ECLI:NL:RBAMS:2026:8738

ECLI:NL:RBAMS:2026:8738

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 03-09-2026
Datum publicatie 01-09-2026
Zaaknummer 13/288275-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Veroordeling voor twee verkeersfeiten binnen een maand. Verdachte is veroordeeld wegens overtreden van artikel 6 WVW tot een taakstraf van 240 uur en een OBM van 2 jaar. Verdachte is met zijn bedrijfswagen tegen de auto van het slachtoffer aangebotst, terwijl hij veel te hard reed en het niet oplette op de weg en het voor hem rijdende verkeer maar al rijdende bezig zijn met andere dingen (het verplaatsen van een pakket). Het slachtoffer is daarbij komen te overlijden. De rechtbank merkt het rijgedrag van verdachte aan als zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam. Voorts is verdachte veroordeeld wegens overtreden van artikel 5 WVW tot een voorwaardelijke taakstraf van 60 uur en een OBM van 6 maanden. Verdachte is tijdens het invoegen de macht over het stuur verloren en is al tollend tegen een andere auto aangereden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/288275-25

Datum uitspraak: 3 september 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2004,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] , [woonplaats]

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 augustus 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J.J. Smilde en van wat verdachte en zijn raadsman mr. E. Bruijn naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Verdachte wordt vervolgd vanwege zijn betrokkenheid bij een verkeersongeval op 29 oktober 2024 in Weesp (feit 1) en een verkeerongeval op 22 november 2024 in Amsterdam-Duivendrecht (feit 2). Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd

De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3. Waardering van het bewijs

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde. Volgens hem heeft verdachte zich zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam gedragen door de combinatie van te hard en ongeconcentreerd rijden ten gevolge waarvan het dodelijk verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Niet is vast te stellen dat sprake is geweest van roekeloos rijgedrag.

De officier van justitie acht eveneens bewezen dat verdachte gevaar op de weg heeft veroorzaakt, zoals onder feit 2 ten laste is gelegd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 primair ten laste gelegde. Mocht de rechtbank toch tot een bewezenverklaring van 6 WVW komen, dan stelt hij dat de schuld niet zwaarder te duiden is dan aanmerkelijke onoplettendheid. Het rijgedrag van verdachte dient te worden gekwalificeerd als gevaarzetting in de zin van artikel 5 WVW, voortkomend uit ernstige onoplettendheid door afleiding en een fout van een beginnend bestuurder, in een situatie van een gladde ondergrond met remmend en laat afslaand verkeer.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman aangevoerd dat de verwijtbare schuld van verdachte gering is, nu een slecht rijdende bedrijfsauto – ondanks eerdere, herhaalde meldingen bij de werkgever – en een nat wegdek de dominante oorzaak van het ongeval vormen.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Op 29 oktober 2024 is verdachte aan het werk als pakketbezorger en rijdt hij in een witte bedrijfsauto, een Mercedes Vito, op de Gooilandseweg te Weesp, komende uit de richting van Weesp en gaande in de richting van Naarden. Op de Gooilandseweg is een maximum snelheid van 80 km/u toegestaan. [slachtoffer] (hierna [slachtoffer] ) rijdt op dat moment op dezelfde rijbaan en in dezelfde richting voor verdachte. Tussen de personenauto van [slachtoffer] en de bedrijfsauto van verdachte rijdt nog één andere rode personenauto. Getuige [naam getuige 1] , die na een inhaalmanoeuvre door verdachte achter verdachte rijdt op de Gooilandseweg, ziet dat de zwarte auto (de rechtbank begrijpt: de auto waarin [slachtoffer] reed) geleidelijk aan steeds langzamer gaat rijden. De witte bestelbus (van verdachte) rijdt dan dicht op de rode auto. Terwijl de zwarte auto nog langzamer gaat rijden, wijkt de witte bestelauto naar rechts uit, gaat op het parallel gelegen fietspad rijden en passeert de rode auto. Ter hoogte van perceel 11A slaat [slachtoffer] rechtsaf in de richting van de erftoegang van haar woning. Om bij de erftoegang te komen moet eerst het naast de rijbaan gelegen fietspad worden overgestoken. Op het moment dat [slachtoffer] het fietspad oversteekt, botst verdachte met zijn bedrijfsauto tegen de personenauto van [slachtoffer], waarna [slachtoffer] met haar auto ondersteboven in de naastgelegen sloot terecht komt.

[slachtoffer] is met zwaar letsel overgebracht naar het ziekenhuis, waar zij op 3 november 2024 is overleden. Uit het radiologisch onderzoek komt naar voren dat het waarschijnlijk is dat het overlijden is ingetreden ten gevolge van een stompe, externe inwerkende krachtswerking op de borstkast met – samengevat – meerdere interne letsels tot gevolg. Een andere doodsoorzaak is op de radiologische beelden niet aantoonbaar.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat er tijdens het rijden een groot pakket in de bedrijfsauto naar voren was geschoven en hij dat pakket wilde verplaatsen omdat het hem belemmerde bij het rijden. Tijdens het verplaatsen van het pakket was zijn blik niet op de weg voor hem gericht, zijn blik was naar de zijkant gericht. Hij is toen in de berm beland en vervolgens met zijn auto op het fietspad terecht gekomen.

Aan de hand van de camerabeelden, opgenomen door het camerasysteem ter hoogte van perceel [nummer] op de Gooilandseweg, is de indicatieve snelheid berekend. Uit het onderzoek komt naar voren dat verdachte, ongeveer 235 meter voorafgaand aan het ongeval, met een gemiddelde snelheid van 104 km/u reed.

Op 19 februari 2024 is aan verdachte voor de eerste keer een rijbewijs afgegeven.

Overwegingen rechtbank

Vaststaat dat verdachte op 29 oktober 2024 over de Gooilandseweg heeft gereden en dat hij ongeveer 235 meter voorafgaand aan het ongeval ongeveer 104 km/u heeft gereden, terwijl de maximum snelheid daar 80 km/u is. Tevens staat vast dat verdachte al rijdende bezig was met het verplaatsen van een pakket en daardoor zijn zicht niet op de weg voor hem had. Terwijl de bestuurders van de auto’s die voor en achter hem reden zagen dat de auto van [slachtoffer] ruim voordat zij rechtsaf sloeg snelheid minderde, heeft verdachte dit niet opgemerkt omdat hij bezig was met het pakket. Verdachte is met zijn auto in de berm beland en vervolgens het parallel aan de rijbaan gelegen fietspad opgereden. Hij kon niet meer op tijd remmen en is tegen de afslaande auto van [slachtoffer] gebotst. Verdachte is daarmee ernstig tekort geschoten in de voorzichtigheid en oplettendheid die van verkeersdeelnemers verwacht wordt. Als gevolg van het ongeval is [slachtoffer] komen te overlijden. Het causale verband tussen de gedragingen van verdachte en het ongeval en daarmee zijn schuld is daarmee gegeven en staat ook niet ter discussie. Er zijn geen factoren gesteld of gebleken die maken dat verdachte, ondanks het voorgaande, geen verwijt kan worden gemaakt.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld welke mate van schuld bij verdachte kan worden bewezen. Schuld, in juridische zin, kan bestaan in verschillende gradaties: van aanmerkelijk onvoorzichtig tot roekeloos, waarbij de laatst genoemde vorm geldt als de zwaarste vorm van schuld. Voor de beantwoording van die vraag komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.

Dit brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van deze bepaling. Daarvoor zijn immers verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van gedrag dat voldoet aan de delictsomschrijving van artikel 5a eerste lid WVW, zodat door middel van de koppelbepaling van artikel 175 tweede lid WVW niet tot een bewezenverklaring van roekeloosheid kan worden gekomen.

Wel is de rechtbank van oordeel dat met het (hiervoor beschreven) verkeersgedrag van verdachte sprake is van zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam rijgedrag in de zin van artikel 6 WVW, zoals in feit 1 (impliciet subsidiair) ten laste is gelegd. De rechtbank acht daarvoor met name de combinatie van veel te hard rijden en het niet opletten op de weg en het voor hem rijdende verkeer maar al rijdende bezig zijn met andere dingen (het verplaatsen van een pakket) van belang. Daarbij hecht de rechtbank er aan op te merken dat het veilig laden van de bedrijfsauto met pakketten de verantwoordelijkheid is van de bestuurder, in dit geval verdachte. Nu verdachte heeft verklaard dat het vaker is voorgekomen dat er gedurende de rit pakketten zijn gaan schuiven, had hij daar des te meer bedacht op moeten zijn.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Op 22 november 2024 rijdt verdachte in een bedrijfsauto, een Renault Kangoo, vanaf de A2 op de invoegstrook van de A10, ter hoogte van hectometerpaal 15.4 te Amsterdam-Duivendrecht In de bocht van de invoegstrook om de A10 op te komen raakt verdachte de macht over het stuur kwijt. Hij slingert vervolgens van links naar rechts over de weg. Op hetzelfde moment rijdt [naam 1] op de A10 op de meest linker rijstrook links van verdachte in haar personenauto, een Citroën C3, met daarin tevens [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] . Verdachte is al tollend tegen de zijkant van de auto van [naam 1] aangereden.

Op 19 februari 2024 is aan verdachte voor de eerste keer een rijbewijs afgegeven.

Overwegingen rechtbank

Niet ter discussie staat dat er een verkeersongeval heeft plaatsgevonden doordat verdachte de macht over het stuur is kwijtgeraakt en zijn bedrijfsauto al tollend tegen de auto van [naam 1] is aangereden. De oorzaak die er toe heeft geleid dat verdachte de macht over het stuur is kwijtgeraakt is echter op basis van het dossier en de verklaring ter terechtzitting niet met zekerheid vast te stellen. Naar het oordeel van de rechtbank moet het óf een stuurfout zijn geweest, óf het gevolg van het rijden in een bedrijfsauto met gebreken dan wel een combinatie van beide. Het voorgaande leidt er in alle denkbare opties toe dat er geen sprake is van een situatie waarin verdachte geen enkel verwijt treft, temeer ook omdat verdachte zelf heeft verklaard dat hij wist dat bedrijfsauto gebreken had (althans volgens verdachte) en hij er desondanks in is blijven rijden. De rechtbank acht daarmee bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan gevaarzettend rijgedrag in de zin van artikel 5 WVW.

4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 3.3. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

op 29 oktober 2024 te Weesp, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een bedrijfsauto (Mercedes Vito), daarmee rijdende op de Gooilandseweg, zich zodanig, te weten zeer onvoorzichtig en onoplettend en onachtzaam, heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden,

waardoor een ander genaamd [slachtoffer] werd gedood,

bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft met zijn bedrijfsauto gereden op Gooilandseweg, komende uit de richting van Weesp en gaande in de richting van Naarden,

terwijl verdachte beginnend bestuurder was, en

verdachte heeft gereden met een aanzienlijke snelheid (indicatief gemeten snelheid 104 km/uur) waar de toegestane maximumsnelheid 80 km/uur betrof, en

verdachte was al rijdende bezig met het verplaatsen van een pakketje in de bedrijfsauto, en

verdachte heeft zich er niet van vergewist dat de weg voor hem vrij was van enig verkeer, en

verdachte heeft niet tijdig opgemerkt dat de auto’s voor hem vaart minderden omdat [slachtoffer] met haar auto bezig was om rechtsaf te slaan ter hoogte van de inrit van perceel [nummer] , en

verdachte is vervolgens met hoge, dan wel aanzienlijke snelheid door de berm het naastgelegen fietspad op gereden en

verdachte is daarna tegen de rechts afslaande auto van voornoemde [slachtoffer] aangebotst,

ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] op 3 november 2024 is overleden;

2.

op 22 november 2024 te Amsterdam-Duivendrecht, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een bedrijfsauto (Renault Kangoo), daarmee rijdende op de A2 en de A10, zich zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op die weg werd veroorzaakt,

bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft met zijn auto gereden op de A2, gaande in de richting van de A10,

terwijl verdachte beginnend bestuurder was, en

verdachte heeft gereden op de invoegstrook om in te voegen op de A10 en

verdachte is de macht over het stuur verloren en is vervolgens gaan tollen en

verdachte is al tollend over meer rijstroken gaan schuiven en is vervolgens tegen een links van hem rijdende auto (Citroën C3) met daarin [naam 1] en [naam 2] en [naam 3] en [naam 4] aangereden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen en maatregelen

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem onder 1 primair bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. Verder vordert de officier van justitie een ontzegging van de rijbevoegdheid (OBM) voor een periode van twee jaar. Ten aanzien van feit 2 vordert de officier van justitie dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 75 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 37 dagen en een OBM voor een periode van drie maanden.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om bij een bewezenverklaring van artikel 6 WVW de straf te matigen.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft als beginnend bestuurder van een bedrijfsauto een verkeersongeval veroorzaakt, ten gevolge waarvan de 74-jarige [slachtoffer] is overleden. Verdachte, werkzaam als pakketbezorger, reed die bewuste dag met een te hoge snelheid over een 80 km-weg en was al rijdende bezig met het verplaatsen van een naar voren geschoven pakket. Doordat verdachte, zo blijkt uit zijn eigen verklaring, zijn aandacht niet op de weg had is hij via de naastgelegen berm op het fietspad terechtgekomen en is daar in botsing gekomen met [slachtoffer] die op dat moment rechtsaf sloeg richting haar woning. [slachtoffer] is enkele dagen na het ongeval in het ziekenhuis komen te overlijden. Het trieste ongeval en de plotselinge dood van [slachtoffer] heeft aan haar nabestaanden en iedereen die haar lief had diepe en onherstelbare sporen nagelaten.

Daarnaast heeft verdachte, nog geen maand later, gevaar op de weg veroorzaakt doordat hij op de invoegstrook van de snelweg de macht over het stuur is verloren, met zijn auto is gaan tollen en daarbij tegen een auto met vier inzittenden is aangereden. De slachtoffers hebben daaraan, naast fors lichamelijk letsel, ook mentale klachten overgehouden zoals blijkt uit de slachtofferverklaringen.

Dit zijn twee ernstige verkeersfeiten binnen een maand tijd, terwijl verdachte pas een paar maanden een rijbewijs had. In het verkeer moeten medeweggebruikers op elkaar kunnen vertrouwen als het gaat om het naleven van de verkeersregels die ten behoeve van de veiligheid zijn opgesteld. Uit het rijgedrag van verdachte blijkt dat hij geen oog heeft gehad voor hetgeen er om hem heen op de weg gebeurde en de risico’s die hij voor anderen veroorzaakte. Verdachte had als beginnend bestuurder met maar beperkte rijervaring juist daarom extra oplettend moeten zijn.

Uit het strafblad van verdachte van 26 juni 2026 blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld op grond van de WVW.

De rechtbank heeft daarnaast ook kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 14 augustus 2026, opgesteld door reclasseringswerker T. Ilhan. Daaruit volgt, kort gezegd, dat uit onderzoek blijkt dat bij verdachte instabiliteit bestaat op meerdere leefgebieden. Ook zijn er signalen die wijzen op een pro-criminele houding. Positief is dat verdachte huisvestiging heeft en hulp vanuit de Top600-aanpak. De reclassering adviseert, gelet op de jonge leeftijd van verdachte, de risicofactoren en de ernst van de verdenkingen, om bij bewezenverklaring een reclasseringstoezicht met onder andere een behandelverplichting op te leggen. Ook adviseren zij het volwassenenstrafrecht toe te passen.

De rechtbank neemt dit advies over.

Ten aanzien van de strafoplegging voor feit 1 overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank realiseert zich dat geen enkele straf recht zal doen aan het leed dat het slachtoffer en haar nabestaanden is aangedaan. De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf gekeken naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht; de vertrekpunten die strafrechters hanteren bij het bepalen van straffen. Bij een bewezenverklaring van artikel 6 WVW, en de vaststelling dat de verdachte ernstige schuld heeft aan het veroorzaken van het verkeersongeval als gevolg waarvan het slachtoffer is overleden, wordt een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met daarnaast een OBM voor de duur van twee jaar als uitgangspunt genoemd.

Hoewel de ernst van het feit in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt, zal de rechtbank niet overgaan tot oplegging hiervan aan verdachte. De rechtbank houdt daarbij rekening met de persoonlijke omstandigheden. Daarvoor is van belang dat verdachte nog jong is en zoals de rechtbank het inschat, op basis van hetgeen besproken is op zitting en het reclasseringsrapport, gebaat is bij hulp en begeleiding. Verdachte heeft ter zitting, weliswaar met enige terughoudendheid, verklaard dat hij ‘wel wat hulp kan gebruiken’ en bereid is om zich aan de voorwaarden te houden. Gelet op deze omstandigheden wil de rechtbank verdachte een kans geven en zal zij afwijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd en geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Wel vindt de rechtbank het belangrijk dat verdachte een stok achter de deur krijgt die hem er toe moet bewegen om de geadviseerde behandeling te volgen en hem ervan moet weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte de maximale taakstraf opleggen.

Alles afwegende acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden passend. Bij de voorwaardelijke gevangenisstraf bepaalt de rechtbank de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. Daarnaast legt de rechtbank verdachte een OBM op voor de duur van twee jaar.

Ten aanzien van de strafoplegging voor feit 2 overweegt de rechtbank als volgt. Artikel 62 van het Wetboek van Strafrecht schrijft voor dat voor dit feit, zijnde een overtreding, een aparte straf dient te worden opgelegd. De rechtbank acht gelet op het gevaar dat verdachte heeft veroorzaakt een taakstraf van 60 uur geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, en een OBM voor de duur van zes maanden passend.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 62 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 6, 175, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4. is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1 primair

- overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood

ten aanzien van feit 2

- overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Ten aanzien van feit 1 primair:

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 (twee) maanden.

Bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

Meldplicht bij reclassering

Dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak.

Ambulante behandeling

Dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd zo lang als nodig laat behandelen door Family Supporters of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zo snel als mogelijk. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, cognitieve vaardigheden en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken.

Dagbesteding

Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag en is ter beoordeling van de reclassering.

Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd

Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 2 (twee) jaar.

Bepaalt dat de duur van deze ontzegging wordt verminderd met de tijd gedurende welke het rijbewijs vóór het tijdstip waarop de straf ingaat, ingevorderd en ingehouden is geweest.

Ten aanzien van feit 2:

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 60 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 30 dagen.

Bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 6 (zes) maanden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. Thomas, voorzitter,

mrs. G.M. Beunk en C.M. Degenaar, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K.M.H. Stikkers, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 september 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J. Thomas

Griffier

  • mr. K.M.H. Stikkers

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand