RECHTBANK AMSTERDAM
Strafrecht
Zittingsplaats Amsterdam
parketnummers : 13-239818-25; 13-290247-25 (eerder gev. ttz); 13-291313-25 (eerder gev. ttz)
raadkamernummer : 006764-26
datum : 12 augustus 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
woonplaats kiezend op het kantoor van advocaat mr. M.A. Dijk,
te [adres] ,
hierna te noemen: de verzoeker.
Feiten
De verzoeker is op 30 januari 2026 door de politierechter in de meervoudige kamer van deze rechtbank ontslagen van alle rechtsvervolging. Dit vonnis is onherroepelijk geworden.
De strafzaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en artikel 9a Wetboek van Strafrecht is niet toegepast.
Procedure
Het verzoekschrift is op 6 maart 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 12 augustus 2026 het verzoekschrift in openbare raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de gemachtigde advocaat van de verzoeker, mr. M.A. Dijk, en de officier van justitie, mr. P. van Laere, op zitting gehoord.
De verzoeker is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.
Verzoek
Het verzoek strekt tot het toekennen van een vergoeding van in totaal € 3.806,44 wegens
Namens de verzoeker is aangevoerd dat de verzoeker is ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat sprake was van een acute psychose. De rechtsbijstand was noodzakelijk om de ontslag van alle rechtsvervolging te bewerkstelligen en zijn niet aan de verzoeker zelf te verwijten. Er was al sprake van een crisismaatregel voorafgaand aan de strafzaak. Het Openbaar Ministerie had op voorhand al een inschatting kunnen maken dat de strafzaak zou eindigen in een ontslag van alle rechtsvervolging. De raadsvrouw verwijst hierbij naar een uitspraak van rechtbank Noord-Holland van 31 mei 2023 (ECLI:NL:RBNHO:2023:6106).
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie verzet zich - in tegenstelling tot het op voorhand ingenomen standpunt - uiteindelijk niet meer tegen het toekennen van de gevraagde vergoeding, gelet op het belang van de gemaakte advocaatkosten.
Beoordeling
De rechtbank is bevoegd en het verzoek is tijdig ingediend.
Aan de gewezen verdachte kan een vergoeding worden toegekend voor werkelijke schade als gevolg van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling van de zaak ter terechtzitting. Ook kan een vergoeding worden toegekend voor de kosten van een raadsman, inclusief kosten voor bijstand tijdens de verzekering en de voorlopige hechtenis, behalve als de raadsman was toegevoegd. Een vergoeding voor deze kosten kan ook worden toegekend als de zaak eindigt met oplegging van straf of maatregel op grond van een feit, waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten.
De toekenning van een schadevergoeding heeft steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
De rechtbank zal een vergoeding toekennen voor: kosten rechtsbijstand € 2.981,44.
De opgegeven kosten worden onderbouwd door de overgelegde urenspecificaties en declaraties. De gevraagde vergoeding zal dan ook worden toegekend.
De rechtbank zal het gebruikelijke bedrag van € 825,- toekennen voor de kosten van indiening en behandeling van dit verzoek.
Beslissing
De rechtbank kent aan verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding toe van € 3.806,44.
Deze beslissing is gegeven door
mr. J. Thomas, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. F.E. Leopold, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de officier van justitie binnen veertien dagen daarna en voor de gewezen verdachte of zijn erfgenamen binnen een maand na de betekening hoger beroep open bij het gerechtshof.
BEVELSCHRIFT VAN TENUITVOERLEGGING
De rechter beveelt de tenuitvoerlegging van vorenstaande beslissing als de zaak onherroepelijk is en de betaling ten laste van ’s Rijks kas door de griffier van deze rechtbank van een bedrag van: € 3.806,44 (zegge: drieduizend achthonderdzes en vierenveertig cent), ten gunste van verzoeker, door overmaking van voornoemd bedrag op derdenrekening van het kantoor van zijn raadsman, Ficq & Partners Advocaten met rekeningnummer [nummer] onder vermelding van ‘ [verzoeker] / 530 Sv’.
Aldus gedaan op 12 augustus 2026
door mr. J. Thomas, rechter.