aan verdachte een gevangenisstraf in combinatie met de maatregel van terbeschikkingstelling onder voorwaarden op zoals hierna uitgewerkt.

Dadelijke uitvoerbaarheid

Aangezien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zal de rechtbank bevelen dat de gestelde voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn. De rechtbank vindt het bovendien noodzakelijk dat de behandeling van verdachte direct na dit vonnis aanvangt, ook indien hoger beroep wordt ingesteld.

Gevangenisstraf

De ernst van de feiten rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank, mede gelet op het strafblad van verdachte, tevens de oplegging van een gevangenisstraf. Gelet op de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte, de oplegging van tbs met voorwaarden en artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, acht de rechtbank het echter niet opportuun om een gevangenisstraf op te leggen die de duur van de voorlopige hechtenis overschrijdt. De rechtbank zal daarom een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 4 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel

Op basis van voornoemde rapportages is er naar het oordeel van de rechtbank een gegronde vrees voor herhaling. De rechtbank acht het daarom van belang dat er een mogelijkheid bestaat om, nadat de tbs afloopt, langdurig toezicht op verdachte te kunnen houden en hem eventueel te behandelen en te begeleiden, ter bescherming van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen. De rechtbank zal daarom, naast tbs met voorwaarden, ook een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht opleggen. Aan de eisen voor het opleggen van deze maatregel is voldaan.

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen meerwaarde in het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank acht het bestaande kader voldoende toereikend.

Schorsing van de voorlopige hechtenis

Voor de periode dat dit vonnis nog niet onherroepelijk is geworden, zal de rechtbank bevelen dat de voorlopige hechtenis van verdachte wordt geschorst met ingang van het tijdstip waarop verdachte wordt opgenomen in de beoogde kliniek, dan wel een overbruggingsplek in afwachting van plaatsing in de kliniek. Aan de schorsing van de voorlopige hechtenis zal de rechtbank dezelfde voorwaarden verbinden als die aan de tbs worden verbonden.

Deze schorsing van de voorlopige hechtenis acht de rechtbank nodig omdat omzetting van de dadelijk uitvoerbare tbs met voorwaarden (bij overtreding van de voorwaarde van de tbs) niet mogelijk is zolang dit vonnis niet onherroepelijk is. Als verdachte de in het kader van de tbs maatregel te stellen voorwaarden (en daarmee de schorsingsvoorwaarden) niet naleeft, terwijl dit vonnis nog niet onherroepelijk is, kan de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis worden bevolen. Op die manier kunnen ook in die situatie de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen worden gewaarborgd. De rechtbank verwijst hiertoe naar het arrest van de Hoge Raad van 26 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1729, r.o. 6.4.3 en 6.5.

Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis zal worden opgeheven met ingang van het moment waarop dit vonnis onherroepelijk is geworden.

8. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een bedrag van € 3.232,45 aan materiële schade. Zij heeft gedurende de periode waarin zij zich onveilig voelde op andere adressen verbleven dan bij verdachte bekend waren en vordert de huurkosten van deze tijdelijke woningen voorzover zij in die periode dubbele kosten heeft gemaakt. Over de maanden juni en juli moest zij vanwege haar opzegtermijn tevens de huur van de woning waaruit zij was gevlucht blijven betalen. Voor de maand augustus was daarvan geen sprake. Uit het tijdelijke huurcontract volgt dat zij van 14 juli tot en met 18 augustus 2025 in de tijdelijke woning verbleef voor een bedrag van € 1.200,-. Dit komt neer op € 33,33 per dag. Voor de 18 dagen in augustus bedraagt dit € 599,94, welk bedrag op de totale huurkosten in mindering wordt gebracht. De totale huurkosten komen daarmee uit op € 2.900,06.

Daarnaast heeft dit verblijf geleid tot aanvullende reiskosten, welke kosten zij eveneens vordert.

Verder vordert de benadeelde partij een bedrag van € 7.500,- aan immateriële schade. Zij stelt dat zij als gevolg van de tenlastegelegde feiten verschillende psychische klachten heeft ontwikkeld, waaronder angstklachten, paniekklachten en slaapproblemen.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij in haar geheel dient te worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de gevorderde materiële schadevergoeding heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de kosten van de tijdelijke huurcontracten onvoldoende zijn onderbouwd. Daarnaast heeft de verdediging aangevoerd dat de kosten van het huurcontract vanaf 13 juni 2025 tot en met 13 juli 2025 aan de politie zijn toe te rekenen.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding heeft de verdediging aangevoerd dat geen diagnose van PTSS is gesteld en dat evenmin het causale verband tussen de gestelde PTSS en het handelen van verdachte is onderbouwd. De verdediging heeft daarom verzocht de vordering af te wijzen dan wel de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, omdat verder onderzoek hiernaar een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Subsidiair heeft de verdediging verzocht bij de beoordeling aansluiting te zoeken bij de Rotterdamse schaal.

Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

Vast staat dat aan de benadeelde partij door de bewezenverklaarde feiten rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De schadeposten die voor vergoeding in aanmerking komen, zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd en komen de rechtbank redelijk voor. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van de materiële schade daarom toewijzen tot een bedrag van in totaal € 3.232,45, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 juli 2025. Dit bedrag bestaat uit € 332,39 aan reiskosten en € 2.900,06 aan kosten voor tijdelijke huurcontracten.

De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen.

Immateriële schade

De wet geeft slechts in bepaalde gevallen recht op vergoeding van immateriële schade, zoals geregeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Als bij een benadeelde partij geen sprake is van lichamelijk letsel of van aantasting in zijn eer of goede naam, dient de benadeelde partij ‘op andere wijze’ in zijn persoon te zijn aangetast, wil hij aanspraak kunnen maken op vergoeding van immateriële schade. Van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Hetgeen in dit verband door de benadeelde partij is aangevoerd oordeelt de rechtbank als onvoldoende.

Echter, ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen.

De rechtbank is van oordeel dat uit de aard en de ernst van de normschendingen, belaging en bedreiging, volgt dat sprake is van een aantasting in de persoon van de benadeelde partij op andere wijze. De rechtbank heeft daarbij acht geslagen op de intensiteit en context van de belaging en bedreigingen en ook op het feit dat verdachte derden benaderde over haar en haar valselijk beschuldigde. Daarnaast heeft de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank voldoende met concrete gegevens onderbouwd dat zij ernstige nadelige geestelijke gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde handelen van verdachte, te weten het gevoel van onveiligheid, angst en stress. Dit betekent dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt.

De rechtbank neemt bij de begroting van de immateriële schadevergoeding de bedragen uit de Rotterdamse schaal als uitgangspunt en acht gelet op het bedrag dat genoemd wordt in de categorie ‘tamelijk ernstig’ bij belaging en het bedrag dat genoemd wordt bij bedreiging, al met al een vergoeding van € 3.500,- passend.

De rechtbank zal de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vordering tot vergoeding van immateriële schade toewijzen tot een bedrag van € 3.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 1 mei 2025. Daarbij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen.

9. Beslag

Onder verdachte is het volgende goed in beslag genomen:

1. 1 STK Telefoontoestel (PL1300-2025124949-G6664726).

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de telefoon dient te worden teruggegeven aan de rechthebbende, zijnde aangeefster, nadat de daarop aanwezige gegevens van verdachte zijn verwijderd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich aangesloten bij de beslissing van de raadkamer om de telefoon terug te geven aan de rechthebbende, te weten aangeefster.

Het oordeel van de rechtbank

De op de beslaglijst vermelde telefoon behoort toe aan aangeefster. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de telefoon aan haar kan worden teruggegeven, maar dat hij zijn gegevens van de telefoon verwijderd wil hebben. De rechtbank zal daarom gelasten dat de telefoon wordt teruggegeven aan de rechthebbende, te weten aangeefster, onder de voorwaarde dat de gegevens van verdachte van de telefoon worden verwijderd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het Openbaar Ministerie ter terechtzitting heeft aangegeven reeds bezig te zijn met het verwijderen van deze gegevens.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 38, 38a, 38z, 55, 63, 285 en 285b van het Wetboek van Strafrecht.

11. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders ten laste is gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

eendaadse samenloop van:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, meermalen gepleegd

en

belaging, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering zal worden gebracht.

Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en stelt daarbij de volgende voorwaarden:

1. Geen strafbaar feit plegen

Veroordeelde maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit.

2. Meewerken aan reclasseringstoezicht

Veroordeelde werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:

3. Meewerken aan time-out

Als de reclassering dat nodig vindt en veroordeelde daarmee instemt, kan veroordeelde voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrische Kliniek of andere (soortgelijke) instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of veroordeelde deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar.

4. Opneming in een zorginstelling

Veroordeelde laat zich indien nodig geacht door de reclassering opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname start aansluitend op detentie en duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de

behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing.

5. Begeleid wonen of maatschappelijke opvang

Indien nodig zal veroordeelde verblijven in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. Het verblijf duurt zolang de reclassering en zorginstelling dat nodig vinden. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.

6. Ambulante behandeling

Veroordeelde laat zich behandelen door de forensisch polikliniek van de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering en/of de zorginstelling dat nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen en controle kan onderdeel zijn van de behandeling.

7. Middelenverbod en meewerken aan middelencontrole

Veroordeelde gebruikt geen drugs en alcohol en werkt mee aan controle op dit verbod. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd. Mogelijke controlemiddelen zijn ademonderzoek (blaastest) en urineonderzoek.

8. Dagbesteding

Veroordeelde zet zich in voor het realiseren en behouden van een passende en door de reclassering goedgekeurde dagbesteding en houdt zich aan de voorwaarden c.q. regels die hem gesteld worden.

9. Meewerken aan schuldhulpverlening/beschermingsbewind

Veroordeelde geeft indien nodig inzage in zijn financiën en werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van betalingsregelingen. Desgewenst werkt hij mee aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen en/of beschermingsbewind.

10. Niet naar het buitenland

Veroordeelde zal zich niet buiten de Europese landsgrenzen van Nederland begeven.

11. Contactverbod

Veroordeelde heeft of zoekt op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , voor zolang als de reclassering en het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt.

Geeft opdracht aan Reclassering Nederland de terbeschikkinggestelde bij de naleving van die voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Beveelt de dadelijke uitvoerbaarheid van de terbeschikkingstelling met voorwaarden en het uit te voeren reclasseringstoezicht.

Legt aan verdachte op de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.

Wijst de vordering van [slachtoffer] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 6.732,45 (zesduizend zevenhonderd tweeëndertig euro en vijfenveertig cent). Voormeld bedrag bestaat uit een bedrag van € 3.232,45 aan materiële schade vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 15 juli 2025 en een bedrag van € 3.232,45 aan immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 mei 2025. De rechtbank zal de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 6.732,45 (zesduizend zevenhonderd tweeëndertig euro en vijfenveertig cent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (over € 3.232,45 vanaf 15 juli 2025 en over € 3.232,45 vanaf 1 mei 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Voormeld bedrag bestaat uit een bedrag van € 3.232,45 aan materiële schade en een bedrag van € 3.500,00 aan immateriële schade. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 58 (achtenvijftig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Gelast de teruggave aan [slachtoffer] van:

1. STK Telefoontoestel (PL1300-2025124949-G6664726).

Schorst de voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het moment dat verdachte in het kader van de klinische behandeling zal worden opgenomen in de kliniek, dan wel een overbruggingsplek in afwachting van plaatsing in de kliniek. De schorsing van de voorlopige hechtenis duurt tot het moment waarop dit vonnis onherroepelijk is. Aan de schorsing van de voorlopige hechtenis worden de hiervoor onder 1 tot en met 11 genoemde voorwaarden verbonden en de voorwaarden dat:

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het moment waarop dit vonnis onherroepelijk is.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.A. Sipkens, voorzitter,

mrs. D.M.S. Gribling en G.J.M. Kruizinga, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J. de Groot, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 september 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. R.A. Sipkens

Griffier

  • mr. J. de Groot

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand