RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13-131394-26 (zaak A), 13-212364-25 (zaak B) (ter terechtzitting gevoegd)
Datum uitspraak: 1 september 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2005,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] , [woonplaats] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 augustus 2026.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. S. de Bont, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.Q. Zaat, naar voren hebben gebracht.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van hetgeen L.C. Hemmer (medewerkster van
Slachtofferhulp Nederland) namens de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] naar voren heeft gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan
Zaak A, feit 1
diefstal in vereniging vergezeld van geweld op 13, 15, 20, 21 en 22 april 2026;
Zaak A, feit 2
diefstal in vereniging en met braak op 22 april 2026;
Zaak A, feit 3
diefstal in vereniging op 14 april 2026;
Zaak A, feit 4
poging tot diefstal in vereniging vergezeld van geweld op 21 april 2026;
Zaak B
diefstal in vereniging op 11 juli 2025.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3. Waardering van het bewijs
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van alle aan verdachte tenlastegelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van verdachte heeft ten aanzien van zaak A geen bewijsverweer gevoerd. Ten aanzien van zaak B heeft de raadsman vrijspraak bepleit en daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat verdachte op geen enkele wijze herkend is als persoon achterop de fiets en de bekendheid met zijn identiteit achteraf bij zijn aanhouding pas is ontstaan. Daarbij schetst de verdediging een alternatief scenario, waarbij verdachte zich reeds in het parkje bevond, schrok van de toegesnelde politie-eenheden en zich vervolgens verstopte in de bosschages.
Het oordeel van de rechtbank
Zaak A
Op grond van de bewijsmiddelen in het dossier en de bekennende verklaring van verdachte
ter terechtzitting, acht de rechtbank bewezen dat verdachte alle tenlastegelegde feiten heeft gepleegd. Gelet op de standpunten van de officier van justitie en de raadsman behoeft dit oordeel geen verdere motivering.
Omdat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft bekend en zijn raadsman daarvoor geen vrijspraak heeft bepleit, volstaat de rechtbank op grond van artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering met een opgave van de gebruikte bewijsmiddelen. Deze zijn opgenomen in bijlage II die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingelast.
Zaak B
De rechtbank overweegt ten aanzien van zaak B het volgende. Slechts luttele minuten nadat een lokfatbike door de politie is geplaatst, wordt deze gestolen. Diverse politie-eenheden komen direct in actie en verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zien twee personen op een fatbike rijden, waarbij de bijrijder achterop een andere fatbike op zijn schouder meedraagt. De verbalisanten zetten de achtervolging in en niet lang daarna komen de twee personen ten val. De bijrijder rent weg, waarop verbalisant [verbalisant 2] de achtervolging inzet. Op enig moment rent [verbalisant 2] ongeveer tien meter achter de bijrijder. Desondanks verliest [verbalisant 2] de bijrijder even uit het zicht, waarna hij vermoedt dat de bijrijder zich in de bosschages verschanst heeft. Het gebied wordt afgezet, een hondengeleider van de politie komt ter plaatse en nadat politiehond [naam politiehond] aanslaat komt uiteindelijk een persoon die later verdachte blijkt te zijn uit de bosschage tevoorschijn. Verbalisant [verbalisant 2] herkent [verdachte] daarbij als de weggerende bijrijder.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de diefstal van de lokfatbike, temeer nu het alternatieve scenario van verdachte is weerlegd door de bewijsmiddelen.
4. Bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat verdachte
Zaak A, feit 1
in de periode van 13 april 2026 tot en met 22 april 2026 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen meermalen te weten,
- op 13 april 2026, tassen met daarin schoenen, een sjaal, slippers en een blouse, die toebehoorden aan [naam 1] ,
- op 15 april 2026, een tas van het merk Hermès, die toebehoorde aan [benadeelde partij 1] ,
- op 20 april 2026, een paspoorthoes van het merk Louis Vuitton, die toebehoorde aan [naam 2] ,
- op 21 april 2026, een paar schoenen van het merk Hermès, dat toebehoorde aan [naam 3] , en
- op 22 april 2026, een tas van het merk Hermès met daarin een iPhone en een contant geldbedrag, die toebehoorde aan [benadeelde partij 2] ,
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal telkens werd vergezeld van geweld tegen voornoemde [naam 1] , [benadeelde partij 1] , [naam 2] , [naam 3] , en [benadeelde partij 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om het bezit van het gestolene te verzekeren, door telkens de voornoemde goederen met kracht uit de handen/armen van voornoemde [naam 1] , [benadeelde partij 1] , [naam 2] , [naam 3] en [benadeelde partij 2] te trekken;
Zaak A, feit 2
op 22 april 2026 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen een tas met daarin verschillende luxe goederen van het merk Louis Vuitton die aan [naam 4] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak;
Zaak A, feit 3
op 14 april 2026 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen een tas met daarin verschillende luxe goederen van het merk Louis Vuitton die aan [naam 5] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Zaak A, feit 4
op 21 april 2026 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om een of meer tassen van het merk Hermès en Arket, die aan [naam 6] toebehoorden weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze poging diefstal te doen vergezellen van geweld tegen voornoemde [naam 6] , te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal gemakkelijk te maken en om het bezit van het gestolene te verzekeren, met hoge snelheid op een fatbike langs voornoemde [naam 6] is gereden en met kracht heeft getrokken aan haar tassen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Zaak B
op 11 juli 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen een fatbike, die aan politie Eenheid Amsterdam toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
5. De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6. De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7. Motivering van de straffen en maatregelen
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 21 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan de helft voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
Het strafmaatverweer van de verdediging
De verdediging heeft verzocht aan verdachte een gevangenisstraf van 224 dagen op te leggen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met aftrek en al dan niet met een verlengde
proeftijd van drie in plaats van twee jaren, aangevuld met een taakstraf van 240 uren, al dan niet per bewezenverklaard feit.
Het oordeel van de rechtbank
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich gedurende ruim een week bijna dagelijks schuldig gemaakt aan een reeks straatroven en diefstallen in en rondom de P.C. Hooftstaat in Amsterdam. Verdachte is op zijn rooftochten steeds methodisch te werk gegaan. Verdachte reed als bijrijder op een snelle fatbike, met zijn mededader aan het stuur, rondjes in en rondom de P.C. Hoofstraat. Ook stelden verdachte en zijn mededader zich zo nu en dan strategisch op de hoek van de straat op, terwijl ze het winkelend publiek gadesloegen, zoekend naar het volgende doelwit. Verdachte heeft het daarbij vooral gemunt op personen – vrijwel uitsluitend vrouwen en/of toeristen – die net een aankoop hadden gedaan bij een exclusieve winkel als Chanel, Hermés of Louis Vuitton. Zodra deze personen de winkel verlieten, volgden verdachte en zijn mededader hen net zo lang tot zich een kans voordeed op hoge snelheid dicht langs de slachtoffers te rijden en de tas met aankopen met kracht uit de handen van de nietsvermoedende winkelgangers te trekken.
De impact die deze straatroven op de slachtoffers heeft, is groot. Zij werden op klaarlichte dag overrompeld en hardhandig ontdaan van hun nieuwe aankopen. In één geval heeft een slachtoffer krampachtig haar tassen vastgehouden. Desondanks weigerde verdachte de tassen los te laten, waardoor de vrouw vele meters werd meegesleurd door de verdachten op hun fatbike, onder toeziend oog van vele omstanders, waarbij zij gewond is geraakt.
Buiten de direct betrokkenen, ervaren ook anderen gevoelens van angst en onveiligheid door het handelen van verdachte. Uit het dossier volgt onder meer dat de winkeliers in de P.C. Hooftstraat snel doordrongen waren van de handelswijze van verdachte, hetgeen veel onrust teweeg heeft gebracht. Ondertussen bleef verdachte zich laten zien in de omgeving. Hij waande zich kennelijk onaantastbaar op de snelle fatbike.
Verder heeft verdachte zich in juli 2025 schuldig gemaakt aan de diefstal van een lokfatbike. Dit onderstreept eens te meer dat verdachte geen enkel respect toont voor andermans eigendommen.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van de reclasseringsrapportage van 4 augustus 2026. Uit deze rapportage blijkt – kort gezegd – dat verdachte in de zwaarste categorie valt van de groepsaanpak Oostelijke Eilanden en Kadijken en hierbij wordt aangemerkt als leider. Daarnaast beïnvloedt verdachte kwetsbare personen in deze groep op een negatieve manier. De reclassering is wel positief over de open en meewerkende houding van verdachte. Hij wekt de indruk praktische zaken gelijk te willen regelen waaronder hervatting van zijn studie en het vinden van een zinvolle betaalde dagbesteding. Verdachte is daarvoor aangemeld bij het Jongerenpunt voor het vinden van werk.
Verder adviseert de reclassering om, bij een bewezenverklaring, een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan bijzondere voorwaarden verbonden.
De rechtbank heeft verder acht geslagen op het strafblad van verdachte van 6 mei 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor vermogensdelicten, maar wel eerder een strafbeschikking is opgelegd voor openlijke geweldpleging.
Strafoplegging
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd en zoekt aansluiting bij de Oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS. Daaruit volgt dat voor een tasjesroof met een enkele ruk als uitgangspunt al een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden wordt gehanteerd. Daarbij komt dat verdachte berekenend te werk is gegaan en de feiten binnen een maand zijn gepleegd. Het is bovendien niet ondenkbaar dat verdachte op dezelfde voet door was gegaan met het plegen van soortgelijke feiten als hij niet was aangehouden. Daartegenover heeft verdachte de feiten, behalve in zaak B, volledig bekend en enige blijk van berouw laten zien. Desondanks rechtvaardigt het aantal gepleegde feiten en de ernst daarvan niet anders dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die de duur van de voorlopige hechtenis in aanzienlijke mate overstijgt.
De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van achttien maanden geboden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan negen maanden voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaren met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, met uitzondering van het locatieverbod voor de Oostelijke Eiland en Kadijken, nu de bewezenverklaarde feiten niet in dit gebied zijn gepleegd.
8. Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partijen [naam 7] , [naam 1] , [naam 5] , [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [naam 4] hebben een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partijen hebben verder gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente en aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de vergoeding van de waarde van de Hermès tas zoals gevorderd door [benadeelde partij 2] onder c. gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de overige vorderingen heeft de officier van justitie toewijzing gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de vordering van [naam 7] niet-ontvankelijk te verklaren, omdat verdachte niet wordt verdacht van het feit wat aan de vordering ten grondslag ligt.
De raadsman heeft verzocht de vordering van [naam 1] toe te wijzen tot een bedrag van €
1.300,- en het overige niet-ontvankelijk te verklaren.
De raadsman heeft zich ten aanzien van de vordering van [naam 5] gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De raadsman heeft verzocht de vordering van [benadeelde partij 1] toe te wijzen voor zover deze ziet op de materiële kosten. De raadsman heeft verzocht de immateriële schadevergoedingsvordering niet-ontvankelijk te verklaren.
De raadsman heeft zich ten aanzien van de vordering van [benadeelde partij 2] gerefereerd aan de kosten voor de aanvraag van het rijbewijs. Ten aanzien van de kosten van de Hermès tas heeft de raadsman verzocht deze toe te wijzen tot het aankoopbedrag en het overige niet-ontvankelijk te verklaren. Ook de kosten ten aanzien van het contante geldbedrag dienen niet-ontvankelijk te worden verklaard.
De raadsman heeft verzocht de vordering van [naam 4] toe te wijzen tot een bedrag van € 844,51 en het overige niet-ontvankelijk te verklaren.
Het oordeel van de rechtbank
[naam 7]
heeft een bedrag van € 6.200,- gevorderd aan schadevergoeding, bestaande uit vergoeding van materiële schade, te weten een Chanel tas.
De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering, omdat het feit waarop de vordering ziet niet aan verdachte ten laste is gelegd.
[naam 1]
heeft een bedrag van € 2.360,- gevorderd aan schadevergoeding, bestaande uit vergoeding van materiële schade. Het bedrag van de vordering is als volgt opgebouwd:
a. sneakers Chanel: € 1.300,-
b. Hermès slippers: € 635,-
c. Hermès Twilly sjaaltje: € 215,-
d. blouse ‘for all my kind’: € 210,-
Ad a)
De kosten onder a. zijn voldoende onderbouwd en niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank wijst de kosten onder a. daarom geheel toe.
Ad b, c, d)
Bewezen is dat verdachte de luxegoederen onder b, c en d. heeft gestolen. Het betreffen goederen die de benadeelde partij vlak voor de diefstal heeft gekocht. De benadeelde partij heeft dan ook rechtstreeks schade geleden. De benadeelde partij heeft de hoogte van de bedragen niet met bonnen onderbouwd, omdat deze in de gestolen tas zaten. De rechtbank wijst de vordering ook zin zoverre toe, nu verdachte de hoogte van de bedragen niet inhoudelijk heeft betwist en de rechtbank geen aanleiding ziet daaraan te twijfelen.
[naam 5]
heeft een bedrag van € 1.960,- gevorderd aan schadevergoeding, bestaande uit vergoeding voor materiële schade. Het bedrag van de vordering is als volgt opgebouwd:
a. set chouchou LV SAF.MAR.: € 340,-
b. chouchou MNG MB: € 210 ,-
c. BIJ.SAC KN.PH.STRA.BLC: € 590,-
d. FLAT MULE: € 820,-
De vordering is voldoende onderbouwd en niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank wijst de vordering daarom geheel toe.
[benadeelde partij 1]
heeft een bedrag van € 8.365,- gevorderd aan schadevergoeding, bestaande uit € 7.750,- aan vergoeding voor materiële schade, te weten een Hermès tas, en € 615,- aan vergoeding voor immateriële schade.
De vordering tot vergoeding materiële schade is voldoende onderbouwd en niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom geheel toe.
Ten aanzien van de immateriële schade overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij is gebaseerd op artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW). Vergoeding van immateriële schade op grond van dit artikel is onder andere mogelijk als de benadeelde partij 'op andere wijze' in haar persoon is aangetast. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. De enkele stelling dat sprake is van schrik, angst of spanning volstaat niet.
De benadeelde partij heeft de vordering onderbouwd met een rapportage van een coach van PSION, gedateerd 29 april 2026. De coach van PSION heeft op basis van een Quick Scan geconcludeerd dat benadeelde deels geschikt is bevonden om arbeid te verrichten en dat aanpassing in werkuren wordt aangeraden. Ook wordt begeleiding van PSION aangeraden, te weten 5 sessies verspreid over 20 weken. De benadeelde partij heeft onweersproken gesteld dat zij gesprekken met een coach voert en dat zij ten gevolge van de beroving onder andere last heeft van angst, slaapproblemen en toegenomen frequentie van migraine aanvallen. Deze gestelde gevolgen zijn door de verdediging niet betwist, zodat de rechtbank kan uitgaan van de juistheid daarvan. De door de benadeelde partij gestelde gevolgen zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende om tot het oordeel te komen dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106 sub b BW.
De rechtbank wijst daarom ook de immateriële schade toe die is gevorderd.
[benadeelde partij 2]
heeft een bedrag van € 18.453,65 gevorderd aan schadevergoeding, bestaande uit vergoeding voor materiële schade. Het bedrag van de vordering is als volgt opgebouwd:
a. contant geld: € 1.400,-
b. aanvraag rijbewijs: € 53,65
c. Hermès tas: € 17.000,-
Ad a)
De benadeelde partij heeft direct in haar aangifte op 22 april 2026 kenbaar gemaakt dat in de gestolen tas € 1.400,- cash geld zat. In haar vordering tot schadevergoeding heeft zij dit onderbouwd met de stelling dat zij dit bedrag bij zich had omdat zij eigenaresse was van een café en het geld afkomstig was uit het kassageld. Zij had het contante geld op dat moment bij zich om hiervan te kunnen winkelen. Nu verdachte deze stelling niet heeft betwist, neemt de rechtbank als vaststaand aan dat (ook) dit geldbedrag gestolen is. De benadeelde partij heeft daardoor rechtstreeks schade geleden. De rechtbank wijst daarom het bedrag onder b. geheel toe.
Ad b)
De kosten onder b. zijn voldoende onderbouwd en niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank wijst de kosten onder a. daarom geheel toe.
Ad c)
Uit de wetsgeschiedenis volgt dat met de maatregel van schadevergoeding wordt gestreefd naar herstel van de toestand die er was voordat de onrechtmatigheid intrad. Daarbij moet de rechtbank rekening houden met een in de reden liggende dagwaarde. Omdat de tas een exclusief luxegoed betreft, is de dagwaarde na aanschaf daarvan mogelijk gestegen. De rechtbank acht door de benadeelde partij voldoende onderbouwd dat de dagwaarde van de tas hoger is dan het aankoopbedrag. Ook de hoogte van de actuele waarde acht de rechtbank voldoende onderbouwd. De rechtbank wijst daarom ook het bedrag onder c. geheel toe.
[naam 4]
heeft een bedrag van € 847,- gevorderd aan schadevergoeding, bestaande uit aan vergoeding voor materiële schade, te weten de schade aan de autoruit en interieurschade.
De vordering is voldoende onderbouwd en niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden. Uit de factuur is gebleken dat de daadwerkelijk kosten voor het herstel van de autoruit en het interieur €844,51 bedragen. De rechtbank wijst de vordering daarom toe tot dit bedrag en wijst de vordering voor het overige af.
Wettelijke rente
De hiervoor genoemde bedragen die de verdachte aan de benadeelde partijen moet vergoeden worden vermeerderd met de wettelijke rente, telkens vanaf de datum van het ontstaan van de schade, zoals hieronder in de beslissing weergegeven.
Schadevergoedingsmaatregel
In het belang van de benadeelde partijen wordt als extra waarborg voor betaling aan hen de
maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.
Hoofdelijkheid
De rechtbank bepaalt dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre is bevrijd.
9. Beslag
Onder verdachte is een telefoon in beslag genomen,
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de telefoon verbeurd wordt verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de telefoon te retourneren aan verdachte.
Het oordeel van de rechtbank
De telefoon behoort aan verdachte toe. Nu uit berichtenverkeer uit het dossier blijkt dat met behulp van de telefoon het bewezen geachte is begaan en voorbereid, wordt de telefoon verbeurdverklaard.
10. Voorlopige hechtenis
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd de schorsing van de voorlopige hechtenis bij uitspraak op te heffen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de schorsing van de voorlopige hechtenis te laten voortduren indien de rechtbank tot de oplegging van een gevangenisstraf komt.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank ziet geen aanleiding de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen.
11. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 45, 57, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
12. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Zaak A, feit 1
diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;
Zaak A, feit 2
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
Zaak A, feit 3, Zaak B
telkens: diefstal door twee of meer verenigde personen;
Zaak A, feit 4
poging tot diefstal vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot 9 (negen) maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
Meldplicht bij reclassering
Veroordeelde meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met Reclassering Nederland, gelegen op Wibautstraat 12 1091 GM te Amsterdam, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de aanwijzingen en afspraken van de reclassering. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn.
Gedragsinterventie cognitieve vaardigheden (CoVa)
Veroordeelde neemt binnen de proeftijd deel aan de gedragsinterventie CoVa van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer.
Ambulante begeleiding
Veroordeelde werkt gedurende de proeftijd mee aan ambulante begeleiding vanuit de groepsaanpak, zoals IPA/IFA, VIITAA of Levvel, te bepalen door de reclassering.
Contactverbod
Dat veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met medeverdachten
- [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum] ;
- [medeverdachte 2] , geboren op [geboortedatum] .
Locatieverbod (met elektronisch toezicht)
Veroordeelde bevindt zich gedurende de proeftijd niet met een straal van 300 meter rondom de P.C. Hooftstraat 82, 1071 CB Amsterdam, zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering kan tijdens deze periode het verboden gebied laten vervallen, het verboden gebied verkleinen en/of aan veroordeelde toestemming geven om zich voor een bepaalde periode in een bepaald deel van het verboden gebied te bevinden. Veroordeelde werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van het locatieverbod, voor de genoemde periode of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt. Tevens is het zo dat veroordeelde voor een goede werking van het elektronisch toezicht gedurende de duur van het elektronisch toezicht Nederland niet verlaat zonder toestemming van de reclassering. Veroordeelde werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van het locatieverbod, voor de genoemde periode of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt.
Locatiegebod (met elektronisch toezicht)
Dat veroordeelde gedurende het toezicht op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig is op het verblijfadres, zolang de reclassering dat nodig vindt. Het locatiegebod geldt op de volgende dagen en tijden: Bij de start dient veroordeelde op doordeweekse dagen met dagbesteding 12 uur op het verblijfadres te zijn. Op doordeweekse dagen zonder opleiding, (vrijwilligers)werk of behandeling is dat 22 uur en op dagen in het weekend 20 uur. De reclassering kan tijdens deze periode de dagen en tijden waarop het locatiegebod geldt, al dan niet tijdelijk verminderen. De reclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met veroordeelde en afhankelijk van de dagbesteding. Het huidige verblijfadres is [adres] . Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft. Veroordeelde werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van het locatiegebod, voor de genoemde periode of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt. Tevens is het zo dat veroordeelde voor een goede werking van het elektronisch toezicht gedurende de duur van het elektronisch toezicht Nederland niet verlaat zonder toestemming van de reclassering.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Vorderingen benadeelde partijen:
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [naam 7]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 7] hoofdelijk toe tot een bedrag van € 6.200,- (zesduizend tweehonderd euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 31 maart 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam 7] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte hoofdelijk de verplichting op ten behoeve van [naam 7] , aan de Staat € 6.200,- (zesduizend tweehonderd euro) te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 31 maart 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 56 (zesenvijftig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [naam 1]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 1] hoofdelijk toe tot een bedrag van € 2.360,- (tweeduizend driehonderdzestig euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 13 april 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam 1] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte hoofdelijk de verplichting op ten behoeve van [naam 1] , aan de Staat € 2.360,- (tweeduizend driehonderdzestig euro) te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 13 april 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 23 (drieëntwintig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [naam 5]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 5] hoofdelijk toe tot een bedrag van € 1.960,- (duizend negenhonderdzestig euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 14 april 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam 5] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte hoofdelijk de verplichting op ten behoeve van [naam 5] , aan de Staat € 1.960,- (duizend negenhonderdzestig euro) te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 14 april 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 19 (negentien) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] hoofdelijk toe tot een bedrag van € 8.365,- (achtduizend driehonderdvijfenzestig euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 15 april 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening. Voormeld bedrag bestaat uit € 7.750,- aan vergoeding van materiële schade en € 615,- aan vergoeding van immateriële schade.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 1] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte hoofdelijk de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1] , aan de Staat € 8.365,- (achtduizend driehonderdvijfenzestig euro) te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 15 april 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 66 (zesenzestig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] hoofdelijk toe tot een bedrag van € 18.453,65 (achttienduizend vierhonderddrieënvijftig euro en vijfenzestig cent) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 22 april 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 2] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte hoofdelijk de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 2] , aan de Staat € 18.453,65 (achttienduizend vierhonderddrieënvijftig euro en vijfenzestig cent) te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 22 april 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 117 (honderdzeventien) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [naam 4]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 4] hoofdelijk toe tot een bedrag van € 844,51 (achthonderdvierenveertig euro en eenenvijftig cent) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 22 april 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam 4] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Wijst de vordering voor het overige af.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte hoofdelijk de verplichting op ten behoeve van [naam 4] , aan de Staat € 844,51 (achthonderdvierenveertig euro en eenenvijftig cent) te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 22 april 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 8 (acht) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Beslag:
Verklaart verbeurd:
Communicatieap (Telefoon), Apple Iphone, Blauw, goednummer 6809185.
Voorlopige hechtenis :
Wijst af de vordering van de officier van justitie tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Vaandrager, voorzitter,
mrs. A.H.E. van der Pol en C. Işitman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.T. de Hertog, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 september 2026.